Loading
Loading
Maatschappijwetenschappen kijkt naar de samenleving met een gereedschapskist van concepten die je toepast op een concrete context. In dit onderwerp leer je wat een concept en een context zijn, hoe de vier hoofdconcepten en de benaderingswijzen samenhangen, en welke onderzoeks- en redeneervaardigheden het examen van je vraagt.
3Onderdelenca. 13min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 2
basisniveau
De concept-contextbenadering en de vier hoofdconcepten vormen het fundament onder alle andere onderwerpen; beheers ze eerst.
verhoogd niveau
Oefen vooral met het expliciet koppelen van concept aan context in een beredeneerde tekst — dat onderscheidt een voldoende van een goede examenprestatie.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
De concept-contextbenadering
Bron: in een buurt met veel werkloosheid en weinig verenigingen kennen bewoners elkaar nauwelijks en helpen ze elkaar zelden. Analyseer dit verschijnsel met een passend concept en koppel het aan de context.
In de bron ontbreekt onderling contact en onderlinge hulp: mensen voelen zich weinig met elkaar en met de buurt verbonden.
Het meest specifieke passende kernconcept is (een gebrek aan) sociale cohesie: de mate waarin mensen zich verbonden voelen en samenwerken. Sociale cohesie hoort bij het hoofdconcept binding.
Ik pas het concept toe: verenigingen en werk zijn plaatsen waar contacten ontstaan; ontbreken die, dan zijn er weinig verbindingen tussen bewoners, dus is de sociale cohesie laag. Zo verklaart het concept precies wat de bron beschrijft.
Resultaat: Het verschijnsel is een lage sociale cohesie (binding): door het ontbreken van werk en verenigingen ontstaan weinig onderlinge contacten, waardoor bewoners zich weinig verbonden voelen en elkaar zelden helpen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
In een bron staat dat leerlingen met laagopgeleide ouders op een school vaker examen doen op een lager niveau dan hun advies suggereerde. Leg met een passend concept uit welk maatschappelijk verschijnsel hier zichtbaar is, en koppel het concept expliciet aan de gegeven context.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma maatschappijwetenschappen HAVO — Examenblad.nl (CvTE / Examenblad)
De vier hoofdconcepten met kernconcepten
Casus: sinds de opkomst van sociale media vertrouwen jongeren minder op de traditionele nieuwsmedia; ze halen hun informatie vooral uit hun eigen netwerk. Welk hoofdconcept staat hier centraal en waarom? Benoem ook een kernconcept.
Het gaat om een ontwikkeling: er is iets veranderd sinds de opkomst van sociale media. Tegelijk gaat het over hoe jongeren hun opvattingen vormen.
Gaat het om een trend in de tijd? Ja. Maar de vraag richt zich op hoe informatie en opvattingen worden overgedragen, dus ook vorming is in beeld.
Omdat het draait om hoe jongeren hun beeld van de werkelijkheid vormen via bronnen om hen heen, staat vorming centraal; het kernconcept is (politieke) socialisatie via veranderende socialisatoren.
Resultaat: Vorming staat centraal: het kernconcept socialisatie verklaart dat jongeren hun opvattingen vormen via de bronnen in hun omgeving; verandering speelt op de achtergrond mee omdat de socialisatoren (van traditionele media naar netwerk) verschuiven.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Noem de vier hoofdconcepten. Geef bij elk hoofdconcept twee kernconcepten en formuleer één sleutelvraag waarmee je herkent dat dit hoofdconcept in een casus centraal staat.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma maatschappijwetenschappen HAVO — Examenblad.nl (CvTE / Examenblad)
Correlatie versus causaliteit: het schijnverband
Uit een enquête onder bezoekers van een museumwebsite blijkt: hoe hoger de opleiding, hoe vaker iemand het museum bezoekt. De onderzoeker concludeert dat Nederlanders met een hoge opleiding vaker naar musea gaan. Beoordeel deze conclusie.
De steekproef bestaat uit bezoekers van de museumwebsite — dat is geen afspiegeling van alle Nederlanders, maar juist van mensen die al in het museum geïnteresseerd zijn (selectie-effect). Generaliseren naar alle Nederlanders mag dus niet.
Er is een samenhang tussen opleiding en museumbezoek, maar de conclusie is te sterk geformuleerd voor deze data.
Een derde variabele kan meespelen: culturele socialisatie thuis (ouders die naar musea gaan) leidt zowel tot een hogere opleiding als tot vaker museumbezoek. Opleiding is dan niet per se de oorzaak.
Resultaat: De conclusie is onhoudbaar: de steekproef is niet representatief (alleen websitebezoekers) en het gevonden verband hoeft niet causaal te zijn — culturele socialisatie kan als derde variabele zowel opleiding als museumbezoek verklaren.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een krant kopt dat kinderen die veel lezen hogere cijfers halen, en concludeert dat lezen slim maakt. Beoordeel deze conclusie: is het een geldig causaal verband? Noem minstens één alternatieve verklaring (derde variabele) en geef aan waaraan een oorzakelijk verband moet voldoen.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma maatschappijwetenschappen HAVO — Examenblad.nl (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad