Loading
Loading
Alle cellen in een organisme hebben hetzelfde DNA, en toch is je lichaam opgebouwd uit honderden verschillende celtypen. Dit onderwerp legt uit hoe dat kan: genregulatie bepaalt welke genen in een cel tot expressie komen, waardoor cellen zich via celdifferentiatie specialiseren en stamcellen voor steeds nieuwe cellen zorgen. Ten slotte organiseren die cellen zich vanzelf tot weefsels, organen en een compleet organisme.
4Onderdelenca. 29min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 3
basisniveau
Zorg dat je kunt uitleggen dat alle lichaamscellen hetzelfde DNA hebben maar dat genregulatie bepaalt welke genen aan- of uitstaan, dat je celdifferentiatie (ongespecialiseerd → gespecialiseerd, vorm volgt functie) kunt beschrijven, het verschil tussen embryonale (pluripotent) en adulte (multipotent) stamcellen kent en de organisatieniveaus cel → weefsel → orgaan → orgaanstelsel → organisme op volgorde kunt zetten.
verhoogd niveau
Redeneer in onbekende contexten: leg uit waarom een fout in een regulerend gen veel celtypen tegelijk kan treffen, weeg de ethische kanten van embryonale stamcellen neutraal af (inclusief alternatieven zoals adulte of herprogrammeerde cellen) en verbind genexpressie, celdifferentiatie en stamcellen tot de zelforganisatie van een heel organisme.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Eén genoom, vele celtypen
In je lichaam hebben een spiercel en een alvleeskliercel (die insuline maakt) precies hetzelfde DNA. Leg uit hoe het kan dat ze toch heel verschillende eiwitten maken. Gebruik in je antwoord de begrippen genexpressie en genregulatie.
Beide cellen zijn door mitose ontstaan uit dezelfde bevruchte eicel. Bij mitose krijgen de dochtercellen exact hetzelfde DNA, dus de spiercel en de alvleeskliercel bevatten allebei het complete genoom, inclusief zowel de spiereiwit-genen als het insulinegen. Het verschil kan dus niet in het DNA zelf zitten.
In de spiercel staan de genen voor spiereiwitten 'aan' en wordt het insulinegen niet afgelezen; in de alvleeskliercel is het juist andersom. Dit aflezen-en-omzetten van een gen tot een eiwit is genexpressie. Omdat in elke cel andere genen tot expressie komen, ontstaan er andere eiwitten.
Welke genen aan- of uitstaan, wordt bepaald door genregulatie: transcriptiefactoren binden aan het DNA en zetten genen aan of uit, gestuurd door signalen die de cel ontvangt. In de alvleeskliercel zorgen die regeleiwitten ervoor dat juist het insulinegen wordt afgelezen.
Verschillende actieve genen leveren verschillend mRNA op, en dus verschillende eiwitten. Die eiwitten bepalen wat de cel kan: insuline maken of samentrekken.
Resultaat: Resultaat: de spiercel en de alvleeskliercel hebben hetzelfde DNA, maar door genregulatie komen in elke cel andere genen tot expressie. Daardoor maken ze verschillende eiwitten en hebben ze verschillende functies — niet het DNA, maar de regulatie van de genexpressie maakt het verschil.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
In je lichaam hebben een spiercel en een alvleeskliercel (die insuline maakt) precies hetzelfde DNA. Leg uit hoe het kan dat ze toch heel verschillende eiwitten maken. Gebruik in je antwoord de begrippen genexpressie en genregulatie.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Vorm volgt functie
Een huidcel en een levercel in hetzelfde lichaam zijn allebei ontstaan uit dezelfde bevruchte eicel en hebben hetzelfde DNA, maar zien er totaal anders uit en doen ander werk. Leg met behulp van celdifferentiatie uit hoe dit verschil ontstaat, en leg met één voorbeeld uit wat 'vorm volgt functie' betekent.
De huidcel en de levercel stammen allebei af van dezelfde bevruchte eicel en hebben door mitose hetzelfde DNA gekregen. Het verschil tussen beide cellen kan dus niet in het DNA zitten.
Tijdens de ontwikkeling hebben beide cellen een verschillende celdifferentiatie doorgemaakt: ze zijn van ongespecialiseerd naar gespecialiseerd gegaan. Daarbij zijn in de huidcel andere genen aangezet dan in de levercel (selectieve genexpressie), zodat elke cel andere eiwitten maakt en een ander celtype wordt.
Neem als voorbeeld een zenuwcel: die heeft lange uitlopers, want haar functie is prikkels over grote afstand geleiden. De vorm (lange uitlopers) past precies bij de functie (geleiden). Zo geldt voor elke gespecialiseerde cel dat haar bouw is afgestemd op haar taak.
Eenmaal gedifferentieerd blijft de huidcel een huidcel en de levercel een levercel; de differentiatie is in principe blijvend.
Resultaat: Resultaat: het verschil tussen de huidcel en de levercel ontstaat niet door verschillend DNA, maar door celdifferentiatie — in elke cel komen andere genen tot expressie. Bij 'vorm volgt functie' verklaar je de bouw van een cel vanuit haar taak, zoals de lange uitlopers van een zenuwcel die bij het geleiden van prikkels passen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een huidcel en een levercel in hetzelfde lichaam zijn allebei ontstaan uit dezelfde bevruchte eicel en hebben hetzelfde DNA, maar zien er totaal anders uit en doen ander werk. Leg met behulp van celdifferentiatie uit hoe dit verschil ontstaat, en leg met één voorbeeld uit wat 'vorm volgt functie' betekent.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Embryonale vs adulte stamcel
Een arts wil beschadigd weefsel herstellen met stamcellen. Leg uit waarom embryonale stamcellen in principe voor meer soorten weefsel bruikbaar zijn dan adulte stamcellen. Noem ook één reden waarom er toch vaak voor adulte stamcellen wordt gekozen.
Embryonale stamcellen zijn pluripotent: ze kunnen uitgroeien tot vrijwel alle celtypen van het lichaam. Adulte stamcellen zijn multipotent: ze kunnen maar een beperkt aantal celtypen vormen, meestal die van hun eigen weefsel.
Omdat embryonale stamcellen elk celtype kunnen worden, kun je er in principe elk gewenst weefsel uit kweken. Met multipotente adulte stamcellen lukt dat alleen voor de beperkte set celtypen die ze kunnen vormen. Voor 'meer soorten weefsel' zijn pluripotente cellen dus veelzijdiger.
Voor adulte stamcellen is geen embryo nodig, zodat het ethische bezwaar dat bij embryonale stamcellen speelt, vervalt. Bovendien kun je ze vaak uit de patiënt zelf halen, bijvoorbeeld uit het beenmerg.
De keuze is dus een afweging: pluripotente embryonale stamcellen zijn biologisch veelzijdiger, maar adulte stamcellen zijn praktischer en zonder ethisch bezwaar te verkrijgen.
Resultaat: Resultaat: embryonale stamcellen zijn voor méér soorten weefsel bruikbaar doordat ze pluripotent zijn (alle celtypen), terwijl adulte stamcellen multipotent zijn (beperkt). Toch wordt vaak voor adulte stamcellen gekozen omdat daarvoor geen embryo nodig is en ze uit de patiënt zelf kunnen komen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een arts wil beschadigd weefsel herstellen met stamcellen. Leg uit waarom embryonale stamcellen in principe voor meer soorten weefsel bruikbaar zijn dan adulte stamcellen. Noem ook één reden waarom er toch vaak voor adulte stamcellen wordt gekozen.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Van stamcel tot weefsel
Het hart is een orgaan. Plaats het hart in de organisatieniveaus door de volgorde cel → weefsel → orgaan → orgaanstelsel toe te passen, met bij elke stap een voorbeeld. Leg daarna in eigen woorden uit wat met de 'zelforganisatie' van een organisme wordt bedoeld.
De kleinste bouwsteen is de cel. Bij het hart is dat bijvoorbeeld één hartspiercel, een gespecialiseerde cel die kan samentrekken.
Veel hartspiercellen van hetzelfde type vormen samen hartspierweefsel. Een weefsel is dus een groep cellen van hetzelfde type met dezelfde taak: hier samentrekken.
Het hart als orgaan bestaat niet uit één weefsel, maar uit verschillende weefsels die samenwerken: hartspierweefsel, zenuwweefsel (het ritme), bindweefsel (stevigheid) en dekweefsel. Samen vormen ze het orgaan dat bloed kan rondpompen.
Het hart werkt samen met de bloedvaten tot het orgaanstelsel bloedsomloop, dat stoffen door het hele lichaam transporteert. Alle orgaanstelsels samen vormen het organisme.
Al deze niveaus zijn vanuit één bevruchte eicel ontstaan. Door celdeling kwamen er veel cellen, door celdifferentiatie kregen ze verschillende functies, en genregulatie bepaalde per cel welke genen aangingen. Doordat cellen elkaar signalen geven, komen ze geordend op hun plek — het organisme bouwt zichzelf op. Dat is zelforganisatie.
Resultaat: Resultaat: een hartspiercel (cel) vormt met gelijke cellen hartspierweefsel (weefsel); verschillende weefsels samen vormen het hart (orgaan); het hart met de bloedvaten vormt de bloedsomloop (orgaanstelsel), en alle stelsels samen het organisme. Zelforganisatie betekent dat dit geordende geheel vanzelf ontstaat uit celdeling, celdifferentiatie en genregulatie, gestuurd door signalen tussen cellen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Het hart is een orgaan. Plaats het hart in de organisatieniveaus door de volgorde cel → weefsel → orgaan → orgaanstelsel toe te passen, met bij elke stap een voorbeeld. Leg daarna in eigen woorden uit wat met de 'zelforganisatie' van een organisme wordt bedoeld.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad