EuraStudy
Samenvattingen/Spaans/Werkwoorden, wijzen en tijden
Samenvattingen · SpaansNL · VWO

Werkwoorden, wijzen en tijden

De Spaanse werkwoordstijden vormen geen apart examendomein: ze zijn een voorwaardelijke, ondersteunende vaardigheid die vooral binnen de schrijfvaardigheid (schoolexamen, domein D) als onderdeel van de taalverzorging wordt beoordeeld, en die daarnaast het tekstbegrip in het centraal examen ondersteunt. Een groot deel van de vervoegingen is (herhaling van) onderbouwstof; in de bovenbouw ligt de nadruk op het juist kiezen van de tijd — met als kern het onderscheid tussen pretérito indefinido en imperfecto — en op de wijzen en de perífrasis verbales die op B2-niveau het verschil maken. Dit onderwerp ordent de tijden op een tijdas, oefent hun vorming en gebruik, en wijst de contrastieve valkuilen aan tussen het Nederlands en het Spaans.

4 Onderdelen·~22 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0666 / 15
Examenprofiel
Beseffen dat de werkwoordstijden een voorwaardelijke (ondersteunende) vaardigheid zijn — geen apart toetsdomein — die vooral binnen de schrijfvaardigheid (SE, domein D) wordt beoordeeld, het tekstbegrip in het CE ondersteunt en deels herhaling van de onderbouw isDe indicatieve tijden vormen en kiezen (presente, pretérito perfecto, pretérito indefinido, imperfecto, pluscuamperfecto, futuro), met bijzondere nadruk op het onderscheid tussen indefinido en imperfectoDe condicional en de imperativo (bevestigend én ontkennend) correct vormen en gebruikenDe belangrijkste perífrasis verbales inzetten: estar + gerundio (nu bezig), ir a + infinitivo (nabije toekomst) en acabar de + infinitivo (net gebeurd)
Operatoren:vervoegvul inkies de juiste tijdverbeterherschrijf

basisniveau

Correct tijdgebruik helpt je bij het lezen in het CE en is een voorwaarde voor het schrijven in het SE, waar taalverzorging als apart aspect meetelt; richt je eerst op de kern: presente, het onderscheid indefinido/imperfecto, de perfecto en de futuro.

verhoogd niveau

Wie naar C1 reikt, beheerst niet alleen de vormen maar ook de fijnere betekenisverschillen (indefinido versus imperfecto, de condicional voor beleefdheid en hypothese, de perífrasis verbales) en past ze bewust en foutloos toe in de eigen productie.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Werkwoorden, wijzen en tijden
    • 01Werkwoordstijden op een tijdas: overzicht en vorming○
    • 02Pretérito indefinido versus imperfecto: het kernonderscheid◐
    • 03Pretérito perfecto, pluscuamperfecto, futuro en condicional◐
    • 04Imperativo en perífrasis verbales (estar + gerundio, ir a + infinitivo)●
§ 01

Werkwoordstijden op een tijdas: overzicht en vorming#

●○○BasisLPexamenblad-nl-spaans-vwo-domein-D

Kernpunten

De Spaanse werkwoordstijden laten zich het best ordenen op een tijdas, van verleden via heden naar toekomst. Afb. 1 plaatst de belangrijkste indicatieve tijden op zo’n as: links, het verst in het verleden, staat de pluscuamperfecto; dichter bij „nu” liggen de pretérito indefinido en de imperfecto, de twee gewone verledentijden; vlak vóór het heden staat de pretérito perfecto, die het verleden met het nu verbindt; op nul staat de presente; en rechts, in de toekomst, de futuro. Elke tijd heeft een eigen rol: de presente voor het heden en algemene waarheden, de indefinido voor een afgeronde handeling, de imperfecto voor achtergrond, beschrijving en gewoonte, de perfecto voor een recent verleden dat tot het heden reikt, de pluscuamperfecto voor wat nóg eerder gebeurde, en de futuro voor de toekomst. Het Spaans onderscheidt deze verledentijden scherper dan het Nederlands — dat met één enkele verleden tijd toe kan — en juist daar ontstaan de meeste fouten.

Afb. 1 — De Spaanse werkwoordstijden op een tijdas

Verleden — nu — toekomstGetallenlijn, pluscuamperfecto, indefinido & imperfecto, pretérito perfecto, presente (nu), futuro−10−50510pluscuamperfectoindefinido &imperfectopretérito perfectopresente (nu)futuro
Afb. 1De belangrijkste Spaanse indicatieve tijden op een tijdas: verleden links, nu op nul, toekomst rechts. De pretérito perfecto staat vlak vóór „nu”, omdat ze het verleden met het heden verbindt.
Het vervoegen begint bij de drie vervoegingsklassen, herkenbaar aan de uitgang van de infinitief: „-ar” („hablar”), „-er” („comer”) en „-ir” („vivir”). In de presente krijgen ze de bekende uitgangen: „hablo, hablas, habla, hablamos, habláis, hablan”; „como, comes, come, comemos, coméis, comen”; „vivo, vives, vive, vivimos, vivís, viven”. Deze vervoeging is grotendeels onderbouwstof (herhaling), net als het onderscheid tussen „ser” en „estar” en de onpersoonlijke vorm „hay” (er is/zijn), die in het onderwerp grammatica aan bod komen. In de bovenbouw is de presente vooral het vertrekpunt: uit de presente-stam en de infinitief leid je bijna alle andere tijden af, dus wie de presente en de veelvoorkomende stamwisselingen (zoals „e→ie” in „pienso” en „o→ue” in „puedo”) beheerst, heeft de basis voor het hele systeem.
Twee tijden zijn samengesteld: ze bestaan uit een vorm van het hulpwerkwoord „haber” plus het voltooid deelwoord (participio). De pretérito perfecto is de presente van „haber” plus het participio: „he hablado, has hablado, ha hablado, hemos hablado, habéis hablado, han hablado”. De pluscuamperfecto is de imperfecto van „haber” plus hetzelfde participio: „había hablado, habías hablado”, enzovoort. Het participio vorm je regelmatig met „-ado” bij „-ar”-werkwoorden en „-ido” bij „-er/-ir”-werkwoorden: „hablado, comido, vivido”. Een handvol veelgebruikte werkwoorden heeft een onregelmatig participio dat je uit het hoofd moet kennen: „hacer → hecho”, „decir → dicho”, „ver → visto”, „escribir → escrito”, „poner → puesto”, „volver → vuelto”, „abrir → abierto” en „romper → roto”. Anders dan in het Frans of Nederlands verandert het participio ná „haber” nóóit mee in geslacht of getal: het blijft altijd „-o” („María ha llegado”, niet „llegada”).
De overige tijden zijn enkelvoudig (één woord). De pretérito indefinido krijgt de uitgangen „-é, -aste, -ó, -amos, -asteis, -aron” (bij „-ar”) en „-í, -iste, -ió, -imos, -isteis, -ieron” (bij „-er/-ir”): „hablé, comí, viví”. De imperfecto krijgt „-aba…” bij „-ar” en „-ía…” bij „-er/-ir” („hablaba, comía, vivía”) en kent slechts drie onregelmatige werkwoorden: „ser → era”, „ir → iba” en „ver → veía”. De futuro én de condicional bouw je op de héle infinitief: futuro met „-é, -ás, -á, -emos, -éis, -án” („hablaré”) en condicional met „-ía, -ías, -ía, -íamos, -íais, -ían” („hablaría”). Beide delen dezelfde onregelmatige stammen — „tener → tendr-”, „poner → pondr-”, „salir → saldr-”, „venir → vendr-”, „poder → podr-”, „saber → sabr-”, „hacer → har-”, „decir → dir-” — zodat „tendré/tendría”, „haré/haría” en „diré/diría” samen op te bergen zijn. De indefinido daarentegen heeft veel eigen onregelmatige vormen, waarvan „ser” en „ir” zelfs samenvallen: beide worden „fui, fuiste, fue, fuimos, fuisteis, fueron”, zodat alleen de context uitwijst welk werkwoord bedoeld is.
Omdat de tijden vaak alleen in hun uitgang verschillen, is de klemtoon — en dus het geschreven accent — betekenisdragend, en dat telt in de schrijfvaardigheid (domein D) mee als taalverzorging. Vergelijk „hablo” (ik spreek, presente) met „habló” (hij/zij sprak, indefinido): één accent verlegt de klemtoon en verandert zowel de tijd als de persoon. Zo staat „hable” (subjuntivo/imperativo) tegenover „hablé” (indefinido, ik sprak), en verschilt de imperatief „sé” (van „ser”) door zijn accent van het voornaamwoord „se”. Een vergeten of verkeerd geplaatst accent is dus geen schoonheidsfoutje maar vaak een échte tijd- of persoonsfout. Wie de tijden schrijft, controleert daarom bewust de accenten: dat is precies het soort verzorging waarop het schoolexamen let.
Uitgewerkt voorbeeld

Eén werkwoord over de tijdas

Vervoeg „hablar” voor „yo” in de presente, de pretérito perfecto, de pretérito indefinido, de imperfecto, de pluscuamperfecto en de futuro, en zet elke vorm op de juiste plaats van de tijdas.

  1. 01Presente en futuro — de vaste punten

    De presente is „hablo” (nu, op nul); de futuro bouw je op de infinitief: „hablar” + „-é” = „hablaré” (rechts, in de toekomst).

  2. 02De twee gewone verledentijden

    De indefinido (afgeronde handeling) is „hablé”, de imperfecto (achtergrond/gewoonte) is „hablaba”. Beide liggen in het gewone verleden, links van „nu”.

  3. 03De twee samengestelde tijden met „haber”

    De perfecto is de presente van „haber” + participio: „he hablado” (recent verleden, vlak vóór nu). De pluscuamperfecto is de imperfecto van „haber” + participio: „había hablado” (het verst terug, vóór een ander verleden moment).

  4. 04Controle: de accenten

    Let op „hablé” (indefinido) met accent tegenover „hablo” (presente) en „hable” (subjuntivo): de klemtoon bepaalt hier de tijd én de persoon.

Resultaat: Voor „yo”: presente „hablo” · perfecto „he hablado” · indefinido „hablé” · imperfecto „hablaba” · pluscuamperfecto „había hablado” · futuro „hablaré”. Van de pluscuamperfecto (het verst terug) via de gewone verledentijden en de perfecto naar de presente op nul, en de futuro rechts in de toekomst.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de indicatieve tijden (presente, pretérito perfecto, pretérito indefinido, imperfecto, pluscuamperfecto, futuro) correct vormen — regelmatig én in de gangbare onregelmatige vormen — en ze op de tijdas kunnen plaatsen.
  • Examendoel: beseffen dat de werkwoordstijden een ondersteunende vaardigheid zijn en dat de taalverzorging (juiste tijd, vervoeging én accentuering) vooral binnen de schrijfvaardigheid van het schoolexamen (domein D) wordt beoordeeld.

Veelgemaakte fouten

  • Het participio na „haber” laten meebuigen in geslacht of getal („María ha llegada”). Na „haber” blijft het participio altijd onveranderlijk „-o”: „María ha llegado”.
  • Accenten weglaten of verkeerd plaatsen en zo per ongeluk van tijd of persoon wisselen: „hablo” (ik spreek) in plaats van „habló” (hij sprak), of „hable” in plaats van „hablé” (ik sprak).

Actieve herhaling

Vervoeg „trabajar” (regelmatig) voor „yo” in de zes tijden: presente, pretérito perfecto, pretérito indefinido, imperfecto, pluscuamperfecto en futuro. Vervoeg daarna „hacer” voor „yo” in dezelfde zes tijden en let op de onregelmatige vormen (participio, indefinido-stam, futuro-stam). Zet ten slotte de juiste accenten en benoem welke vorm zonder accent een andere tijd of persoon zou worden.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Spaans VWO — taalverzorging binnen domein D (voorwaardelijke vaardigheid) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Pretérito indefinido versus imperfecto: het kernonderscheid#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-spaans-vwo-domein-D

Kernpunten

Het belangrijkste — en in de schrijfvaardigheid het meest bepalende — is het onderscheid tussen de pretérito indefinido en de imperfecto: twee verledentijden waar het Nederlands er maar één tegenover zet. Afb. 2 vat de keuze samen. De indefinido gebruik je voor een afgeronde handeling: iets wat op een afgebakend moment (of een afgebakend aantal keren) gebeurde en het verhaal vooruithelpt — „Ayer visité el museo” (gisteren bezocht ik het museum), „De repente, alguien gritó” (plotseling schreeuwde iemand). De imperfecto gebruik je voor de achtergrond: een beschrijving, een toestand of een gewoonte zonder duidelijk eindpunt — „Cuando era pequeño, iba a menudo a la playa” (toen ik klein was, ging ik vaak naar het strand), „Hacía buen tiempo” (het was mooi weer). De indefinido zet dus de gebeurtenissen op een rij; de imperfecto schildert het decor eromheen.

Afb. 2 — Pretérito indefinido of imperfecto?

Indefinido of imperfecto?Boomdiagram, 6 paden, Gegevens: Indefinido — afgerond → ayer, anoche, el lunes; Indefinido — afgerond → de repente, de pronto; Indefinido — afgerond → una vez, dos veces; Imperfecto — achtergrond → siempre, a menudo; Imperfecto — achtergrond → todos los días; Imperfecto — achtergrond → mientras, cuandoIndefinido — afgerondImperfecto — achtergrondVerleden: welke tijd?ayer, anoche, el lunesde repente, de prontouna vez, dos vecessiempre, a menudotodos los díasmientras, cuando
Afb. 2De keuze tussen indefinido (afgeronde handeling) en imperfecto (achtergrond, beschrijving, gewoonte), met de bijbehorende signaalwoorden.
Vaak werken beide tijden in één zin samen: de imperfecto schetst de lopende achtergrond en de indefinido brengt de gebeurtenis die dat decor onderbreekt — „Leía tranquilamente cuando sonó el teléfono” (ik las rustig toen de telefoon ging). Signaalwoorden helpen bij de keuze, precies zoals Afb. 2 ze groepeert. Bij de indefinido horen afgebakende tijdsaanduidingen en breukmomenten: „ayer”, „anoche”, „el lunes pasado”, „la semana pasada”, „en 2019”, „de repente”, „de pronto”, „una vez” en „dos veces”. Bij de imperfecto horen herhaling, gewoonte en duur: „siempre”, „a menudo”, „a veces”, „todos los días”, „cada verano”, „normalmente”, en het verbindende „mientras” (terwijl). Ook typische achtergrondinformatie staat in de imperfecto: leeftijd („tenía diez años”), tijd en weer in het verleden („eran las tres”, „hacía frío”) en beschrijvingen („la casa era grande”).
Bij een kleine groep werkwoorden verandert de bétekenis met de tijdkeuze, en dat is een geliefd toetspunt. In de imperfecto beschrijven ze een toestand, in de indefinido een omslag of gebeurtenis. Zo betekent „conocía a Juan” „ik kende Juan (al)”, maar „conocí a Juan” „ik leerde Juan kennen / ontmoette hem” (het moment van kennismaken). Net zo staat „sabía la verdad” (ik wist de waarheid) tegenover „supe la verdad” (ik kwam de waarheid te weten); „quería salir” (ik wilde weg) tegenover „quise salir” (ik probeerde weg te gaan); en „podía nadar” (ik was in staat te zwemmen) tegenover „pude nadar” (het lukte me te zwemmen). Wie zulke werkwoorden vertaalt, kiest de tijd dus niet op de vorm maar op de bedoelde betekenis: een blijvende toestand of een afgerond feit.
De moeilijkheid is contrastief: het Nederlands leunt op één verleden tijd („ik ging”, „ik las”) en dwingt je niet tot de keuze die het Spaans wél eist, zodat de neiging bestaat om zomaar één tijd te kiezen. Een betrouwbare vuistregel is de vraag: gaat het om een afgeronde gebeurtenis die het verhaal verderbrengt (dan indefinido), of om achtergrond, beschrijving of gewoonte (dan imperfecto)? Een tweede controle is de „film”-toets: kun je de handeling als een afgerond kadertje met een begin en een eind zien, dan indefinido; loopt ze als achtergrond door terwijl er iets anders gebeurt, dan imperfecto. Wie bij het schrijven van een verhaal eerst het decor in de imperfecto zet en daarna de gebeurtenissen in de indefinido, maakt de meeste keuzes vanzelf goed.
Uitgewerkt voorbeeld

Indefinido of imperfecto?

Kies de juiste tijd en licht toe: „Cuando ___ (ser) niño, ___ (vivir, nosotros) en Madrid, pero un día mi padre ___ (encontrar) trabajo en Sevilla.”

  1. 01„ser” — een toestand

    „Cuando era niño” beschrijft een toestand in het verleden zonder eindpunt: imperfecto. Dus „era niño” (de onregelmatige imperfecto van „ser”).

  2. 02„vivir” — een duur of gewoonte

    In Madrid wonen was een langdurige, voortdurende situatie: opnieuw imperfecto. Dus „vivíamos en Madrid”.

  3. 03„encontrar” — een afgeronde gebeurtenis

    „un día” wijst op één afgerond moment dat het verhaal vooruithelpt: indefinido. Dus „mi padre encontró trabajo”.

Resultaat: „Cuando era niño, vivíamos en Madrid, pero un día mi padre encontró trabajo en Sevilla.” Twee imperfectos (toestand en duur/gewoonte) tegenover één indefinido (de afgeronde gebeurtenis bij „un día”).

Eindexamen-focus

  • Examendoel: per zin de juiste verledentijd kiezen — pretérito indefinido voor de afgeronde, verhaal-voortstuwende handeling tegenover imperfecto voor achtergrond, beschrijving, toestand en gewoonte — en die keuze kunnen verantwoorden.
  • Examendoel: de betekenisverschillen bij werkwoorden als „conocer”, „saber”, „querer” en „poder” herkennen en de tijd op de bedoelde betekenis kiezen.

Veelgemaakte fouten

  • Een beschrijving, toestand of gewoonte in de indefinido zetten in plaats van in de imperfecto: „Cuando fui pequeño…” in plaats van „Cuando era pequeño…”.
  • Blind vertalen vanuit het Nederlands, dat maar één verleden tijd heeft, en zo bij een lopende achtergrond de indefinido kiezen of omgekeerd bij een breukmoment de imperfecto.

Actieve herhaling

Vul de juiste verledentijd in (indefinido of imperfecto) en verantwoord je keuze: (1) „Cuando ___ (ser) niño, nosotros ___ (vivir) en Valencia.” (2) „De repente, ___ (empezar) a llover y los turistas ___ (volver) al hotel.” (3) „Ella ___ (leer) tranquilamente cuando alguien ___ (llamar) a la puerta.” Benoem per gat of het om achtergrond/gewoonte of om een afgeronde handeling gaat.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Spaans VWO — taalverzorging binnen domein D (voorwaardelijke vaardigheid) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Pretérito perfecto, pluscuamperfecto, futuro en condicional#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-spaans-vwo-domein-D

Kernpunten

De pretérito perfecto (voltooid tegenwoordige tijd) verbindt het verleden met het heden. Ze bestaat uit de presente van „haber” plus het participio — „he comido, has comido, ha comido, hemos comido, habéis comido, han comido” — en beschrijft een handeling in een tijdvak dat nog niet is afgesloten of die nog gevolgen heeft voor nu. Vandaar de typische signaalwoorden: „hoy”, „esta mañana”, „esta semana”, „este año”, „ya” (al), „todavía no” (nog niet), „alguna vez” (ooit) en „nunca” (nooit). Zo zeg je „Hoy he desayunado tarde” (vandaag heb ik laat ontbeten) en „Nunca he estado en México” (ik ben nog nooit in Mexico geweest). Let op de regionale variatie: in Spanje is de perfecto voor „vandaag/recent” de norm, terwijl men in grote delen van Spaans-Amerika daarvoor juist de indefinido gebruikt („Hoy desayuné tarde”). Voor je eigen schrijven is de Spaanse norm de veilige keuze; als lezer moet je beide varianten kunnen begrijpen.
Het contrast tussen perfecto en indefinido is dus een kwestie van tijdvak. De perfecto hoort bij een periode die tot nu doorloopt of nog nawerkt; de indefinido bij een afgesloten periode, los van het heden. Vergelijk „Esta semana he trabajado mucho” (deze — nog lopende — week heb ik veel gewerkt) met „La semana pasada trabajé mucho” (vorige — afgesloten — week werkte ik veel). Een klassieke fout is „he comido ayer”: omdat „ayer” een afgesloten dag is, moet het „comí ayer” zijn. De vuistregel: hoort er een „nog-lopend” of een „ya/todavía”-gevoel bij, dan perfecto; wijst het signaalwoord op een afgesloten moment („ayer”, „anoche”, „el lunes”, „en 2018”), dan indefinido.
De pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd) drukt uit dat iets al gebeurd wás vóór een ander moment in het verleden — het „verleden vóór het verleden”. Je vormt haar met de imperfecto van „haber” plus het participio: „había llegado, habías llegado, había llegado…”. In „Cuando llegué al cine, la película ya había empezado” (toen ik bij de bioscoop aankwam, was de film al begonnen) ligt het beginnen („había empezado”) vóór het aankomen („llegué”). Signaalwoorden als „ya” (al) en „todavía no” (nog niet) begeleiden haar vaak. Op de tijdas (zie Afb. 1) staat de pluscuamperfecto het verst naar links, want ze verwijst naar het vroegste punt in een keten van verleden gebeurtenissen.
De futuro dient in de eerste plaats voor de toekomst: „El año que viene estudiaré en Salamanca” (volgend jaar ga ik in Salamanca studeren). Je vormt haar op de infinitief plus „-é, -ás, -á, -emos, -éis, -án”, met de bekende onregelmatige stammen („tendré”, „haré”, „diré”, „habrá”). Daarnaast heeft de futuro een tweede, minder voor de hand liggend gebruik: het uitdrukken van een vermoeden over het héden. „Serán las cinco” betekent niet „het zullen vijf uur zijn” maar „het zal wel vijf uur zijn / het is waarschijnlijk vijf uur”; „¿Dónde estará Juan?” is „waar zou Juan (toch) zijn?”. Voor de nabije of geplande toekomst gebruikt het Spaans bovendien vaak de perífrasis „ir a” + infinitief („Voy a estudiar”) — daarover meer in het volgende onderdeel.
De condicional ten slotte is de „zou”-vorm. Je bouwt haar op dezelfde infinitief-plus-stammen als de futuro, maar met de uitgangen „-ía, -ías, -ía, -íamos, -íais, -ían” („hablaría”, „tendría”, „haría”). Ze heeft vier hoofdgebruiken. Beleefdheid: „Me gustaría un café” (ik zou graag een koffie willen), „¿Podrías ayudarme?” (zou je me kunnen helpen?). Hypothese: „Yo, en tu lugar, estudiaría más” (ik zou in jouw plaats meer studeren). Toekomst-in-het-verleden: „Dijo que vendría” (hij zei dat hij zou komen) — de condicional is hier de „futuro” gezien vanuit een verleden moment. En een vermoeden over het verleden: „Serían las cinco cuando llegó” (het was waarschijnlijk vijf uur toen hij aankwam). Zo verhoudt de condicional zich tot de futuro als het verleden tot het heden: „serán las cinco” (vermoeden over nu) tegenover „serían las cinco” (vermoeden over toen).
Uitgewerkt voorbeeld

Van directe naar indirecte rede: futuro wordt condicional

Zet in de indirecte rede vanuit het verleden: Pablo dice: „Estudiaré medicina y viviré en Madrid.” → „Pablo dijo que…”

  1. 01Het inleidende werkwoord wordt verleden

    „dice” (zegt) wordt „dijo” (zei): de mededeling wordt nu vanuit een verleden moment weergegeven.

  2. 02De futuro wordt condicional

    Een toekomst bezien vanuit het verleden is de condicional. „Estudiaré” (ik zal studeren) wordt „estudiaría”; „viviré” (ik zal wonen) wordt „viviría”.

  3. 03De persoon aanpassen

    Pablo spreekt over zichzelf („yo”); in de weergave wordt dat de derde persoon: „que estudiaría… y viviría”.

Resultaat: „Pablo dijo que estudiaría medicina y (que) viviría en Madrid.” De futuro uit de directe rede wordt in de indirecte rede vanuit het verleden de condicional — de condicional als „toekomst-in-het-verleden”.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de pretérito perfecto en de pretérito indefinido juist onderscheiden op grond van het tijdvak (nog lopend/nawerkend tegenover afgesloten), en de regionale variatie herkennen bij het lezen.
  • Examendoel: de futuro en de condicional correct vormen (ook de onregelmatige stammen) en hun gebruiken inzetten — toekomst en vermoeden (futuro) tegenover beleefdheid, hypothese, toekomst-in-het-verleden en vermoeden over het verleden (condicional).

Veelgemaakte fouten

  • De pretérito perfecto combineren met een afgesloten tijdstip: „he comido ayer” in plaats van „comí ayer” („ayer” eist de indefinido).
  • De onregelmatige futuro- en condicional-stammen vergeten en de volledige infinitief gebruiken: „teneré” of „hacería” in plaats van „tendré” en „haría”.

Actieve herhaling

Kies de juiste tijd (perfecto, indefinido, pluscuamperfecto, futuro of condicional): (1) „Esta semana ___ (yo, tener) mucho trabajo, pero ayer ___ (terminar) el informe.” (2) „Cuando llegamos, la reunión ya ___ (empezar).” (3) „Me ___ (gustar) visitarte, pero no tengo tiempo.” (4) „No contesta el teléfono: ___ (estar, él) durmiendo.” Verantwoord bij (1) waarom het ene gat perfecto en het andere indefinido is, en benoem bij (4) dat de futuro een vermoeden uitdrukt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Spaans VWO — taalverzorging binnen domein D (voorwaardelijke vaardigheid) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Imperativo en perífrasis verbales (estar + gerundio, ir a + infinitivo)#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl-spaans-vwo-domein-D

Kernpunten

Dit onderdeel behandelt twee zaken die naast de gewone tijden op B2-niveau het verschil maken: de imperativo (de gebiedende wijs) en de perífrasis verbales, de vaste werkwoordconstructies die Afb. 3 samenvat. Eerst de imperativo, voor bevelen, instructies, adviezen en verzoeken. De bevestigende „tú”-vorm is meestal gelijk aan de derde persoon enkelvoud van de presente: „hablar → habla” (spreek!), „comer → come” (eet!), „vivir → vive” (leef!). Acht veelgebruikte werkwoorden hebben een korte, onregelmatige „tú”-vorm die je uit het hoofd moet kennen: „decir → di”, „hacer → haz”, „ir → ve”, „poner → pon”, „salir → sal”, „ser → sé”, „tener → ten” en „venir → ven”. De bevestigende „vosotros”-vorm maak je regelmatig door de „-r” van de infinitief te vervangen door „-d”: „hablad, comed, vivid”; en voor de beleefdheidsvormen „usted” en „ustedes” gebruik je de subjuntivo: „hable / hablen”, „coma / coman”.

Afb. 3 — De perífrasis verbales

Perífrasis verbalesBoomdiagram, 3 paden, Gegevens: estar + gerundio → nu bezig: está comiendo; ir a + infinitivo → toekomst: voy a comer; acabar de + infinitivo → net gebeurd: acabo de comerestar + gerundioir a + infinitivoacabar de + infinitivoPerífrasis verbalesnu bezig: está comiendotoekomst: voy a comernet gebeurd: acabo de comer
Afb. 3De drie belangrijkste perífrasis verbales met hun betekenis en een voorbeeld: net gebeurd, nu bezig en zo meteen.
Bij de óntkennende imperatief werkt het Spaans anders: álle personen nemen dan de subjuntivo. Het bevestigende „come” (eet!) wordt ontkennend „no comas” (eet niet!), en „hablad” wordt „no habléis”. Zo ontstaat het opvallende, veel getoetste contrast: bevestigend „habla / hablad”, ontkennend „no hables / no habléis” — de „-ar”-werkwoorden krijgen ontkennend een „-es”-uitgang, de „-er/-ir”-werkwoorden een „-as”-uitgang. Ook de plaats van de voornaamwoorden verschilt per richting. Bij een bevestigend bevel plak je het voornaamwoord vást aan de vorm, vaak met een geschreven accent om de klemtoon te bewaren: „Dímelo” (zeg het me), „Levántate” (sta op), „Háztelo” (doe het voor jezelf). Bij een ontkennend bevel staat het voornaamwoord juist vóór het werkwoord: „No me lo digas” (zeg het me niet), „No te levantes” (sta niet op). Dit spiegelbeeld — erachter en vastgeplakt bij een bevel, ervoor en los bij een verbod — is een klassiek verzorgingspunt.
De perífrasis verbales zijn vaste combinaties van een hulpwerkwoord met een infinitief of een gerundio; Afb. 3 zet de drie belangrijkste op een rij. De eerste is „estar” + gerundio, de voortdurende vorm voor een handeling die op dit moment aan de gang is: „Estoy comiendo” (ik ben aan het eten), „¿Qué estás haciendo?” (wat ben je aan het doen?). Het gerundio vorm je met „-ando” bij „-ar” („hablando”) en „-iendo” bij „-er/-ir” („comiendo”, „viviendo”); veelvoorkomende onregelmatige gerundios zijn „leer → leyendo”, „oír → oyendo”, „ir → yendo”, „dormir → durmiendo”, „pedir → pidiendo” en „decir → diciendo”. Let op een belangrijk contrastief punt: anders dan het Engels (en soms het Nederlands) gebruikt het Spaans „estar” + gerundio alléén voor iets wat nú echt bezig is, niet voor de toekomst. „Morgen eet ik met Ana” is „Mañana como con Ana”, niet „estoy comiendo”.
De tweede perífrasis is „ir a” + infinitief, voor de nabije of geplande toekomst — het Spaanse equivalent van „gaan” + infinitief: „Voy a estudiar” (ik ga studeren), „Vamos a ver una película” (we gaan een film kijken). Je vervoegt alleen „ir” („voy, vas, va, vamos, vais, van”) en laat de infinitief onveranderd; in de praktijk is deze vorm voor concrete plannen vaak natuurlijker dan de futuro. De derde perífrasis is „acabar de” + infinitief, voor iets wat zojuist gebeurd is: „Acabo de llegar” (ik ben net aangekomen), „Acaban de salir” (ze zijn net vertrokken). In de imperfecto verschuift ze mee naar het verleden: „Acababa de llegar cuando sonó el teléfono” (ik was net aangekomen toen de telefoon ging). Samen dekken de drie perífrasis dus precies de „randen” rond het heden af: net gebeurd („acabar de”), nú bezig („estar” + gerundio) en zo meteen („ir a”).
Uitgewerkt voorbeeld

Van bevel naar verbod: vorm én voornaamwoord

Zet het bevel „Dímelo” (zeg het me) om in een verbod, en verklaar wat er met de vorm en het voornaamwoord gebeurt.

  1. 01De richting bepaalt de wijs

    Een bevestigend bevel gebruikt de imperativo („di”, van „decir”); een verbod gebruikt de subjuntivo. „di” wordt dus „digas” (subjuntivo, tú).

  2. 02De voornaamwoorden verhuizen naar vóór het werkwoord

    Bij een verbod staan de voornaamwoorden vóór de werkwoordsvorm, niet erachter. „me” (aan mij) en „lo” (het) komen samen vóór „digas”, in de vaste volgorde OI vóór OD: „me lo”.

  3. 03Het accent vervalt

    Het geschreven accent op „Dímelo” was nodig omdat de aangehechte voornaamwoorden de klemtoon verlegden. Nu de voornaamwoorden losstaan, is dat accent niet meer nodig: „No me lo digas”.

Resultaat: „Dímelo” (bevel) wordt „No me lo digas” (verbod). Bij de ontkenning wisselt de imperativo naar de subjuntivo („digas”), verhuizen de voornaamwoorden naar vóór het werkwoord („me lo”) en vervalt het accent.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de imperativo bevestigend én ontkennend correct vormen (inclusief de acht onregelmatige „tú”-vormen en het gebruik van de subjuntivo bij ontkenning en bij „usted/ustedes”) en de voornaamwoorden op de juiste plaats zetten.
  • Examendoel: de perífrasis verbales „estar” + gerundio (nu bezig), „ir a” + infinitief (nabije toekomst) en „acabar de” + infinitief (net gebeurd) correct vormen en in de juiste situatie gebruiken.

Veelgemaakte fouten

  • Een ontkennend bevel met de bevestigende vorm maken: „no come” of „no habla” in plaats van de subjuntivo „no comas” en „no hables”.
  • „estar” + gerundio gebruiken voor de toekomst, naar Engels/Nederlands model („Mañana estoy trabajando” in plaats van „Mañana trabajo” of „Mañana voy a trabajar”), of het voornaamwoord bij de imperatief verkeerd plaatsen („dime lo” of „no dímelo” in plaats van „dímelo” en „no me lo digas”).

Actieve herhaling

(a) Vorm van „hacer” en „venir” de bevestigende én de ontkennende „tú”-imperatief. (b) Zet „Dame el libro” in de ontkennende vorm. (c) Vul de juiste perífrasis in: „—¿Dónde está Ana? —___ (acabar de) salir.” en „Esta tarde ___ (ir a) estudiar.” (d) Herschrijf „Como ahora” met „estar” + gerundio. Let bij (a) en (b) op de vorm én de plaats van het voornaamwoord.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Spaans VWO — taalverzorging binnen domein D (voorwaardelijke vaardigheid) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Werkwoordstijden op een tijdas: overzicht en vorming○
    • 02Pretérito indefinido versus imperfecto: het kernonderscheid◐
    • 03Pretérito perfecto, pluscuamperfecto, futuro en condicional◐
    • 04Imperativo en perífrasis verbales (estar + gerundio, ir a + infinitivo)●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Werkwoorden, wijzen en tijden

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~22
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Spaans VWO — taalverzorging binnen domein D (voorwaardelijke vaardigheid)

Vorig onderwerp

Grammatica (gramática)

Volgend onderwerp

Subjuntivo en stijlregister

EuraStudy·Samenvattingen T·06·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.