EuraStudy
Samenvattingen/Spaans/Literaire ontwikkeling en literatuurgeschiedenis
Samenvattingen · SpaansNL · VWO

Literaire ontwikkeling en literatuurgeschiedenis

Dit onderwerp bundelt je literaire ontwikkeling (E1) en de literatuurgeschiedenis (E3) van de Spaanstalige wereld — Spanje én Spaans-Amerika. Voor het VWO lees je ten minste drie literaire werken in het Spaans, verantwoord je je leeservaring in een leesdossier en plaats je werken in hun literair-historische context, van de Edad Media en de Siglos de Oro tot de Generación del 27 en el Boom latinoamericano. Het hoort bij domein E (Literatuur) en wordt in het schoolexamen (SE) getoetst — niet in het centraal examen; de precieze eis (het aantal werken, de vorm van het dossier en de weging) legt de school vast in het PTA.

4 Onderdelen·~24 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·131313 / 15
Examenprofiel
De persoonlijke leeservaring bij Spaanstalige literatuur beschrijven en onderbouwen, en een leesdossier van ten minste drie werken samenstellen en verantwoorden (E1)De grote periodes van de Spaanse en Spaans-Amerikaanse literatuur benoemen, globaal dateren en op volgorde zetten (E3)Kenmerken van een periode of stroming in een fragment herkennen en verbinden met de tijdgeestSleutelauteurs en -werken plaatsen (o.a. Cervantes, Lope de Vega, Bécquer, Galdós, Lorca, García Márquez, Borges, Neruda) en een werk in zijn context duiden
Operatoren:beschrijfverantwoordwaardeerplaatsdateerbenoemherken kenmerkenverbind met de tijdgeestvergelijk

basisniveau

Literatuur (domein E) is schoolexamenstof; je verwoordt en onderbouwt je eigen leeservaring bij de gelezen Spaanse werken en kent de hoofdlijnen van de periodisering en de belangrijkste auteurs.

verhoogd niveau

Literaire ontwikkeling (E1) en literatuurgeschiedenis (E3) zijn nadrukkelijk VWO-stof — op de HAVO blijft het lichter. Je leest ten minste drie literaire werken in het Spaans, herkent periodekenmerken in een fragment en verbindt een werk met zijn cultuurhistorische context. De precieze eis legt de school in het PTA vast.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Literaire ontwikkeling en literatuurgeschiedenis
    • 01Waarom literatuur lezen: leeservaring en leesdossier (E1)○
    • 02Edad Media en de Siglos de Oro (Cervantes, Lope, Quevedo, Góngora)◐
    • 03De 18e en 19e eeuw: Ilustración, Romanticismo en Realismo◐
    • 04De 20e en 21e eeuw: Generación del 98, Vanguardias en el Boom latinoamericano●
§ 01

Waarom literatuur lezen: leeservaring en leesdossier (E1)#

●○○BasisLPexamenblad-nl-spaans-vwo-domein-E

Kernpunten

Literatuur lezen is meer dan een tekst begrijpen: het dient tegelijk een persoonlijk, een cultureel-historisch, een esthetisch en een moreel-empathisch doel, en bij een vreemde taal als het Spaans óók een talig doel. Je groei als lezer verloopt bovendien in niveaus van literaire competentie, die Afb. 1 ordent van belevend lezen tot academisch lezen. Het niveau kleeft niet aan het boek maar aan jóuw manier van lezen: dezelfde roman kun je oppervlakkig-belevend of diep-interpreterend lezen. Voor domein E moet je precies dat kunnen: verwoorden waaróm en hóe je leest, je eigen lezing plaatsen en je groei aantonen.

Afb. 1 — Niveaus van literaire competentie

Niveaus van literaire competentieBoomdiagram, 6 paden, Gegevens: Belevend lezen (1); Herkennend lezen (2); Reflecterend lezen (3); Interpreterend lezen (4); Letterkundig lezen (5); Academisch lezen (6)Niveaus van literaire competentieBelevend lezen (1)Herkennend lezen (2)Reflecterend lezen (3)Interpreterend lezen (4)Letterkundig lezen (5)Academisch lezen (6)
Afb. 1Een gangbaar zesniveaumodel (naar Witte) van literaire competentie, van belevend lezen (1) tot academisch lezen (6). De benaming en het aantal treden variëren per bron; de ladder beschrijft je leeshouding, niet het boek. Het VWO mikt op de hogere treden.
Het persoonlijke en het moreel-empathische doel raken de kern van waarom literatuur ertoe doet: een verhaal ontroert je, of het laat je tijdelijk het leven van een ander leven — een andere tijd, een andere klasse, een ander geweten. Zo laat García Márquez je in „Cien años de soledad” een heel Latijns-Amerikaans continent van binnenuit meebeleven, en toont Lorca in „La casa de Bernarda Alba” de verstikkende macht van eer en fatsoen over vrouwenlevens. Het cultureel-historische en het esthetische doel richten de blik naar buiten: een werk vertelt je iets over de samenleving die het voortbracht, en leert je waarderen hóe het gemaakt is — welke vorm, beeldspraak en stijl het tot kunst maken. Het talige doel ten slotte is bij het Spaans extra belangrijk: door literatuur te lezen bouw je woordenschat, idioom en gevoel voor register op, wat je leesvaardigheid voor het centraal examen rechtstreeks voedt.
De ladder van Afb. 1 (naar een gangbaar model, o.a. van Theo Witte) helpt je je lezing te plaatsen. Op de lagere treden lees je belevend (je laat je meeslepen door verhaal en emotie), herkennend (je herkent je eigen wereld en ervaringen) en reflecterend (je denkt na over thema's en het gedrag van personages). Op de hogere treden lees je interpreterend (je ontrafelt symboliek, ironie of een onbetrouwbare verteller), letterkundig (je betrekt vorm, genre en literair-historische context) en academisch (je hanteert kritische en theoretische kaders). Het exacte aantal treden en de benaming verschillen per bron, maar het VWO mikt nadrukkelijk op de hogere treden: méér dan alleen belevend, richting interpreteren en letterkundig lezen. Kies daarom werken die net boven je huidige niveau liggen — te makkelijk levert geen groei op, te moeilijk ontmoedigt.
Bij je leeservaring hoort een onderbouwd oordeel, en dat maak je door je waardering op criteria te baseren in plaats van op een gevoel. „Ik vond het mooi” telt pas als literaire waardering wanneer je zegt wáárop je het baseert — op de structuur (de opbouw), de stijl (de taal), de thematiek (wat het werk je te zeggen heeft) of de herkenning (de persoonlijke relevantie) — en dat met een concrete tekstplaats staaft. Houd daarbij je persoonlijke reactie en je beargumenteerde kwaliteitsoordeel uit elkaar: je mag een werk saai vinden en tegelijk erkennen dat het knap geschreven is. Het schoolexamen vraagt vooral dat beargumenteerde oordeel, opgebouwd als een klein betoog: standpunt (je oordeel), argument (het criterium) en bewijs (een voorbeeld uit het werk).
Dit alles komt samen in het leesdossier: het portfolio waarin je per werk de gegevens (auteur, titel, jaar), een korte samenvatting, je leeservaring, een onderbouwde waardering en een reflectie op je groei vastlegt. Voor het VWO geldt de eis van ten minste drie literaire werken in het Spaans; op de HAVO is de omvang lichter. Wees eerlijk over de precieze eis: het exacte aantal, de vorm van het dossier en de weging liggen niet landelijk vast, maar staan in het Programma van Toetsing en Afsluiting (PTA) van jouw school — „drie” is de gangbare ondergrens, geen streefgetal. Verantwoord je keuze met variatie (verschillende periodes en genres), uitdaging (werken die je een trede hoger tillen) en interesse, en lees de werken écht: bij een mondeling, deels in het Spaans, val je met alleen online samenvattingen (resúmenes) bij de eerste doorvraag door de mand.
Uitgewerkt voorbeeld

Twee lezingen op de ladder plaatsen

Een leerling las eerst een toegankelijke jeugdroman puur voor de spanning en de afloop; daarna „La casa de Bernarda Alba” van Lorca, waarin hij de symboliek (de opgesloten ruimte, de hitte, het water) en de maatschappijkritiek ging ontrafelen. Plaats beide lezingen op de ladder (Afb. 1) en benoem de groei.

  1. 01De eerste lezing plaatsen

    Puur meegesleept door de spanning en de afloop, zonder verdere duiding: dat is belevend lezen, niveau 1.

  2. 02De tweede lezing plaatsen

    Het ontrafelen van de symboliek en de kritiek op eer, fatsoen en de onderdrukking van vrouwen vraagt om gelaagde betekenis: dat is interpreterend lezen, niveau 4, met een aanzet tot letterkundig lezen omdat hij ook de toneelvorm betrekt.

  3. 03De groei benoemen

    De verschuiving van niveau 1 naar niveau 4 laat zien dat de leerling van meebeleven naar duiden is gegroeid — precies de ontwikkeling die het leesdossier moet aantonen.

Resultaat: Van niveau 1 (belevend) naar niveau 4 (interpreterend): een aantoonbare groei van meebeleven naar het duiden van symboliek en maatschappijkritiek.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: je lezing van een Spaans werk op een niveau van literaire competentie (Afb. 1) plaatsen, die keuze beargumenteren en je groei aantonen door twee gelezen werken te vergelijken.
  • Examendoel: een onderbouwd waarderingsoordeel over een gelezen Spaans werk geven op minstens twee criteria (structuur, stijl, thematiek, herkenning) met tekstbewijs, en de keuze van je drie werken in het leesdossier verantwoorden.

Veelgemaakte fouten

  • Literatuur reduceren tot het navertellen van de plot (el resumen), in plaats van te reflecteren op de betekenis en de waarde die het werk voor jou had.
  • Het niveau aan het boek toeschrijven in plaats van aan je manier van lezen, of alleen op het hoogste niveau willen lezen; groei begint bij passende, iets uitdagender werken, niet bij het overslaan van treden.
  • Online samenvattingen (resúmenes) gebruiken zonder de werken echt te lezen; bij het mondeling, deels in het Spaans, val je door de eerste doorvraag door de mand.

Actieve herhaling

Stel een verantwoording op van drie door jou te lezen Spaanstalige werken: noem per werk de periode, het genre en de uitdaging op de competentieladder (Afb. 1), plaats twee van je lezingen op die ladder en beschrijf per werk in enkele zinnen welke leeshouding het van je vroeg.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Spaans VWO — domein E Literatuur (CvTE / Examenblad)

§ 02

Edad Media en de Siglos de Oro (Cervantes, Lope, Quevedo, Góngora)#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-spaans-vwo-domein-E

Kernpunten

De Spaanstalige literatuur strekt zich uit over ruim acht eeuwen, en Afb. 2 zet de hoofdlijn op een tijdlijn: van de Edad Media tot el Boom latinoamericano. Het oudste grote werk is el Cantar de Mío Cid (omstreeks 1200), een cantar de gesta: een heldenepos over Rodrigo Díaz de Vivar, el Cid, die na een onterechte verbanning door listig en dapper vechten zijn eer en zijn plaats aan het hof herovert. Het bezingt eer, trouw en moed in dienst van vorst en geloof — de idealen van de feodale, christelijke wereld van de Reconquista. Afb. 2 helpt je deze en de volgende periodes in de juiste volgorde en tijd te plaatsen.

Afb. 2 — Spaanstalige literatuur op een tijdlijn

Spaanstalige literatuur op een tijdlijnGetallenlijn, Edad Media, Renacimiento, Siglos de Oro, Ilustración, Romanticismo, Realismo, Generación del 27, Boom latinoamericano12001400160018002000Edad MediaRenacimientoSiglos de OroIlustraciónRomanticismoRealismoGeneración del 27Boomlatinoamericano
Afb. 2De hoofdlijn van de Spaanstalige literatuurgeschiedenis — Spanje én Spaans-Amerika — op een jaaras. De jaartallen zijn bij benadering (periodemidden), niet exact; ze plaatsen elke periode ten opzichte van de andere. Rond 1900 komen bovendien het Modernismo en de Generación del 98 op.
Binnen de Edad Media groeit de literatuur van mondelinge heldenzang naar geschreven, geleerde poëzie. Naast het mester de juglaría van de rondtrekkende juglares ontstaat het mester de clerecía van geestelijken: Gonzalo de Berceo schrijft in de dertiende eeuw als eerste Castiliaanse dichter bij naam zijn „Milagros de Nuestra Señora”. In de veertiende eeuw mengt de Arcipreste de Hita in het „Libro de buen amor” vroomheid en levenslust, en verzamelt don Juan Manuel leerzame vertellingen in „El Conde Lucanor”. De periode besluit met een scharnierwerk: „La Celestina” (1499) van Fernando de Rojas, een tragikomedie in dialoog over de noodlottige liefde van Calisto en Melibea, die met één voet al in de Renaissance staat.
In de zestiende eeuw brengt de Renaissance het humanisme en de klassieke oudheid naar Spanje. Garcilaso de la Vega vernieuwt de poëzie met de Italiaanse maat en het sonnet en bezingt in verfijnde verzen de liefde en de natuur. Anoniem verschijnt „Lazarillo de Tormes” (1554), de eerste picareske roman: de levensbiecht van een arme schelm (pícaro) die in dienst van wisselende meesters de honger en de schijnheiligheid van de maatschappij van onderop laat zien. Tegelijk bloeit de mystiek: Santa Teresa de Ávila en San Juan de la Cruz schrijven met „Las Moradas” en de „Noche oscura del alma” over de weg van de ziel naar God. Zo maakt de Renaissance het Spaans rijp voor de grote eeuw die volgt.
De zestiende en zeventiende eeuw samen vormen de Siglos de Oro, de gouden eeuwen waarin de Spaanse literatuur haar hoogtepunt bereikt (de derde markering op Afb. 2). Het onbetwiste meesterwerk is „Don Quijote de la Mancha” van Miguel de Cervantes, verschenen in twee delen (1605 en 1615): het verhaal van een edelman die zoveel ridderromans leest dat hij zelf dolende ridder wordt en tegen windmolens vecht. Cervantes drijft er de spot met de verouderde ridderidealen, maar schept tegelijk — door het samenspel van de idealistische Don Quijote en de nuchtere Sancho Panza, en door zijn spel met vertellers en perspectief — wat vaak de eerste moderne roman wordt genoemd. Het werk staat aan het begin van de hele westerse romantraditie.
Naast de roman bloeien in de Siglos de Oro het toneel en de poëzie. Lope de Vega, „el Fénix de los ingenios”, schept met honderden stukken de comedia nueva — het nationale volkstoneel — en verbeeldt in „Fuenteovejuna” hoe een heel dorp de verantwoordelijkheid voor de doodslag op een tiran op zich neemt. Tirso de Molina brengt met „El burlador de Sevilla” de eerste Don Juan op de planken, en Calderón de la Barca peilt in „La vida es sueño” de vraag of het leven meer is dan een droom. In de poëzie staan twee barokke stijlen tegenover elkaar: het culteranismo van Luis de Góngora, dat met gezochte beelden en Latijnse zinsbouw naar schoonheid streeft, en het conceptismo van Francisco de Quevedo, dat in scherpe, dubbelzinnige vondsten en bijtende satire uitblinkt. Voor het examen plaats je Cervantes, Lope, Tirso, Calderón, Góngora en Quevedo trefzeker in de Siglos de Oro en herken je de barokke voorliefde voor contrast, spel en ontgoocheling (desengaño).
Uitgewerkt voorbeeld

Een fragment aan een periode toewijzen

Een prozawerk uit 1554 laat een arme jongen zijn eigen levensverhaal vertellen: in dienst van een gierige blinde, een hongerige priester en een berooide edelman leert hij met listen te overleven, en zo ontmaskert hij de schijnheiligheid van elke stand. Bepaal de periode, het genre en (waarschijnlijk) het werk.

  1. 01De kenmerken herkennen

    Een schelm (pícaro) van lage afkomst die als ik-verteller in dienst van opeenvolgende meesters de honger en de hypocrisie van de maatschappij van onderop toont: dat is de picareske roman.

  2. 02De periode plaatsen

    Het realistische, kritische mensbeeld en het jaartal 1554 plaatsen het in de Renaissance van de zestiende eeuw, aan het begin van de Siglos de Oro (Afb. 2).

  3. 03Genre en werk benoemen

    Het genre is de novela picaresca; het anonieme schoolvoorbeeld is „Lazarillo de Tormes”.

Resultaat: De Renaissance (1554): de novela picaresca „Lazarillo de Tormes” — herkenbaar aan de pícaro-ikverteller die in dienst van wisselende meesters de schijnheiligheid van de standen ontmaskert.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: el Cantar de Mío Cid, „La Celestina”, „Lazarillo de Tormes” en „Don Quijote” in de juiste periode (Edad Media, Renacimiento of Siglos de Oro) plaatsen en globaal dateren (Afb. 2).
  • Examendoel: kenmerken van de Siglos de Oro in een fragment herkennen — de picareske schelmenroman, de comedia nueva van Lope, en het contrast tussen het culteranismo van Góngora en het conceptismo van Quevedo — en aan de tijdgeest koppelen.

Veelgemaakte fouten

  • De Edad Media en de Renaissance als één „oude” periode zien; het feodaal-christelijke Cantar de Mío Cid en het humanistische, individuele „Lazarillo de Tormes” scheiden eeuwen en een heel ander mensbeeld.
  • Denken dat de Spaanse literatuur pas met „Don Quijote” begint; el Cantar de Mío Cid dateert al van omstreeks 1200, ruim vier eeuwen eerder.
  • Góngora en Quevedo verwarren; beiden zijn barok, maar het culteranismo van Góngora zoekt de gezochte beeldenrijkdom, terwijl het conceptismo van Quevedo de gebalde, geestige vondst zoekt.

Actieve herhaling

Zet el Cantar de Mío Cid, „La Celestina”, „Lazarillo de Tormes” en „Don Quijote” op de tijdlijn van Afb. 2 en benoem per werk één kenmerk dat bij de periode hoort (feodale heldeneer, humanisme, de pícaro, de moderne roman).

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Spaans VWO — domein E Literatuur (CvTE / Examenblad)

§ 03

De 18e en 19e eeuw: Ilustración, Romanticismo en Realismo#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-spaans-vwo-domein-E

Kernpunten

Na de Siglos de Oro volgt in de achttiende eeuw de Ilustración, de Spaanse Verlichting, die op de tijdlijn van Afb. 2 tussen de Siglos de Oro en de Romantiek valt. Het licht van de rede keert zich tegen bijgeloof en achterstand, en de literatuur wordt didactisch en hervormingsgezind. Benito Jerónimo Feijoo bestrijdt in zijn „Teatro crítico universal” wijdverbreide dwalingen, José Cadalso bekijkt in de „Cartas marruecas” Spanje met de kritische ogen van een buitenlander, en Gaspar Melchor de Jovellanos bepleit onderwijs en economische hervorming. In het neoclassicistische toneel keren de klassieke regels terug: Leandro Fernández de Moratín hekelt in „El sí de las niñas” (1806) het uithuwelijken van jonge meisjes. Ook de fabel bloeit, bij Iriarte en Samaniego, als beknopte zedenles.
Rond 1830 breekt het Romanticismo met de klassieke rede en regels en stelt het gevoel, de vrijheid en het ik centraal. José de Espronceda geeft in de „Canción del pirata” stem aan het verlangen naar absolute vrijheid, de Duque de Rivas brengt met „Don Álvaro o la fuerza del sino” (1835) het onafwendbare noodlot op het toneel, en José Zorrilla maakt met „Don Juan Tenorio” (1844) de populairste versie van de Don Juan-figuur, tot op vandaag gespeeld. Naast het uitbundige drama staat de scherpe pen van Mariano José de Larra, wiens kritische krantenartikelen (het costumbrismo) de gebreken van het Spaanse leven fileren — in „Vuelva usted mañana” spot hij met de traagheid van de bureaucratie.
De zuiverste romantische stem klinkt merkwaardig genoeg pas laat en ingetogen, bij Gustavo Adolfo Bécquer. Zijn „Rimas y leyendas” bundelt de twee kanten van de romantiek: de „Rimas” zijn korte, muzikale liefdesgedichten vol verlangen en zwaarmoedigheid („¿Qué es poesía? … Poesía eres tú”), terwijl de „Leyendas” in proza mysterieuze, bovennatuurlijke volksverhalen vertellen. Bécquers eenvoud en muzikaliteit maken hem tot de brug naar de moderne Spaanse poëzie. In diezelfde jaren schrijft Rosalía de Castro — in het Galicisch én het Spaans — met „En las orillas del Sar” een even melancholieke, persoonlijke lyriek; samen belichamen zij het intieme, gevoelige gezicht van de late romantiek.
Rond het midden van de eeuw verschuift het zwaartepunt naar het Realismo, dat de werkelijkheid nauwkeurig en zonder verfraaiing wil weergeven, vaak met scherpe maatschappijkritiek. Benito Pérez Galdós — de grootste Spaanse romancier na Cervantes — schildert in „Fortunata y Jacinta” en de „Episodios Nacionales” een breed panorama van de negentiende-eeuwse samenleving. Leopoldo Alas, „Clarín”, ontleedt in „La Regenta” (1884-1885) minutieus de verstikkende provinciestad Vetusta en het overspel van Ana Ozores. Emilia Pardo Bazán brengt met „Los pazos de Ulloa” het naturalisme naar Spanje, dat het realisme radicaliseert met de nadruk op hoe milieu en erfelijkheid de mens bepalen. Waar de romanticus naar binnen en omhoog keek, richt de realist de blik naar buiten en omlaag: op de maatschappij, het geld en de moraal.
Voor het examen is het cruciaal de negentiende eeuw niet als één blok te zien, maar als tegengestelde accenten (Afb. 2). Een fragment vol gevoel, vrijheid, het ik en verheven lyriek wijst op het Romanticismo; een fragment met nuchtere, gedetailleerde maatschappijbeschrijving en kritiek op klasse, geld of moraal op het Realismo. Het verschil tussen realisme en naturalisme is een kwestie van graad: het naturalisme voegt de „wetenschappelijke” nadruk op milieu en erfelijkheid toe. Plaats Espronceda, Zorrilla, Larra en Bécquer daarom bij de Romantiek, en Galdós, Clarín en Pardo Bazán bij het Realisme en Naturalisme — en let erop dat de Ilustración van de achttiende eeuw (rede, kritiek, hervorming) daaraan voorafgaat.
Uitgewerkt voorbeeld

Een fragment aan een stroming toewijzen

Een romanfragment uit 1885 beschrijft minutieus het benauwde leven in een Spaanse provinciestad, de roddel en de schijnvroomheid, en volgt van binnenuit hoe een ongelukkig getrouwde vrouw langzaam naar overspel wordt gedreven. Aan welke stroming en welk werk schrijf je het toe?

  1. 01De kenmerken benoemen

    Een nauwkeurige, kritische beschrijving van de maatschappij (de benepen provinciestad, de hypocrisie) plus de psychologische ontleding van een personage: dat is realistisch, niet romantisch.

  2. 02Uitsluiten wat niet past

    Er is geen verheven natuurgevoel, geen lyrisch vrijheidsverlangen en geen noodlotsdrama; dat sluit het Romanticismo uit.

  3. 03Stroming, werk en auteur plaatsen

    De minutieuze maatschappij- en zielsbeschrijving en het jaartal 1885 wijzen op het Realismo; het schoolvoorbeeld is „La Regenta” van Leopoldo Alas, „Clarín”.

Resultaat: Het Realismo (1884-1885): „La Regenta” van „Clarín” — herkenbaar aan de minutieuze, kritische beschrijving van de provinciestad Vetusta en de psychologische ontleding van Ana Ozores.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de kenmerken van de Ilustración (rede, kritiek, hervorming, neoclassicisme) herkennen en Feijoo, Cadalso, Jovellanos of Moratín met een sleutelwerk plaatsen.
  • Examendoel: een romantisch fragment (gevoel, vrijheid, het ik — Espronceda, Zorrilla, Bécquer) en een realistisch fragment (maatschappijbeschrijving en -kritiek — Galdós, Clarín, Pardo Bazán) aan de hand van Afb. 2 contrasteren en de auteurs in de juiste stroming plaatsen.

Veelgemaakte fouten

  • Het Romanticismo en het Realismo als één negentiende-eeuws geheel behandelen; het zijn stromingen met tegengestelde waarden (gevoel en het ik tegenover nuchtere maatschappijbeschrijving).
  • „Romántico” lezen als „over de liefde” in plaats van als de literaire stroming (gevoel, verbeelding, vrijheid, het ik, het noodlot).
  • De Ilustración (achttiende eeuw, rede en hervorming) en het Romanticismo (negentiende eeuw, gevoel en vrijheid) door elkaar halen; het zijn opeenvolgende, tegengestelde periodes.

Actieve herhaling

Analyseer twee korte fragmenten — één vol gevoel, vrijheid en het ik, één met nuchtere maatschappijbeschrijving — en wijs met Afb. 2 aan welk fragment bij het Romanticismo en welk bij het Realismo hoort, met een kenmerk en een mogelijke auteur per fragment.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Spaans VWO — domein E Literatuur (CvTE / Examenblad)

§ 04

De 20e en 21e eeuw: Generación del 98, Vanguardias en el Boom latinoamericano#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl-spaans-vwo-domein-E

Kernpunten

De twintigste eeuw beslaat de laatste markeringen op Afb. 2 en opent in Spanje met een crisis: in 1898 verliest het land zijn laatste koloniën (Cuba, Puerto Rico en de Filipijnen). De schrijvers van de Generación del 98 reageren met een pijnlijk zelfonderzoek naar „het probleem van Spanje”. Miguel de Unamuno stelt in essays en in romans als „Niebla” en „San Manuel Bueno, mártir” de grote vragen naar geloof, twijfel en bestaan, en munt het begrip intrahistoria — het stille, dagelijkse leven onder de grote geschiedenis. Antonio Machado bezingt in „Campos de Castilla” het sobere Castiliaanse landschap als spiegel van de ziel („Caminante, no hay camino, se hace camino al andar”), Pío Baroja schrijft rauwe, pessimistische romans, en Valle-Inclán vervormt de werkelijkheid tot groteske in zijn esperpento. Tegelijk vernieuwt het Modernismo, met de Nicaraguaan Rubén Darío („Azul”, „Prosas profanas”) voorop, de poëzie met muzikaliteit, schoonheid en exotische beelden.
Na de Eerste Wereldoorlog volgen de avant-gardebewegingen (las vanguardias): het ultraísmo en het creacionismo breken met rijm en logica, geïnspireerd door onder meer het surrealisme. Daaruit komt de schitterende Generación del 27 voort, een groep dichters die de volkstraditie en het gewaagde experiment verenigen. Federico García Lorca is de bekendste: in „Romancero gitano” versmelt hij de Andalusische volksballade met moderne beeldspraak, en in zijn toneeltrilogie „Bodas de sangre”, „Yerma” en „La casa de Bernarda Alba” verbeeldt hij hartstocht, eer en de onderdrukking van de vrouw. Naast hem staan Rafael Alberti, Luis Cernuda, Jorge Guillén, Pedro Salinas en Vicente Aleixandre. Eerder al had Juan Ramón Jiménez met „Platero y yo” en zijn poesía pura de toon gezet. De Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) breekt deze bloei wreed af: Lorca wordt in 1936 vermoord, en veel dichters van de Generación del 27 gaan in ballingschap.
Onder de dictatuur van Franco herstelt de literatuur zich langzaam. Camilo José Cela verbeeldt in „La familia de Pascual Duarte” (1942) de rauwe geweldswereld van het tremendismo en tekent in „La colmena” het grauwe naoorlogse Madrid; Miguel Delibes geeft stem aan het Castiliaanse platteland, en in het theater stelt Antonio Buero Vallejo voorzichtig maatschappelijke vragen. Maar het grote nieuwe elan van de Spaanstalige literatuur komt na 1950 van de andere kant van de oceaan — uit Spaans-Amerika.
In de jaren zestig richt de wereld zijn blik op de Spaans-Amerikaanse roman: el Boom latinoamericano, samengevat in Afb. 3. Een generatie schrijvers bereikt tegelijk grote literaire vernieuwing én een wereldwijd lezerspubliek. Het beroemdste werk is „Cien años de soledad” (1967) van de Colombiaan Gabriel García Márquez, dat in het verzonnen dorp Macondo zeven generaties van de familie Buendía volgt en het realismo mágico beroemd maakt: het wonderbaarlijke wordt met dezelfde vanzelfsprekendheid verteld als het alledaagse (een vrouw stijgt tijdens het ophangen van de lakens ten hemel, en het verbaast niemand). De Argentijn Julio Cortázar breekt in „Rayuela” (1963) met de gewone romanvorm door de lezer zelf de volgorde van de hoofdstukken te laten kiezen; de Peruaan Mario Vargas Llosa ontleedt in romans als „La ciudad y los perros” macht en maatschappij; en de Mexicaan Carlos Fuentes doorgrondt in „La muerte de Artemio Cruz” de Mexicaanse geschiedenis.

Afb. 3 — El Boom latinoamericano

El Boom latinoamericanoBoomdiagram, 4 paden, Gegevens: García Márquez · Colombia; Vargas Llosa · Perú; Cortázar · Argentina; Fuentes · MéxicoEl Boom latinoamericanoGarcía Márquez · ColombiaVargas Llosa · PerúCortázar · ArgentinaFuentes · México
Afb. 3De vier kernauteurs van el Boom latinoamericano (de jaren zestig-zeventig), met hun land. Hun werk bereikte tegelijk grote literaire vernieuwing én een wereldpubliek; voorlopers als Borges en Rulfo bereidden het realismo mágico voor.
De Boom stond op de schouders van grote voorlopers. De Argentijn Jorge Luis Borges schiep met de verhalen van „Ficciones” en „El Aleph” een wereld van labyrinten, spiegels en oneindigheid die talloze schrijvers beïnvloedde, en de Mexicaan Juan Rulfo bereidde met „Pedro Páramo” (1955) het realismo mágico voor. De Spaans-Amerikaanse poëzie is even groot: de Chileen Pablo Neruda gaat van de „Veinte poemas de amor y una canción desesperada” naar het monumentale „Canto general” (Nobelprijs 1971), en de Mexicaan Octavio Paz verbindt poëzie en essay. Ook ná de Boom blijft de literatuur bloeien: schrijvers als Isabel Allende en Roberto Bolaño en, in Spanje, Javier Marías en Carlos Ruiz Zafón houden het Spaans levend als een van de grote wereldtalen van de literatuur — met García Márquez (1982), Neruda (1971) en Vargas Llosa (2010) als enkele van haar Nobelprijswinnaars.
Voor het examen herken je de twintigste-eeuwse kenmerken en plaats je de auteurs in hun context. Een fragment vol zelfonderzoek naar Spanje en sobere Castiliaanse beelden wijst op de Generación del 98; muzikale, gewaagde beeldspraak in de poëzie op de Generación del 27; en een verhaal waarin het wonderbaarlijke doodgewoon wordt verteld op het realismo mágico van el Boom. Let op twee valkuilen: de Generación del 98 (Spanje, de crisis van 1898) en de Generación del 27 (het dichterlijke experiment) zijn niet hetzelfde, en „modern” of „hedendaags” is geen concrete stroming. Verbind een werk altijd met zijn tijd — de gebroken vorm van de twintigste eeuw en het realismo mágico zijn antwoorden op een eeuw vol oorlog, dictatuur en snelle verandering (Afb. 3).
Uitgewerkt voorbeeld

Een stroming herkennen aan de kenmerken

Een roman uit 1967 volgt verscheidene generaties van één familie in een afgelegen dorp. Wonderen zijn er heel gewoon: iemand stijgt tijdens het ophangen van de lakens ten hemel, en het verbaast niemand. Bepaal de stroming, het kenmerk, het werk en de auteur.

  1. 01Het kenmerk herkennen

    Een bovennatuurlijke gebeurtenis (een hemelvaart tijdens het huishouden) die doodnuchter en zonder verbazing wordt verteld, alsof ze deel is van de gewone werkelijkheid: dat is het realismo mágico.

  2. 02De stroming en tijd plaatsen

    Het realismo mágico, het jaartal 1967 en de meergeneratie-familiekroniek plaatsen het in el Boom latinoamericano (Afb. 3).

  3. 03Werk en auteur benoemen

    Het verzonnen dorp (Macondo) en de familiekroniek van de Buendía's wijzen op „Cien años de soledad” van Gabriel García Márquez.

Resultaat: El Boom latinoamericano (1967), het realismo mágico: „Cien años de soledad” van Gabriel García Márquez — herkenbaar aan het wonderbaarlijke dat als doodgewoon wordt verteld.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: kenmerken van de Generación del 98 (zelfonderzoek naar Spanje, sober Castiliaans landschap) en de Generación del 27 (volkstraditie plus avant-garde-experiment) in een fragment herkennen en Unamuno, Machado of Lorca plaatsen.
  • Examendoel: el Boom latinoamericano en het realismo mágico herkennen en de kernauteurs (García Márquez, Vargas Llosa, Cortázar, Fuentes) met een sleutelwerk plaatsen, met behulp van Afb. 3.

Veelgemaakte fouten

  • De Generación del 98 en de Generación del 27 door elkaar halen; de eerste (rond 1898, Spanje) draait om het probleem van Spanje, de tweede (rond 1927) om de vernieuwing van de poëzie.
  • „Realismo mágico” lezen als „sprookje” of „fantasy”; het wonderbaarlijke wordt juist als deel van de gewone werkelijkheid verteld, zonder verbazing — dat is precies het punt.
  • Denken dat de grote Spaanstalige literatuur alleen uit Spanje komt; el Boom en de poëzie van Neruda en Paz maken Spaans-Amerika tot een even belangrijk zwaartepunt.

Actieve herhaling

Analyseer een prozafragment uit de twintigste eeuw waarin een bovennatuurlijke gebeurtenis doodnuchter, als iets alledaags, wordt verteld. Benoem de stroming (het realismo mágico van el Boom), wijs één kenmerk aan, noem met Afb. 3 een mogelijke auteur en verbind het met de historische context.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Spaans VWO — domein E Literatuur (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Waarom literatuur lezen: leeservaring en leesdossier (E1)○
    • 02Edad Media en de Siglos de Oro (Cervantes, Lope, Quevedo, Góngora)◐
    • 03De 18e en 19e eeuw: Ilustración, Romanticismo en Realismo◐
    • 04De 20e en 21e eeuw: Generación del 98, Vanguardias en el Boom latinoamericano●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Literaire ontwikkeling en literatuurgeschiedenis

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~24
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Spaans VWO — domein E Literatuur

Vorig onderwerp

Cultuur, samenleving en actualiteit

Volgend onderwerp

Literaire begrippen en tekstanalyse

EuraStudy·Samenvattingen T·13·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.