EuraStudy
Samenvattingen/Natuurkunde/Elektrische systemen (schakelingen, wetten van Kirchhoff)
Samenvattingen · NatuurkundeNL · VWO

Elektrische systemen (schakelingen, wetten van Kirchhoff)

Subdomein D1 behandelt elektrische schakelingen: de grootheden stroom, spanning en weerstand, de wet van Ohm, serie- en parallelschakelingen en de wetten van Kirchhoff. Daarmee analyseer je hoe stroom en spanning zich over een schakeling verdelen, hoeveel vermogen componenten opnemen, en hoe sensoren zoals een NTC of LDR in een spanningsdeler een meetsignaal leveren.

4 Onderdelen·~12 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 3

T·0555 / 17
Examenprofiel
D1 · Stroom, spanning en weerstand; de wet van OhmD1 · Serie- en parallelschakelingen en vervangingsweerstandD1 · De wetten van Kirchhoff (knooppunt- en maasregel)D1 · Elektrisch vermogen, energie en sensoren (spanningsdeler)
Operatoren:berekenbepaalleg uitverklaartoon aan

basisniveau

Schakelingen, de wet van Ohm en vermogen zijn CE-kernstof voor nt en ng.

verhoogd niveau

De wetten van Kirchhoff toepassen op gemengde schakelingen en het doorrekenen van sensorschakelingen krijgen in nt meer diepgang.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Elektrische systemen (schakelingen, wetten van Kirchhoff)
    • 01Stroom, spanning, weerstand en de wet van Ohm○
    • 02Serie- en parallelschakelingen◐
    • 03De wetten van Kirchhoff◐
    • 04Vermogen, energie en sensoren◐
§ 01

Stroom, spanning, weerstand en de wet van Ohm#

●○○BasisLPexamenblad-natuurkunde-D1

Kernpunten

De elektrische stroom III is de hoeveelheid lading die per seconde door een doorsnede stroomt: I=QtI=\dfrac{Q}{t}I=tQ​, met eenheid ampère (1 A=1 C/s1\ \text{A}=1\ \text{C/s}1 A=1 C/s). De spanning UUU (in volt) is het energieverschil per coulomb tussen twee punten — de „duw” die de lading door de geleider drijft. De weerstand RRR (in ohm) geeft aan hoe sterk een component de stroom tegenwerkt. Deze drie grootheden zijn de basis van elke schakeling; verwar stroom (door een component heen) niet met spanning (over een component).
De wet van Ohm legt het verband: voor veel geleiders is de stroom recht evenredig met de spanning, U=I⋅RU=I\cdot RU=I⋅R, met een constante weerstand RRR. In Afb. 1 is dat een rechte lijn door de oorsprong in een U,IU,IU,I-diagram; de richtingscoëfficiënt is de weerstand. Een component die deze rechte lijn volgt heet ohms. Niet alles is ohms: bij een gloeilamp neemt de weerstand toe naarmate de draad heter wordt, zodat de U,IU,IU,I-lijn kromt — een belangrijk voorbeeld van een niet-ohmse component.

U,I-karakteristiek van een ohmse weerstand

Wet van OhmSchaubild von U = R·I, Nullstellen bei x = 0, y-Achsenabschnitt bei y = 0, steigend, im Bereich x von 0 bis 20.511.525101520R = ΔU/ΔIU = R·IU (V)I (A)
Afb. 1Afb. 1 — Voor een ohmse weerstand is de U,IU,IU,I-lijn recht door de oorsprong; de helling is de weerstand RRR.
De weerstand van een draad hangt af van het materiaal en de afmetingen: R=ρ lAR=\dfrac{\rho\,l}{A}R=Aρl​, met ρ\rhoρ de soortelijke weerstand (materiaalconstante, BINAS), lll de lengte en AAA de doorsnede. Een langere of dunnere draad heeft dus meer weerstand. Bij metalen stijgt de soortelijke weerstand met de temperatuur (meer botsingen van de elektronen), wat de kromming van de gloeilamp-karakteristiek verklaart. Deze formule koppelt de macroscopische weerstand aan de eigenschappen van het materiaal.
Om te meten schakel je de instrumenten juist: een stroommeter (ampèremeter) plaats je in serie (de stroom moet erdoorheen) en heeft idealiter een verwaarloosbare weerstand; een spanningsmeter (voltmeter) plaats je parallel over de component (het spanningsverschil erover) en heeft idealiter een oneindig grote weerstand. Verwissel je deze, dan meet je verkeerd of veroorzaak je een kortsluiting. Het correct opstellen en aflezen van een U,IU,IU,I-karakteristiek is een kernvaardigheid van dit subdomein.
I=Qt,U=I⋅RI = \frac{Q}{t}, \qquad U = I\cdot RI=tQ​,U=I⋅R

Stroom en de wet van Ohm

Stroom is lading per seconde; bij een ohmse weerstand is U evenredig met I.

R=ρ lAR = \frac{\rho\,l}{A}R=Aρl​

Weerstand van een draad

Groter bij een langere of dunnere draad; ρ is de soortelijke weerstand.

Uitgewerkt voorbeeld

Weerstand uit een meting

Bij een spanning van 12 V12\ \text{V}12 V loopt door een ohmse weerstand een stroom van 0,40 A0{,}40\ \text{A}0,40 A. Bereken de weerstand en de stroom bij 18 V18\ \text{V}18 V.

  1. 01Weerstand

    Gebruik R=U/IR=U/IR=U/I.

    R=120,40=30 ΩR = \frac{12}{0{,}40} = 30\ \OmegaR=0,4012​=30 Ω
  2. 02Stroom bij hogere spanning

    De weerstand blijft gelijk (ohms), dus I=U/RI=U/RI=U/R.

    I=1830=0,60 AI = \frac{18}{30} = 0{,}60\ \text{A}I=3018​=0,60 A

Resultaat: De weerstand is 30 Ω30\ \Omega30 Ω; bij 18 V18\ \text{V}18 V loopt 0,60 A0{,}60\ \text{A}0,60 A.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: pas de wet van Ohm U=IRU=IRU=IR toe en bepaal de weerstand als richtingscoëfficiënt van een U,IU,IU,I-karakteristiek.
  • Examendoel: herken ohmse en niet-ohmse componenten en gebruik R=ρl/AR=\rho l/AR=ρl/A voor de weerstand van een draad.

Veelgemaakte fouten

  • Stroom en spanning verwarren, of een ampèremeter parallel en een voltmeter in serie plaatsen.
  • De wet van Ohm toepassen op een niet-ohmse component (gloeilamp) alsof de weerstand constant is.

Actieve herhaling

Door een weerstand loopt bij een spanning van 6,0 V6{,}0\ \text{V}6,0 V een stroom van 0,25 A0{,}25\ \text{A}0,25 A. Bereken de weerstand, en bepaal de stroom als de spanning naar 9,0 V9{,}0\ \text{V}9,0 V gaat (aangenomen ohms).

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma natuurkunde vwo — subdomein D1 (wet van Ohm) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Serie- en parallelschakelingen#

●●○StandaardLPexamenblad-natuurkunde-D1

Parallelschakeling van twee weerstanden

ParallelschakelingElektrisch schema met 7 componenten, battery U, wire, wire, resistor R₁, resistor R₂, wire, wireUR₁R₂
Afb. 2Afb. 1 — Twee weerstanden parallel op één bron: over beide staat dezelfde spanning, de totale stroom splitst zich over de takken.

Kernpunten

In een serieschakeling staan de componenten achter elkaar, zodat door alle dezelfde stroom loopt. De totale (vervangings)weerstand is de som: Rv=R1+R2+…R_v=R_1+R_2+\dotsRv​=R1​+R2​+… De bronspanning verdeelt zich over de componenten evenredig met hun weerstand — de grootste weerstand krijgt de grootste spanning. Onthoud: in serie is de stroom overal gelijk, de spanning verdeelt zich. Valt één component uit (draadbreuk), dan stopt de hele stroom, want er is maar één pad.
In een parallelschakeling staan de componenten naast elkaar tussen dezelfde twee punten, zodat over alle dezelfde spanning staat. In Afb. 1 zie je twee weerstanden parallel op één bron. De totale stroom splitst zich over de takken; door de kleinste weerstand loopt de grootste stroom. De vervangingsweerstand volgt uit 1Rv=1R1+1R2+…\dfrac{1}{R_v}=\dfrac{1}{R_1}+\dfrac{1}{R_2}+\dotsRv​1​=R1​1​+R2​1​+… en is altijd kleiner dan de kleinste tak, want je biedt de stroom extra paden.
Het gedrag is dus gespiegeld: serie deelt de spanning bij gelijke stroom, parallel deelt de stroom bij gelijke spanning. Voor twee parallelle weerstanden is de handige productvorm Rv=R1R2R1+R2R_v=\dfrac{R_1 R_2}{R_1+R_2}Rv​=R1​+R2​R1​R2​​. In het dagelijks leven zijn apparaten in huis parallel geschakeld: elk krijgt dezelfde netspanning en werkt onafhankelijk van de andere, en de totale stroom is de som van de individuele stromen.
Bij een gemengde schakeling werk je van binnen naar buiten: vervang eerst de zuivere serie- of paralleldeeltjes door hun vervangingsweerstand, en herhaal tot je één totale weerstand hebt. Daarna reken je met de wet van Ohm de totale stroom uit, en werk je terug naar de deelspanningen en deelstromen. Deze systematische reductie — steeds groepjes samennemen — is de sleutel om ook ingewikkelde schakelingen betrouwbaar door te rekenen.
Rv=R1+R2+…(serie)R_v = R_1 + R_2 + \dots \quad (\text{serie})Rv​=R1​+R2​+…(serie)

Serieschakeling

Dezelfde stroom; de weerstanden tellen op.

1Rv=1R1+1R2+…(parallel)\frac{1}{R_v} = \frac{1}{R_1} + \frac{1}{R_2} + \dots \quad (\text{parallel})Rv​1​=R1​1​+R2​1​+…(parallel)

Parallelschakeling

Dezelfde spanning; de vervangingsweerstand is kleiner dan de kleinste tak.

Uitgewerkt voorbeeld

Parallelle weerstanden doorrekenen

Weerstanden R1=20 ΩR_1=20\ \OmegaR1​=20 Ω en R2=30 ΩR_2=30\ \OmegaR2​=30 Ω staan parallel op een bron van 12 V12\ \text{V}12 V. Bereken de vervangingsweerstand en de totale stroom.

  1. 01Vervangingsweerstand

    Gebruik de productvorm voor twee weerstanden.

    Rv=R1R2R1+R2=20⋅3050=12 ΩR_v = \frac{R_1 R_2}{R_1+R_2} = \frac{20\cdot 30}{50} = 12\ \OmegaRv​=R1​+R2​R1​R2​​=5020⋅30​=12 Ω
  2. 02Totale stroom

    Pas de wet van Ohm toe op de vervangingsweerstand.

    I=URv=1212=1,0 AI = \frac{U}{R_v} = \frac{12}{12} = 1{,}0\ \text{A}I=Rv​U​=1212​=1,0 A

Resultaat: De vervangingsweerstand is 12 Ω12\ \Omega12 Ω en de totale stroom 1,0 A1{,}0\ \text{A}1,0 A (die zich verdeelt: 0,60 A0{,}60\ \text{A}0,60 A door R1R_1R1​ en 0,40 A0{,}40\ \text{A}0,40 A door R2R_2R2​).

Eindexamen-focus

  • Examendoel: bereken de vervangingsweerstand van serie- (Rv=∑RR_v=\sum RRv​=∑R) en parallelschakelingen (1/Rv=∑1/R1/R_v=\sum 1/R1/Rv​=∑1/R) en van gemengde schakelingen.
  • Examendoel: pas toe dat in serie de stroom en in parallel de spanning gelijk is, en bepaal de verdeling van stroom en spanning.

Veelgemaakte fouten

  • De parallelformule verkeerd toepassen: de weerstanden gewoon optellen, of vergeten dat 1Rv\tfrac{1}{R_v}Rv​1​ links staat (het resultaat nog omkeren).
  • Aannemen dat in een parallelschakeling de stroom overal gelijk is (dat geldt voor de spanning), of andersom bij serie.

Actieve herhaling

Twee weerstanden van 30 Ω30\ \Omega30 Ω en 60 Ω60\ \Omega60 Ω staan parallel op een bron van 12 V12\ \text{V}12 V. Bereken de vervangingsweerstand, de totale stroom en de stroom door elke tak.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma natuurkunde vwo — subdomein D1 (schakelingen) (CvTE / Examenblad)

§ 03

De wetten van Kirchhoff#

●●○StandaardLPexamenblad-natuurkunde-D1

Serieschakeling: de maasregel

Kring met de maasregelElektrisch schema met 4 componenten, battery U, resistor R₁, resistor R₂, wireUR₁R₂
Afb. 3Afb. 1 — Eén kring met twee serieweerstanden: volgens de maasregel is Ubron=U1+U2U_{\text{bron}}=U_1+U_2Ubron​=U1​+U2​.

Kernpunten

De wetten van Kirchhoff maken het rekenen aan willekeurige schakelingen systematisch. De knooppuntregel (stroomregel) zegt dat in elk knooppunt evenveel stroom binnenkomt als eruit gaat: ∑Iin=∑Iuit\sum I_{\text{in}}=\sum I_{\text{uit}}∑Iin​=∑Iuit​. Dat is behoud van lading — er hoopt zich nergens lading op. In een parallelschakeling is dit precies waarom de totale stroom de som van de takstromen is.
De maasregel (spanningsregel) zegt dat de som van de spanningen rond een gesloten kring (maas) nul is: ∑U=0\sum U=0∑U=0. Praktisch betekent dit dat de bronspanning gelijk is aan de som van de spanningen over de componenten in die kring: Ubron=U1+U2+…U_{\text{bron}}=U_1+U_2+\dotsUbron​=U1​+U2​+… In Afb. 1 zie je een enkele kring met twee weerstanden in serie; de bronspanning verdeelt zich precies over de twee weerstanden, in overeenstemming met de maasregel.
De maasregel is een gevolg van behoud van energie: rondgaan langs een gesloten lus brengt een lading terug op zijn beginpunt, met per saldo geen netto energieverandering per coulomb. De spanningswinst bij de bron wordt volledig „opgemaakt” over de weerstanden. Let bij het toepassen goed op de richting waarin je de kring doorloopt en op de tekens: een bron levert spanning (plus), een weerstand verbruikt spanning (min) in de looprichting van de stroom.
Met beide regels samen los je onbekende stromen en spanningen op, ook in schakelingen die niet zuiver serie of parallel zijn. De aanpak: kies stroomrichtingen, pas de knooppuntregel toe op de knooppunten en de maasregel op de kringen, en los het stelsel vergelijkingen op. Een handige controle is dat het totale opgenomen vermogen van alle weerstanden gelijk moet zijn aan het door de bron geleverde vermogen — energie gaat niet verloren.
∑Iin=∑Iuit\sum I_{\text{in}} = \sum I_{\text{uit}}∑Iin​=∑Iuit​

Knooppuntregel (behoud van lading)

In elk knooppunt is de instromende stroom gelijk aan de uitstromende.

∑U=0 ⇒ Ubron=U1+U2+…\sum U = 0 \ \Rightarrow\ U_{\text{bron}} = U_1 + U_2 + \dots∑U=0 ⇒ Ubron​=U1​+U2​+…

Maasregel (behoud van energie)

De bronspanning verdeelt zich over de componenten in de kring.

Uitgewerkt voorbeeld

Spanningsverdeling in serie

Een bron van 12 V12\ \text{V}12 V staat in serie met R1=40 ΩR_1=40\ \OmegaR1​=40 Ω en R2=20 ΩR_2=20\ \OmegaR2​=20 Ω. Bereken de stroom en de spanning over elke weerstand.

  1. 01Vervangingsweerstand

    In serie tellen de weerstanden op.

    Rv=40+20=60 ΩR_v = 40 + 20 = 60\ \OmegaRv​=40+20=60 Ω
  2. 02Stroom

    Overal dezelfde stroom (serie).

    I=URv=1260=0,20 AI = \frac{U}{R_v} = \frac{12}{60} = 0{,}20\ \text{A}I=Rv​U​=6012​=0,20 A
  3. 03Deelspanningen

    Pas de wet van Ohm op elke weerstand toe.

    U1=0,20⋅40=8,0 V,U2=0,20⋅20=4,0 VU_1 = 0{,}20\cdot 40 = 8{,}0\ \text{V}, \quad U_2 = 0{,}20\cdot 20 = 4{,}0\ \text{V}U1​=0,20⋅40=8,0 V,U2​=0,20⋅20=4,0 V

Resultaat: De stroom is 0,20 A0{,}20\ \text{A}0,20 A; U1=8,0 VU_1=8{,}0\ \text{V}U1​=8,0 V en U2=4,0 VU_2=4{,}0\ \text{V}U2​=4,0 V, samen 12 V12\ \text{V}12 V — de maasregel klopt.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: pas de knooppuntregel (∑Iin=∑Iuit\sum I_{\text{in}}=\sum I_{\text{uit}}∑Iin​=∑Iuit​) en de maasregel (∑U=0\sum U=0∑U=0) toe om onbekende stromen en spanningen te bepalen.
  • Examendoel: gebruik de maasregel om de bronspanning over serieweerstanden te verdelen (Ubron=∑UiU_{\text{bron}}=\sum U_iUbron​=∑Ui​).

Veelgemaakte fouten

  • Bij de maasregel de tekens (spanningswinst bij de bron, spanningsval over weerstanden) verkeerd nemen.
  • De knooppuntregel vergeten bij een vertakking, of stromen die samenkomen niet correct optellen.

Actieve herhaling

Een bron van 12 V12\ \text{V}12 V staat in serie met weerstanden R1=40 ΩR_1=40\ \OmegaR1​=40 Ω en R2=20 ΩR_2=20\ \OmegaR2​=20 Ω. Bereken de stroom en de spanning over elke weerstand, en controleer met de maasregel.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma natuurkunde vwo — subdomein D1 (wetten van Kirchhoff) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Vermogen, energie en sensoren#

●●○StandaardLPexamenblad-natuurkunde-D1

Spanningsdeler met een sensor

SpanningsdelerElektrisch schema met 5 componenten, resistor R₁, resistor R₂ (sensor), battery U, wire, wireR₁R₂ (sensor)U
Afb. 4Afb. 1 — Spanningsdeler: over de sensor (R2R_2R2​) wordt de uitgangsspanning Uuit=U R2/(R1+R2)U_{\text{uit}}=U\,R_2/(R_1+R_2)Uuit​=UR2​/(R1​+R2​) afgenomen.

Kernpunten

Het elektrisch vermogen dat een component opneemt is P=U⋅IP=U\cdot IP=U⋅I: het product van de spanning erover en de stroom erdoor, in watt. Met de wet van Ohm volgen twee handige varianten: P=I2RP=I^{2}RP=I2R (handig als je de stroom kent) en P=U2RP=\dfrac{U^{2}}{R}P=RU2​ (handig als je de spanning kent). De omgezette elektrische energie is E=P⋅t=U I tE=P\cdot t=U\,I\,tE=P⋅t=UIt; energiebedrijven rekenen af in kilowattuur (1 kWh=3,6⋅106 J1\ \text{kWh}=3{,}6\cdot10^{6}\ \text{J}1 kWh=3,6⋅106 J). Kies telkens de vermogensformule die past bij de gegeven grootheden.
Een veelgebruikte sensorschakeling is de spanningsdeler: twee weerstanden in serie, waarbij je de spanning over één ervan als uitgangssignaal afneemt. In Afb. 1 zie je zo'n deler. Volgens de maasregel verdeelt de bronspanning zich evenredig met de weerstanden, zodat de uitgangsspanning Uuit=U⋅R2R1+R2U_{\text{uit}}=U\cdot\dfrac{R_2}{R_1+R_2}Uuit​=U⋅R1​+R2​R2​​ bedraagt. Verander je één weerstand, dan verandert de uitgangsspanning voorspelbaar mee — precies wat je nodig hebt om een grootheid in een spanning om te zetten.
Sensoren zijn componenten waarvan de weerstand van een fysische grootheid afhangt. Een NTC-weerstand krijgt een lágere weerstand bij een hogere temperatuur; een LDR (lichtgevoelige weerstand) een lagere weerstand bij meer licht. Zet je zo'n sensor in een spanningsdeler, dan levert een verandering van temperatuur of lichtsterkte een verandering van de uitgangsspanning. Die spanning kan een schakeling aansturen — bijvoorbeeld een verwarming, een lamp of een alarm — en vormt zo de brug tussen de natuurkundige wereld en de elektronica.
Bij het doorrekenen van een sensorschakeling combineer je alles: bepaal uit de omstandigheden de sensorweerstand (uit een gegeven grafiek of tabel), reken met de spanningsdeler de uitgangsspanning uit, en beoordeel of die een aangesloten schakeling in- of uitschakelt. Let op de eenheden en op de vraag welke weerstand in de teller van de deler-formule hoort — die van de component waarover je de spanning afneemt. Deze combinatie van Ohm, de maasregel en een sensorkarakteristiek is een klassieke, iets zwaardere examenopgave.
P=U I=I2R=U2RP = U\,I = I^{2}R = \frac{U^{2}}{R}P=UI=I2R=RU2​

Elektrisch vermogen

Drie gelijkwaardige vormen; kies naar de gegeven grootheden.

Uuit=U⋅R2R1+R2U_{\text{uit}} = U\cdot\frac{R_2}{R_1+R_2}Uuit​=U⋅R1​+R2​R2​​

Spanningsdeler

De uitgangsspanning over R₂ is evenredig met R₂ ten opzichte van de totale weerstand.

Uitgewerkt voorbeeld

Sensorschakeling doorrekenen

Een spanningsdeler op 5,0 V5{,}0\ \text{V}5,0 V heeft R1=2,0 kΩR_1=2{,}0\ \text{k}\OmegaR1​=2,0 kΩ in serie met een LDR van 3,0 kΩ3{,}0\ \text{k}\Omega3,0 kΩ. De uitgangsspanning wordt over de LDR afgenomen. Bereken UuitU_{\text{uit}}Uuit​.

  1. 01Totale weerstand

    In serie tellen de weerstanden op.

    R1+R2=2,0+3,0=5,0 kΩR_1 + R_2 = 2{,}0 + 3{,}0 = 5{,}0\ \text{k}\OmegaR1​+R2​=2,0+3,0=5,0 kΩ
  2. 02Spanningsdeler

    De uitgang staat over de LDR (R2R_2R2​).

    Uuit=5,0⋅3,05,0=3,0 VU_{\text{uit}} = 5{,}0\cdot\frac{3{,}0}{5{,}0} = 3{,}0\ \text{V}Uuit​=5,0⋅5,03,0​=3,0 V

Resultaat: De uitgangsspanning is 3,0 V3{,}0\ \text{V}3,0 V; wordt het lichter, dan daalt de LDR-weerstand en daalt UuitU_{\text{uit}}Uuit​ mee.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: bereken elektrisch vermogen met P=UI=I2R=U2/RP=UI=I^2R=U^2/RP=UI=I2R=U2/R en energie met E=PtE=PtE=Pt (ook in kWh).
  • Examendoel: pas de spanningsdeler Uuit=U R2/(R1+R2)U_{\text{uit}}=U\,R_2/(R_1+R_2)Uuit​=UR2​/(R1​+R2​) toe op een sensorschakeling met NTC of LDR.

Veelgemaakte fouten

  • De verkeerde vermogensformule kiezen (bijvoorbeeld U2/RU^2/RU2/R met een stroom in plaats van een spanning).
  • In de spanningsdeler de verkeerde weerstand in de teller zetten — dat moet de weerstand zijn waarover je de uitgangsspanning meet.

Actieve herhaling

In een spanningsdeler op 6,0 V6{,}0\ \text{V}6,0 V staat een vaste weerstand R1=1,0 kΩR_1=1{,}0\ \text{k}\OmegaR1​=1,0 kΩ in serie met een NTC. Bij een bepaalde temperatuur is de NTC 2,0 kΩ2{,}0\ \text{k}\Omega2,0 kΩ. Bereken de uitgangsspanning over de NTC en het opgenomen vermogen van de deler.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma natuurkunde vwo — subdomein D1 (vermogen en sensoren) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Stroom, spanning, weerstand en de wet van Ohm○
    • 02Serie- en parallelschakelingen◐
    • 03De wetten van Kirchhoff◐
    • 04Vermogen, energie en sensoren◐

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Elektrische systemen (schakelingen, wetten van Kirchhoff)

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~12
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma natuurkunde vwo — subdomein D1 (wet van Ohm)

Vorig onderwerp

Gravitatie (bewegingen in het heelal, gravitatiewisselwerking)

Volgend onderwerp

Elektrische en magnetische velden (inductie)

EuraStudy·Samenvattingen T·05·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.