EuraStudy
Samenvattingen/Latijnse taal en cultuur/Vertaalvaardigheid: een ongeziene passage vertalen
Samenvattingen · Latijnse taal en cultuurNL · VWO

Vertaalvaardigheid: een ongeziene passage vertalen

De vertaling van een niet-eerder-gelezen (ongeziene) passage van de pensumauteur is het hart van het centraal examen Latijn. Vertalen is geen losse vaardigheid maar de synthese van alles: morfologie, syntaxis, woordbetekenis-in-context en tekstbegrip komen samen in één correcte, lopende Nederlandse zin. Dit onderwerp behandelt wat het examen vraagt en hoe het wordt beoordeeld, geeft een systematisch analysestappenplan, bespreekt het gebruik van het woordenboek en leert de weg van correcte analyse naar goed Nederlands — de brug tussen begrijpen en verwoorden.

4 Onderdelen·~15 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0666 / 16
Examenprofiel
Een ongeziene Latijnse passage van de pensumauteur vertalen in correct, lopend NederlandsEen systematische analyse- en vertaalstrategie hanteren (persoonsvorm, congruentie, zinsstructuur)De juiste woordbetekenis kiezen op grond van context en woordenboek (het enige toegestane CE-hulpmiddel)Van een correcte analyse naar idiomatisch Nederlands komen zonder de betekenis te vervormen
Operatoren:vertaalanalyseerbaken afverantwoord de vertaling

basisniveau

Vertalen leer je door structureel te werken: niet gokken op losse woorden, maar elke zin volgens een vast stappenplan ontleden voordat je vertaalt.

verhoogd niveau

Wie de analyse automatiseert, houdt tijd en aandacht over voor het register: een vertaling die niet alleen klopt maar ook loopt en de toon van de auteur benadert.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Vertaalvaardigheid: een ongeziene passage vertalen
    • 01Wat het examen vraagt: de vertaalopgave en de beoordeling○
    • 02Het analysestappenplan: van chaos naar structuur◐
    • 03Woordbetekenis in context en het woordenboek◐
    • 04Van analyse naar lopend Nederlands: register en valkuilen●
§ 01

Wat het examen vraagt: de vertaalopgave en de beoordeling#

●○○BasisLPexamenblad-nl-latijn-vwo-domein-A1-vertaling

Kernpunten

In het centraal examen krijg je een afgebakende Latijnse passage van de pensumauteur die je niet eerder hebt gelezen — vandaar „ongezien”. Je vertaalt die in het Nederlands. De passage sluit qua auteur, stijl en woordenschat aan bij het gelezen pensum, zodat je de vertrouwde constructies en het idioom van díé auteur kunt gebruiken. Het enige toegestane hulpmiddel is een woordenboek Latijn-Nederlands; grammaticaoverzichten of vertalingen zijn niet toegestaan. Omdat de passage van de pensumauteur is, loont het om tijdens de voorbereiding de stijl en de vaste wendingen van die auteur goed te leren kennen.
De vertaling wordt beoordeeld met een gedetailleerd correctievoorschrift dat het CvTE per examenjaar publiceert. In de praktijk wordt de passage verdeeld in kleinere tekstelementen of scoreblokken, en per element wordt gekeken of de kern correct is weergegeven: het juiste onderwerp, de juiste persoonsvorm, de juiste naamvalsfuncties en de juiste woordbetekenis. Fouten in die kern kosten punten, terwijl kleine onvolkomenheden in de formulering vaak lichter of niet worden aangerekend. De exacte puntenverdeling en het aantal elementen liggen per jaar vast; verzin er dus geen vaste getallen bij, maar richt je op wat telt: de grammaticale kern correct overbrengen.
Wat het correctievoorschrift zwaar aanrekent, zijn fouten die de betekenis raken: een verkeerd onderwerp, een verkeerde tijd of wijs van het werkwoord, een omgekeerde naamvalsfunctie (lijdend voorwerp als onderwerp), of een woord dat in de verkeerde betekenis is opgevat. Wat minder zwaar telt, is een stijlkwestie die de betekenis niet verandert. Deze weging vertelt je waar je je energie op moet richten: eerst de structuur en de functies goed krijgen, dan pas de mooie formulering. Een grammaticaal correcte maar wat houterige vertaling scoort beter dan een vloeiende maar inhoudelijk verkeerde.
Praktisch betekent dit dat je nooit „op gevoel” woord voor woord moet vertalen, maar altijd eerst de zin moet analyseren. De valkuil van de ongeziene vertaling is de paniek bij een lange, verweven zin: dan grijp je losse woorden en raad je de rest. Het tegengif is een vast stappenplan dat je zonder nadenken toepast, zodat elke zin — hoe lang ook — hanteerbaar wordt. Dat stappenplan, en de manier waarop je het woordenboek inzet, vormen de kern van de volgende onderdelen. Beheers je die routine, dan verandert de ongeziene vertaling van een sprong in het diepe in een beheersbare, stap-voor-stap uit te voeren opdracht.
Uitgewerkt voorbeeld

Welke fout telt het zwaarst?

Twee leerlingen vertalen „Rēgem cīvēs amant.” Leerling A: „De koning bemint de burgers.” Leerling B: „De burgers beminnen de koning.” Wie heeft gelijk, en waarom telt de fout zwaar?

  1. 01De naamvallen bepalen

    „Rēgem” is accusativus (lijdend voorwerp): de koning wordt bemind. „cīvēs” is hier nominativus meervoud (onderwerp): de burgers zijn degenen die beminnen. De persoonsvorm „amant” is meervoud, wat bij „cīvēs” past.

  2. 02De structuur volgen

    Onderwerp = cīvēs (nom. mv., congrueert met amant), lijdend voorwerp = rēgem (acc.). De vrije woordvolgorde (lijdend voorwerp vooraan) mag je niet als onderwerp lezen.

  3. 03De fout wegen

    Leerling A verwisselt onderwerp en lijdend voorwerp — een fout die de hele betekenis omkeert en dus zwaar telt in het correctievoorschrift.

Resultaat: Leerling B heeft gelijk: „De burgers beminnen de koning.” Leerling A leest het accusativus-lijdend voorwerp als onderwerp; zo'n functie-omkering verandert de betekenis en wordt zwaar aangerekend.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een ongeziene passage van de pensumauteur zelfstandig vertalen, met het woordenboek als enige hulpmiddel.
  • Examendoel: de grammaticale kern (onderwerp, persoonsvorm, naamvalsfuncties, woordbetekenis) correct overbrengen, want juist die wordt in het correctievoorschrift gewogen.

Veelgemaakte fouten

  • Woord voor woord vertalen zonder eerst de zin te analyseren, waardoor de structuur (en dus de betekenis) verloren gaat.
  • Alle aandacht op mooie formulering richten en de grammaticale kern verwaarlozen: het correctievoorschrift rekent juist de kernfouten zwaar aan.

Actieve herhaling

Neem een korte Latijnse zin uit je pensum en beschrijf, zónder al te vertalen, welke tekstelementen (onderwerp, persoonsvorm, voorwerpen, bijzinnen) je zou onderscheiden. Bedenk per element wat er misgaat als je het verkeerd opvat.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Latijnse taal en cultuur VWO — domein A (vertaalvaardigheid); jaarlijks correctievoorschrift (CvTE / Examenblad)

§ 02

Het analysestappenplan: van chaos naar structuur#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-latijn-vwo-domein-A1-vertaling

Kernpunten

Een lange Latijnse zin wordt hanteerbaar zodra je hem volgens een vaste volgorde ontleedt. Afb. 1 toont het stappenplan als een keten. Stap 1: baken de zin af met de leestekens en zoek eerst het einde. Stap 2 — de belangrijkste — zoek de persoonsvorm(en): het vervoegde werkwoord is de kern van elke (bij)zin, en het aantal persoonsvormen verraadt hoeveel zinnen er zijn. Stap 3: bepaal bij elke persoonsvorm het onderwerp via de congruentie (persoon en getal). Wie deze drie stappen consequent zet, heeft het geraamte van de zin al staan voordat er één woord vertaald is.

Afb. 1 — Het vertaalstappenplan

Van analyse naar vertalingGraaf, 1. Baken de zin af → 2. Zoek de persoonsvorm, 2. Zoek de persoonsvorm → 3. Onderwerp (congruentie), 3. Onderwerp (congruentie) → 4. Scheid hoofd- en bijzin, 4. Scheid hoofd- en bijzin → 5. Vorm woordgroepen, 5. Vorm woordgroepen → 6. Vertaal naar Nederlands1. Baken de zinaf2. Zoek depersoonsvorm3. Onderwerp(congruentie)4. Scheid hoofd-en bijzin5. Vormwoordgroepen6. Vertaal naarNederlands
Afb. 1Werk van de zekerheden (persoonsvorm, onderwerp) naar de details. Stap 2 is het anker van de hele analyse.
Daarna bouw je de zin verder op. Stap 4: scheid de hoofdzin van de bijzinnen. Bijzinnen worden ingeleid door signaalwoorden — voegwoorden („cum”, „ut”, „quod”, „postquam”), betrekkelijke voornaamwoorden („quī, quae, quod”) of vraagwoorden — en eindigen vaak bij hun eigen persoonsvorm. Herken je ook de verkorte bijzinnen (participium coniunctum, ablativus absolutus, AcI), dan valt de architectuur van de zin op zijn plaats. Stap 5: vorm binnen elk zinsdeel de woordgroepen met behulp van naamval en congruentie — welke adjectiva, participia en genitivi horen bij welk zelfstandig naamwoord? Nu ligt de betekenisstructuur volledig open.
Afb. 2 verzamelt de signalen waarop je let: een uitgang op -ibus verraadt een dativus of ablativus meervoud; „-que” of „et” een nevenschikking; „ut/nē/cum” + coniunctivus een bijzin; „quī/quae/quod” een betrekkelijke bijzin (zoek het antecedent); een participium een verkorte bijzin; een accusativus naast een infinitivus een AcI. Deze signalen zijn als verkeersborden: ze vertellen je vooruit welk soort constructie er aankomt, zodat je niet verrast wordt. Hoe sneller je ze herkent, hoe vlotter je de structuur doorziet — en structuur, niet losse woordkennis, is wat een moeilijke zin ontsluit.

Afb. 2 — Analysesignalen

AnalysesignalenTabel met 3 kolommen en 7 rijen, Gegevens: Signaal · Wat het verraadt · Voorbeeld; persoonsvorm · kern van de (bij)zin; onderwerp in persoon/getal · mīsit → hij/zij zond; -que / et / sed · nevenschikking · armaque; ut / nē / cum + coni. · bijzin (doel, gevolg, tijd …) · ut videat; quī / quae / quod · betrekkelijke bijzin (zoek antecedent) · quī peterent; participium (-ns/-tus/-ūrus) · verkorte bijzin (pc of abl. abs.) · victīs; accusativus + infinitivus · AcI na verbum dicendi · eum venīre; uitgang -ibus / -īs / -a · naamval → functie in de zin · rēgibus → dat./abl.SIGNAALWAT HET VERRAADTVOORBEELDpersoonsvormkern van de (bij)zin;onderwerp in persoon/getalmīsit → hij/zij zond-que / et / sednevenschikkingarmaqueut / nē / cum + coni.bijzin (doel, gevolg, tijd…)ut videatquī / quae / quodbetrekkelijke bijzin (zoekantecedent)quī peterentparticipium (-ns/-tus/-ūrus)verkorte bijzin (pc of abl.abs.)victīsaccusativus + infinitivusAcI na verbum dicendieum venīreuitgang -ibus / -īs / -anaamval → functie in de zinrēgibus → dat./abl.
Afb. 2Signaalwoorden als verkeersborden: ze kondigen de komende constructie aan.
Pas als de structuur staat, komt stap 6: de eigenlijke vertaling naar lopend Nederlands. Het grote voordeel van deze werkwijze is dat je de vertaling opbouwt vanuit de zekerheden (de persoonsvorm, het onderwerp, de bijzinsgrenzen) naar de details, in plaats van andersom. Zo voorkom je de klassieke faalmodus waarbij je bij het eerste woord begint, vastloopt bij het derde, en de rest gaat raden. Het stappenplan kost in het begin tijd, maar wordt met oefening een automatisme dat je juist tijd bespaart — en, belangrijker, dat je behoedt voor de kostbare structuurfouten die het correctievoorschrift zwaar aanrekent.
Uitgewerkt voorbeeld

Een zin stapsgewijs analyseren en vertalen

Analyseer en vertaal „Caesar, hostibus victīs, lēgātōs mīsit quī pācem peterent.”

  1. 01Persoonsvormen tellen

    Er zijn twee persoonsvormen: „mīsit” (perfectum, hoofdzin) en „peterent” (imperfectum coniunctivus, bijzin). Dus één hoofdzin en één bijzin.

  2. 02Onderwerp en hoofdzin

    „Caesar” (nominativus) is het onderwerp van „mīsit” (hij zond). „lēgātōs” (accusativus meervoud) is het lijdend voorwerp: gezanten.

  3. 03De verkorte en de betrekkelijke bijzin

    „hostibus victīs” is een ablativus absolutus (voortijdig): „nadat de vijanden verslagen waren”. „quī pācem peterent” is een betrekkelijke bijzin met coniunctivus finalis (doel), aansluitend bij „lēgātōs”: „om vrede te vragen”.

  4. 04Samenvoegen tot lopend Nederlands

    Zet de ablativus absolutus vooraan, dan de hoofdzin, dan het doel.

Resultaat: „Nadat de vijanden verslagen waren, zond Caesar gezanten om vrede te vragen.” De twee persoonsvormen markeren hoofdzin en bijzin; de ablativus absolutus en de finale relatiefzin geven de omstandigheid en het doel.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een complexe zin systematisch ontleden — eerst de persoonsvorm(en) en het onderwerp, dan de bijzinnen en de woordgroepen — voordat je vertaalt.
  • Examendoel: signaalwoorden (voegwoorden, betrekkelijke en vragende voornaamwoorden, participia) herkennen als voorbodes van bepaalde constructies.

Veelgemaakte fouten

  • Bij het eerste woord beginnen met vertalen in plaats van eerst de persoonsvorm en de zinsstructuur te zoeken.
  • Het aantal persoonsvormen niet tellen en zo een bijzin over het hoofd zien, waardoor de zinsgrenzen verkeerd worden getrokken.

Actieve herhaling

Pas op de zin „Caesar, hostibus victīs, lēgātōs mīsit quī pācem peterent” het stappenplan toe: (1) baken af, (2) zoek de persoonsvorm(en), (3) bepaal het onderwerp, (4) scheid hoofd- en bijzin, (5) vorm de woordgroepen. Vertaal pas daarna.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Latijnse taal en cultuur VWO — domein A (vertaalvaardigheid) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Woordbetekenis in context en het woordenboek#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-latijn-vwo-domein-A1-vertaling

Kernpunten

Het woordenboek is bij de vertaling je enige hulpmiddel, en effectief gebruik ervan is een vaardigheid op zich. De eerste voorwaarde is dat je een woord kunt terugbrengen tot zijn grondvorm (het lemma), want daaronder staat het in het woordenboek: een zelfstandig naamwoord onder de nominativus enkelvoud, een werkwoord onder de eerste persoon enkelvoud of de infinitief. Zie je „rēgibus”, dan moet je weten dat je bij „rēx, rēgis” moet zoeken; zie je „tulit”, dan bij „ferre”. Zonder die terugvertaling naar het lemma vind je het woord niet, of je vindt het verkeerde. Hier betaalt je morfologiekennis zich rechtstreeks uit in zoektijd.
De tweede voorwaarde is dat je uit de vaak lange lijst betekenissen de contextueel juiste kiest. Latijnse woorden zijn dikwijls polyseem: „virtūs” betekent „moed”, maar ook „deugd” of „voortreffelijkheid”; „gravis” is „zwaar”, „ernstig”, „gewichtig” of „waardig”; „petere” is „vragen”, „nastreven”, „aanvallen” of „gaan naar”. Het woordenboek geeft de mogelijkheden; de zin kiest. Lees daarom nooit alleen de eerste betekenis over, maar bekijk welke betekenis past bij het onderwerp, het lijdend voorwerp en de situatie. Een verkeerde betekeniskeuze telt in de beoordeling als een echte fout, ook al heb je het woord „opgezocht”.
Een derde hulpmiddel zit in het woord zelf: de woordvorming. Veel Latijnse woorden zijn samengesteld of afgeleid, en als je de bouwstenen kent, kun je de betekenis vaak al raden vóór je opzoekt. Een voorvoegsel (prefix) kleurt de stam: „re-” (terug: „redūcere”, terugleiden), „ex-” (uit: „ēdūcere”, eruit leiden), „in-” (in/naar: „indūcere”, binnenleiden), „con-” (samen/versterkend), „prae-” (voor). Herken je in „prōvidēre” het prefix „prō-” (vooruit) plus „vidēre” (zien), dan begrijp je „vooruitzien, zorgen” zonder het woordenboek. Deze woordvormingskennis versnelt je vertaling en verdiept je begrip.
Ten slotte helpt de context om betekenissen te toetsen en fouten te vangen. Klopt de gekozen betekenis met de rest van de zin, met de handeling, met wat logisch is in de situatie? Een vertaling die grammaticaal klopt maar inhoudelijk vreemd is, is meestal een teken van een verkeerde woord- of betekeniskeuze. De beste vertalers gebruiken het woordenboek dus niet als eerste maar als tweede stap: eerst analyseren en raden op grond van morfologie, woordvorming en context, dan opzoeken om te bevestigen of te corrigeren. Zo houd je tijd over en maak je bewustere keuzes — precies de houding die in het examen het verschil maakt.
Uitgewerkt voorbeeld

De juiste betekenis kiezen met de context

Kies de betekenis van „petere” in „Hostēs urbem petīvērunt” en verantwoord je keuze.

  1. 01De betekenissen inventariseren

    „petere” kan betekenen: vragen, nastreven, gaan naar, aanvallen. Het woordenboek geeft ze alle.

  2. 02De context wegen

    Het onderwerp is „hostēs” (de vijanden) en het lijdend voorwerp „urbem” (de stad). Vijanden die een stad als lijdend voorwerp hebben, „aanvallen” of „bestormen” die, niet „vragen”.

  3. 03Toetsen

    „De vijanden vielen de stad aan” is logisch en grammaticaal correct; „de vijanden vroegen de stad” is onzin. De betekenis „aanvallen” past.

Resultaat: In „Hostēs urbem petīvērunt” betekent „petere” hier „aanvallen”: „De vijanden vielen de stad aan.” De keuze uit de vier woordenboekbetekenissen volgt uit het onderwerp (vijanden) en het lijdend voorwerp (de stad).

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een woordvorm terugbrengen tot zijn lemma om het efficiënt in het woordenboek op te zoeken.
  • Examendoel: uit meerdere woordenboekbetekenissen de contextueel juiste kiezen en de keuze aan de zin toetsen.

Veelgemaakte fouten

  • Automatisch de eerste woordenboekbetekenis kiezen zonder te controleren of die in de context past.
  • Een verbogen of vervoegde vorm niet tot het lemma kunnen herleiden (bijv. „tulit” niet bij „ferre” zoeken), waardoor je het woord niet of verkeerd vindt.

Actieve herhaling

Geef voor elke vorm het lemma waaronder je zou zoeken, en kies bij het polyseme woord de betekenis die past: (1) „cēpērunt” (bij welk werkwoord?), (2) „virtūtem” in „virtūtem mīlitum laudāvit”, (3) „petīvit” in „urbem petīvit”. Verantwoord de betekeniskeuze bij (2) en (3).

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Latijnse taal en cultuur VWO — domein A (vertaalvaardigheid; woordenboekgebruik) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Van analyse naar lopend Nederlands: register en valkuilen#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl-latijn-vwo-domein-A1-vertaling

Kernpunten

Een correcte analyse is nog geen goede vertaling: de laatste stap is het omzetten van de Latijnse structuur in natuurlijk Nederlands. Het Latijn en het Nederlands verschillen sterk in zinsbouw — het Latijn plaatst de persoonsvorm vaak achteraan, gebruikt verkorte bijzinnen (participia, ablativus absolutus, AcI) en heeft een vrije woordvolgorde. Bij het vertalen herschik je die informatie naar de vaste Nederlandse volgorde en maak je van verkorte constructies volledige bijzinnen. „Urbe captā” wordt geen „met de stad ingenomen” maar „nadat de stad was ingenomen”. Deze herordening is geen vrijheid maar een noodzaak: een letterlijke woordvolgorde levert onleesbaar Nederlands op.
Tegelijk moet je getrouw blijven aan de betekenis. Het ideaal is een vertaling die zowel klopt als loopt: alle grammaticale informatie (tijd, wijs, functie, getal) is correct weergegeven, én de zin is goed Nederlands. Tussen die twee eisen bestaat spanning. Te letterlijk vertalen (elk woord één-op-één) geeft kreupel Nederlands; te vrij vertalen (de strekking navertellen) laat grammaticale informatie vallen die het correctievoorschrift juist toetst. De kunst is het midden: begin bij een nauwkeurige, desnoods wat stijve versie waarin alles klopt, en polijst die dan tot ze loopt — zonder onderweg de tijd, de wijs of een functie te verliezen.
Sommige Latijnse verschijnselen vragen bij het vertalen om een vaste greep. Het historisch praesens (een tegenwoordige tijd in een verhaal over het verleden) vertaal je vaak met een verleden tijd, om het Nederlandse verhaalregister te bewaren. Een passieve constructie kun je soms beter actief weergeven als het Nederlands dat natuurlijker vindt. Een Latijnse abstracte uitdrukking („summa cum celeritāte” — met de grootste snelheid) wordt in het Nederlands vaak een bijwoord („zeer snel”). En de vele participia en de AcI zet je consequent om in bijzinnen met „nadat”, „omdat”, „terwijl” of „dat”. Deze idiomatische ingrepen zijn geen ontrouw maar juist trouw aan de bedóélde betekenis.
De grootste valkuilen in deze laatste fase zijn tegengesteld aan elkaar. De ene is slaafse letterlijkheid: een vertaling die zo dicht bij het Latijn blijft dat ze in het Nederlands niet meer klopt of loopt. De andere is te grote vrijheid: een navertelling die lekker leest maar waarin je de tijd hebt veranderd, een functie hebt omgedraaid of een woord hebt weggelaten. Tussen die twee door loopt de goede vertaling. Een handige laatste controle is: lees je Nederlandse zin hardop en vraag je af of hij (a) klopt met het Latijn op elk grammaticaal punt en (b) goed Nederlands is. Pas als beide antwoorden „ja” zijn, is de vertaling af. Zo sluit de vertaalvaardigheid alle voorgaande onderdelen samen: morfologie, syntaxis, constructies en woordkennis komen tot rust in één correcte, lopende Nederlandse zin.
Uitgewerkt voorbeeld

Van letterlijk naar lopend Nederlands

Verbeter de te letterlijke vertaling „De vijanden overwonnen zijnde, Caesar gezanten zond die vrede zouden vragen” tot goed Nederlands, zonder informatie te verliezen.

  1. 01De verkorte constructie omzetten

    „De vijanden overwonnen zijnde” is een letterlijke weergave van de ablativus absolutus. Maak er een volledige bijzin van: „Nadat de vijanden waren overwonnen”.

  2. 02De woordvolgorde herschikken

    Het Nederlands wil onderwerp – persoonsvorm – rest: „zond Caesar gezanten”, niet „Caesar gezanten zond”.

  3. 03De doelzin idiomatisch maken

    „die vrede zouden vragen” (finaal-relatief) mag blijven, maar „om vrede te vragen” loopt soepeler en behoudt het doel.

Resultaat: „Nadat de vijanden waren overwonnen, zond Caesar gezanten om vrede te vragen.” De ablativus absolutus is een volledige bijzin geworden, de woordvolgorde is Nederlands, en tijd, functie en doel zijn behouden.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een geanalyseerde Latijnse zin omzetten in correct, lopend Nederlands met behoud van alle grammaticale informatie (tijd, wijs, functie).
  • Examendoel: verkorte constructies (participium, ablativus absolutus, AcI) consequent als volledige Nederlandse bijzinnen weergeven.

Veelgemaakte fouten

  • Slaafs letterlijk vertalen, zodat de Nederlandse zin niet loopt of niet meer klopt (bijv. een ablativus absolutus als „met … zijnde”).
  • Te vrij vertalen: de strekking navertellen maar daarbij een tijd, wijs of functie veranderen die het correctievoorschrift toetst.

Actieve herhaling

Vertaal „His rēbus cognitīs, Caesar, quod hostēs adventāre audiēbat, cōpiās ēdūxit” en let bewust op het register: zet de ablativus absolutus en de causale bijzin om in lopend Nederlands, met behoud van alle tijden en functies. Controleer daarna of je zin zowel klopt als loopt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Latijnse taal en cultuur VWO — domein A (vertaalvaardigheid; register) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Wat het examen vraagt: de vertaalopgave en de beoordeling○
    • 02Het analysestappenplan: van chaos naar structuur◐
    • 03Woordbetekenis in context en het woordenboek◐
    • 04Van analyse naar lopend Nederlands: register en valkuilen●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Vertaalvaardigheid: een ongeziene passage vertalen

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~15
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Latijnse taal en cultuur VWO — domein A (vertaalvaardigheid); jaarlijks correctievoorschrift

Vorig onderwerp

Woordenschat en het gebruik van het woordenboek

Volgend onderwerp

Literaire termen: stilistische, narratologische en argumentatieve begrippen

EuraStudy·Samenvattingen T·06·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.