EuraStudy
Samenvattingen/Latijnse taal en cultuur/Morfologie (vormleer): naamwoorden, werkwoorden en voornaamwoorden
Samenvattingen · Latijnse taal en cultuurNL · VWO

Morfologie (vormleer): naamwoorden, werkwoorden en voornaamwoorden

De morfologie beschrijft hoe Latijnse woorden van vorm veranderen: naamwoorden verbuigen (declinatie) en werkwoorden vervoegen (conjugatie). Omdat het Latijn de functie van een woord niet met woordvolgorde maar met uitgangen aangeeft, is de vormleer de sleutel tot elke vertaling: wie de uitgangen kent, leest de zin. Dit onderwerp frist de vijf declinaties, de adjectiva, de pronomina en de vier conjugaties met hun tijden en wijzen op — de voorwaardelijke kennis voor het centraal examen.

4 Onderdelen·~17 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0111 / 16
Examenprofiel
De vijf declinaties met hun naamvalsuitgangen (enkelvoud en meervoud) herkennen en reproducerenAdjectiva verbuigen en de trappen van vergelijking (comparativus, superlativus) vormenDe pronomina (persoonlijk, reflexief, aanwijzend, betrekkelijk, vragend) herkennen en determinerenDe vier conjugaties met de tijden van het praesens- en perfectumsysteem (actief en passief) en de onregelmatige werkwoorden beheersen
Operatoren:benoemdetermineervervoegverbuiggeef de naamvalgeef de vorm

basisniveau

De morfologie is geen apart toetsdomein maar voorwaardelijke kennis: je hebt de paradigma's nodig om elke examentekst te kunnen vertalen en de taalkundige vragen te beantwoorden.

verhoogd niveau

Wie de paradigma's volledig automatiseert, herkent vormen zonder aarzelen en houdt zo tijd en denkruimte over voor de moeilijke zinsconstructies en de betekenisnuances.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Morfologie (vormleer): naamwoorden, werkwoorden en voornaamwoorden
    • 01Substantiva: de vijf declinaties○
    • 02Adjectiva en de trappen van vergelijking◐
    • 03Pronomina: de voornaamwoorden◐
    • 04Werkwoorden: de vier conjugaties, de tijden en de onregelmatige werkwoorden●
§ 01

Substantiva: de vijf declinaties#

●○○BasisLPexamenblad-nl-latijn-vwo-domein-A1-taalreflectie

Kernpunten

Een Latijns zelfstandig naamwoord (substantivum) verandert van uitgang naargelang zijn naamval (casus), getal (numerus) en — vast per woord — zijn geslacht (genus: masculinum, femininum of neutrum). Deze verbuiging heet declinatie, en het Latijn kent er vijf. In welke declinatie een woord valt, lees je niet af aan de nominativus maar aan de genitivus enkelvoud: die uitgang is het onfeilbare herkenningsteken. Afb. 1 zet de diagnostische uitgangen op een rij: de genitivus enkelvoud is -ae (1e), -ī (2e), -is (3e), -ūs (4e) of -eī (5e). Daarom staat een Latijns woord in het woordenboek altijd met twee vormen, bijvoorbeeld „rosa, rosae” — het tweede woord verraadt de declinatie. Wie de genitivus kent, kent de hele verbuiging.

Afb. 1 — De naamvalsuitgangen per declinatie

Naamvalsuitgangen van de vijf declinatiesTabel met 6 kolommen en 8 rijen, Gegevens: Casus · 1e (a) · 2e (o) · 3e (med.) · 4e (u) · 5e (e); Nom. ev. · -a · -us / -um · grondvorm · -us / -ū · -ēs; Gen. ev. · -ae · -ī · -is · -ūs · -eī; Dat. ev. · -ae · -ō · -ī · -uī · -eī; Acc. ev. · -am · -um · -em / =nom. · -um / -ū · -em; Abl. ev. · -ā · -ō · -e · -ū · -ē; Gen. mv. · -ārum · -ōrum · -um / -ium · -uum · -ērum; Dat./Abl. mv. · -īs · -īs · -ibus · -ibus · -ēbus; Acc. mv. · -ās · -ōs / -a · -ēs / -a · -ūs / -ua · -ēsCASUS1E (A)2E (O)3E (MED.)4E (U)5E (E)Nom. ev.-a-us / -umgrondvorm-us / -ū-ēsGen. ev.-ae-ī-is-ūs-eīDat. ev.-ae-ō-ī-uī-eīAcc. ev.-am-um-em / =nom.-um / -ū-emAbl. ev.-ā-ō-e-ū-ēGen. mv.-ārum-ōrum-um / -ium-uum-ērumDat./Abl. mv.-īs-īs-ibus-ibus-ēbusAcc. mv.-ās-ōs / -a-ēs / -a-ūs / -ua-ēs
Afb. 1De diagnostische uitgangen per declinatie. De genitivus enkelvoud (rij 2) verraadt tot welke declinatie een woord hoort.
De eerste declinatie (a-stammen) is grotendeels vrouwelijk en heeft de herkenbare a-klank: „rosa, rosae, rosae, rosam, rosā” in het enkelvoud. De tweede declinatie (o-stammen) is mannelijk op -us of -er en onzijdig op -um: „dominus, dominī …” en „bellum, bellī …”. Bij een onzijdig woord zijn de nominativus en de accusativus altijd gelijk, en in het meervoud eindigen ze op -a — een regel die voor álle onzijdige woorden geldt, in élke declinatie. De derde declinatie is de grootste en meest gevarieerde groep, met alle drie de geslachten en een onvoorspelbare nominativus (bijvoorbeeld „rēx, rēgis” of „corpus, corporis”), maar met vaste oblieke uitgangen. Afb. 2 geeft de volledige verbuiging van vier kernwoorden naast elkaar, zodat je de patronen naast elkaar ziet.

Afb. 2 — Vier woorden volledig verbogen

Volledige verbuiging van vier modelwoordenTabel met 5 kolommen en 10 rijen, Gegevens: Casus · rosa (1e, v.) · dominus (2e, m.) · bellum (2e, o.) · rēx (3e, m.); Nom. ev. · rosa · dominus · bellum · rēx; Gen. ev. · rosae · dominī · bellī · rēgis; Dat. ev. · rosae · dominō · bellō · rēgī; Acc. ev. · rosam · dominum · bellum · rēgem; Abl. ev. · rosā · dominō · bellō · rēge; Nom. mv. · rosae · dominī · bella · rēgēs; Gen. mv. · rosārum · dominōrum · bellōrum · rēgum; Dat. mv. · rosīs · dominīs · bellīs · rēgibus; Acc. mv. · rosās · dominōs · bella · rēgēs; Abl. mv. · rosīs · dominīs · bellīs · rēgibusCASUSROSA (1E, V.)DOMINUS (2E, M.)BELLUM (2E, O.)RĒX (3E, M.)Nom. ev.rosadominusbellumrēxGen. ev.rosaedominībellīrēgisDat. ev.rosaedominōbellōrēgīAcc. ev.rosamdominumbellumrēgemAbl. ev.rosādominōbellōrēgeNom. mv.rosaedominībellarēgēsGen. mv.rosārumdominōrumbellōrumrēgumDat. mv.rosīsdominīsbellīsrēgibusAcc. mv.rosāsdominōsbellarēgēsAbl. mv.rosīsdominīsbellīsrēgibus
Afb. 2Vier modelwoorden naast elkaar. Let op de onzijdige regel bij bellum: nominativus = accusativus, meervoud op -a.
De vierde declinatie (u-stammen) is klein en vooral mannelijk, met de u overal zichtbaar: „manus, manūs, manuī, manum, manū” (mv. „manūs, manuum, manibus …”); een enkel onzijdig woord als „cornū” volgt een eigen patroon. De vijfde declinatie (e-stammen) is de kleinste van alle, met slechts een handvol woorden, waarvan „rēs, reī” (zaak, ding) en „diēs, diēī” (dag) de belangrijkste zijn; „rēs” is vrouwelijk, „diēs” meestal mannelijk. Hoewel de vierde en vijfde declinatie weinig woorden bevatten, komen juist die woorden zó vaak voor dat je hun vormen paraat moet hebben. Het loont om per declinatie één modelwoord uit het hoofd te leren en daar elke onbekende vorm aan te spiegelen.
De kracht — en de valkuil — van dit systeem is dat één en dezelfde uitgang meerdere dingen kan betekenen. „-a” is nominativus enkelvoud (1e declinatie) maar ook nominativus/accusativus meervoud onzijdig; „-īs” is dativus én ablativus meervoud (1e en 2e); „-is” is genitivus enkelvoud (3e) maar ook een uitgang die je bij adjectiva en werkwoorden terugziet. Zulke dubbelzinnige uitgangen los je nooit geïsoleerd op, maar altijd met de context: met welk ander woord congrueert deze vorm, welke persoonsvorm staat er, welke functie past in de zin? De vormleer levert de kandidaten; de syntaxis kiest. Deze samenwerking tussen vorm en functie is de kern van het Latijn lezen, en ze keert bij elk volgend onderwerp terug.
Uitgewerkt voorbeeld

Een naamval determineren en de functie geven

Determineer de vorm „rēgibus” in de zin „Rēx rēgibus dōna dedit” (De koning gaf de koningen geschenken) en geef de zinsfunctie.

  1. 01De uitgang analyseren

    De uitgang -ibus hoort bij de derde declinatie meervoud en is dativus óf ablativus. Het grondwoord is „rēx, rēgis” (3e declinatie, mannelijk).

  2. 02De context raadplegen

    In de zin staat al een onderwerp („rēx”, nominativus) en een lijdend voorwerp („dōna”, onzijdig meervoud, accusativus). Het werkwoord „dedit” (hij gaf) vraagt om een meewerkend voorwerp: aan wie?

  3. 03Kiezen tussen dativus en ablativus

    „aan de koningen” past als meewerkend voorwerp; dat is de dativus. Een ablativus (bijv. van middel of gezelschap) past hier niet bij „geven”.

Resultaat: „rēgibus” is dativus meervoud van „rēx, rēgis” (3e declinatie) en fungeert als meewerkend voorwerp: „aan de koningen”. De dubbelzinnigheid dativus/ablativus wordt door de context (het werkwoord „geven” en de al bezette functies) opgelost.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: van een gegeven substantief de naamval, het getal en de declinatie determineren en de vorm juist plaatsen in de zin.
  • Examendoel: een dubbelzinnige uitgang (bijv. -a, -is, -īs, -us) met behulp van de context (congruentie, zinsfunctie) correct oplossen.

Veelgemaakte fouten

  • De declinatie afleiden uit de nominativus in plaats van uit de genitivus enkelvoud — juist de genitivus (-ae/-ī/-is/-ūs/-eī) is het onfeilbare herkenningsteken.
  • Vergeten dat bij onzijdige woorden nominativus en accusativus altijd gelijk zijn en het meervoud op -a eindigt, waardoor je een onzijdig meervoud voor een vrouwelijk enkelvoud aanziet.

Actieve herhaling

Determineer van elk van de volgende vormen de naamval, het getal en de declinatie, en noem een mogelijke zinsfunctie: (1) rēgibus, (2) bella, (3) manū, (4) rērum, (5) dominōs. Geef bij (2) aan waarom er twee mogelijkheden zijn en hoe je die zou oplossen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Latijnse taal en cultuur VWO — domein A (taalreflectie: morfologie) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Adjectiva en de trappen van vergelijking#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-latijn-vwo-domein-A1-taalreflectie

Kernpunten

Een bijvoeglijk naamwoord (adjectivum) richt zich in naamval, getal én geslacht naar het zelfstandig naamwoord waar het bij hoort: het congrueert. Daarvoor moet het adjectief zich in álle drie de geslachten kunnen verbuigen. Er zijn twee grote groepen. De adjectiva van de eerste en tweede declinatie („bonus, bona, bonum” — goed) gebruiken de vrouwelijke vormen uit de eerste declinatie en de mannelijke/onzijdige uit de tweede; ze verbuigen dus precies als „rosa”, „dominus” en „bellum”. De adjectiva van de derde declinatie („fortis, forte” — sterk; „ācer, ācris, ācre” — scherp; „ingēns, ingentis” — enorm) volgen de derde declinatie, met als kenmerk de ablativus enkelvoud op -ī en de genitivus meervoud op -ium.
Congruentie betekent níet dat het adjectief altijd dezelfde uitgang heeft als zijn zelfstandig naamwoord. „Rēx bonus” (de goede koning) klopt met gelijke uitgangen, maar „poēta bonus” (de goede dichter) laat zien dat het kan botsen: „poēta” is een mannelijk woord van de eerste declinatie, dus het staat op -a, terwijl het mannelijke adjectief „bonus” op -us staat. Ze congrueren wél — beide zijn nominativus enkelvoud mannelijk — maar hun uitgangen verschillen omdat ze uit verschillende declinaties komen. Dit is een klassieke valkuil: laat je niet leiden door gelijk- of ongelijkluidende uitgangen, maar door de drievoudige overeenkomst naamval–getal–geslacht.
Naast de gewone vorm (de positief) kent het adjectief twee trappen van vergelijking. De comparativus (vergrotende trap) voegt aan de stam -ior (mannelijk/vrouwelijk) en -ius (onzijdig) toe, met de genitivus op -iōris: „altus” → „altior, altius” (hoger). De superlativus (overtreffende trap) voegt meestal -issimus, -a, -um toe: „altissimus” (hoogst, of: zeer hoog). Adjectiva op -er vormen de superlativus op -errimus („pulcher” → „pulcherrimus”), en een klein groepje op -ilis op -illimus („facilis” → „facillimus”). Afb. 3 vat dit samen. Let op de dubbele vertaalmogelijkheid: de comparativus betekent „hoger” maar ook „tamelijk/nogal hoog”, en de superlativus „het hoogst” maar ook „zeer hoog” — de context beslist.

Afb. 3 — De trappen van vergelijking

Trappen van vergelijkingTabel met 4 kolommen en 6 rijen, Gegevens: Trap · Vorming · Voorbeeld · Vertaling; Positief · grondvorm · altus, -a, -um · hoog; Comparativus · stam + -ior / -ius (gen. -iōris) · altior, altius · hoger / tamelijk hoog; Superlativus · stam + -issimus, -a, -um · altissimus · hoogst / zeer hoog; onregelmatig · — · bonus – melior – optimus · goed – beter – best; onregelmatig · — · magnus – maior – maximus · groot – groter – grootst; onregelmatig · — · multus – plūs – plūrimus · veel – meer – meestTRAPVORMINGVOORBEELDVERTALINGPositiefgrondvormaltus, -a, -umhoogComparativusstam + -ior /-ius (gen. -iōris)altior, altiushoger / tamelijk hoogSuperlativusstam + -issimus, -a, -umaltissimushoogst / zeer hoogonregelmatig—bonus – melior – optimusgoed – beter – bestonregelmatig—magnus – maior – maximusgroot – groter – grootstonregelmatig—multus – plūs – plūrimusveel – meer – meest
Afb. 3De regelmatige vorming van comparativus en superlativus, met de belangrijkste onregelmatige reeksen.
Een handvol veelgebruikte adjectiva vormt de trappen onregelmatig, en die moet je uit het hoofd kennen, want ze komen voortdurend voor: „bonus – melior – optimus” (goed – beter – best), „malus – peior – pessimus” (slecht), „magnus – maior – maximus” (groot), „parvus – minor – minimus” (klein) en „multus – plūs – plūrimus” (veel). Van adjectiva worden ook bijwoorden (adverbia) afgeleid: uit de eerste/tweede declinatie op -ē („lātus” → „lātē”, wijd), uit de derde op -iter („fortis” → „fortiter”, dapper). Ook die vergelijken: de comparativus van het bijwoord is gelijk aan de onzijdige comparativus van het adjectief (-ius: „fortius”), de superlativus eindigt op -issimē („fortissimē”). Zo hangt het hele systeem samen: één stam, voorspelbare uitgangen.
Uitgewerkt voorbeeld

Congruentie zoeken bij verschillende uitgangen

Bij welk zelfstandig naamwoord hoort het adjectief in „magna cum virtūte”, en waarom lijken de uitgangen niet op elkaar?

  1. 01De woorden determineren

    „virtūte” is ablativus enkelvoud van „virtūs, virtūtis” (3e declinatie, vrouwelijk). „magnā” is ablativus enkelvoud vrouwelijk van „magnus, -a, -um” (1e/2e declinatie).

  2. 02De congruentie controleren

    Beide zijn ablativus enkelvoud vrouwelijk — ze congrueren dus, ook al eindigt het adjectief op -ā (1e declinatie) en het substantief op -e (3e declinatie).

  3. 03Het voorzetsel meenemen

    „cum” + ablativus betekent „met”; de hele groep is „met grote moed”. Het voorzetsel staat hier tussen adjectief en substantief in — normaal in het Latijn.

Resultaat: „magnā” hoort bij „virtūte”: samen „met grote moed”. De uitgangen (-ā en -e) verschillen omdat de woorden uit verschillende declinaties komen, maar ze congrueren in naamval (ablativus), getal (enkelvoud) en geslacht (vrouwelijk).

Eindexamen-focus

  • Examendoel: vaststellen bij welk zelfstandig naamwoord een adjectief hoort (congruentie in naamval, getal en geslacht), ook als de uitgangen verschillen.
  • Examendoel: een comparativus of superlativus herkennen, correct vertalen (inclusief de betekenis „tamelijk” / „zeer”) en de onregelmatige trappen kennen.

Veelgemaakte fouten

  • Congruentie gelijkstellen aan gelijke uitgangen: „poēta bonus” of „rēs pulchra” congrueren correct hoewel de uitgangen verschillen, omdat de woorden uit verschillende declinaties komen.
  • De comparativus of superlativus alleen als „hoger” / „hoogst” vertalen en de mogelijkheid „tamelijk hoog” / „zeer hoog” over het hoofd zien, terwijl de context die soms eist.

Actieve herhaling

Zoek in de volgende woordgroepen bij elk adjectief het zelfstandig naamwoord waarmee het congrueert en benoem naamval, getal en geslacht: (1) „magnā virtūte”, (2) „rēgēs fortēs”, (3) „poētae clārī”. Geef daarna van „fortis” de comparativus en de superlativus, en vertaal „fortior” op twee manieren.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Latijnse taal en cultuur VWO — domein A (taalreflectie: morfologie) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Pronomina: de voornaamwoorden#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-latijn-vwo-domein-A1-taalreflectie

Kernpunten

Voornaamwoorden (pronomina) verwijzen naar personen of zaken en zijn onmisbaar om een tekst te volgen: ze houden de draad van „wie doet wat aan wie” vast. Het Latijn kent verschillende soorten. De persoonlijke voornaamwoorden „ego” (ik), „tū” (jij), „nōs” (wij) en „vōs” (jullie) worden voor de eerste en tweede persoon gebruikt; voor de derde persoon („hij, zij, het”) springt het aanwijzende „is, ea, id” in. Belangrijk is het reflexieve (wederkerige) voornaamwoord „sē” (zich), dat terugverwijst naar het onderwerp van de zin: „sē” heeft geen nominativus, en de bijbehorende bezittelijke vorm is „suus, sua, suum” (zijn/haar eigen). De bezittelijke voornaamwoorden zijn verder „meus, tuus, noster, vester”.
De aanwijzende voornaamwoorden (demonstrativa) wijzen iets aan en zijn in het Latijn talrijk en betekenisrijk. „Hic, haec, hoc” betekent „deze/dit (hier bij mij)”; „ille, illa, illud” betekent „die/dat (daar)” en krijgt vaak een eerbiedige kleur („de beroemde”); „is, ea, id” is neutraal „die/dat, hij/zij/het” en dient ook als antecedent bij een betrekkelijke bijzin. Daarnaast benadrukt „ipse, ipsa, ipsum” („zelf”) en drukt „īdem, eadem, idem” („dezelfde”) identiteit uit. Deze woorden delen een eigen, pronominale verbuiging die afwijkt van de gewone declinaties: de genitivus enkelvoud eindigt in álle geslachten op -īus (bijvoorbeeld „eius”, „illīus”, „huius”) en de dativus enkelvoud op -ī („eī”, „illī”, „huic”). Afb. 4 geeft de volledige verbuiging van het veelgebruikte „is, ea, id”.

Afb. 4 — Het aanwijzende voornaamwoord is, ea, id

is, ea, idTabel met 4 kolommen en 10 rijen, Gegevens: Casus · m. · v. · o.; Nom. ev. · is · ea · id; Gen. ev. · eius · eius · eius; Dat. ev. · eī · eī · eī; Acc. ev. · eum · eam · id; Abl. ev. · eō · eā · eō; Nom. mv. · eī / iī · eae · ea; Gen. mv. · eōrum · eārum · eōrum; Dat. mv. · eīs / iīs · eīs · eīs; Acc. mv. · eōs · eās · ea; Abl. mv. · eīs · eīs · eīsCASUSM.V.O.Nom. ev.iseaidGen. ev.eiuseiuseiusDat. ev.eīeīeīAcc. ev.eumeamidAbl. ev.eōeāeōNom. mv.eī / iīeaeeaGen. mv.eōrumeārumeōrumDat. mv.eīs / iīseīseīsAcc. mv.eōseāseaAbl. mv.eīseīseīs
Afb. 4De pronominale verbuiging van „is, ea, id”: let op de genitivus „eius” en de dativus „eī”, gelijk in alle geslachten.
Het betrekkelijke voornaamwoord (relativum) „quī, quae, quod” (die, dat, welke) verbindt een bijzin met een woord in de hoofdzin (het antecedent). Het volgt dezelfde pronominale verbuiging: genitivus „cuius”, dativus „cui”, en in het meervoud de dativus/ablativus „quibus”. De regel die alles stuurt: een betrekkelijk voornaamwoord neemt naamval, getal en geslacht óver van het antecedent, maar zijn eigen naamval hangt af van zijn functie in de bijzin. „Rēx, quem videō” (de koning, die ik zie) — „quem” is mannelijk enkelvoud (van „rēx”) maar accusativus omdat het lijdend voorwerp is van „videō”. Afb. 5 zet „quī, quae, quod” volledig uit.

Afb. 5 — Het betrekkelijke voornaamwoord quī, quae, quod

quī, quae, quodTabel met 4 kolommen en 9 rijen, Gegevens: Casus · m. · v. · o.; Nom. ev. · quī · quae · quod; Gen. ev. · cuius · cuius · cuius; Dat. ev. · cui · cui · cui; Acc. ev. · quem · quam · quod; Abl. ev. · quō · quā · quō; Nom. mv. · quī · quae · quae; Gen. mv. · quōrum · quārum · quōrum; Dat./Abl. mv. · quibus · quibus · quibus; Acc. mv. · quōs · quās · quaeCASUSM.V.O.Nom. ev.quīquaequodGen. ev.cuiuscuiuscuiusDat. ev.cuicuicuiAcc. ev.quemquamquodAbl. ev.quōquāquōNom. mv.quīquaequaeGen. mv.quōrumquārumquōrumDat./Abl. mv.quibusquibusquibusAcc. mv.quōsquāsquae
Afb. 5„quī, quae, quod” volgt dezelfde pronominale verbuiging: genitivus „cuius”, dativus „cui”.
Het vragende voornaamwoord (interrogativum) „quis? quid?” (wie? wat?) en het onbepaalde „aliquis” (iemand), „quīdam” (een zeker iemand), „nēmō” (niemand) en „quisque” (ieder) vullen het systeem aan. Vraag- en betrekkelijk voornaamwoord lijken sterk op elkaar en worden onderscheiden door hun rol: een vraagteken of een indirecte vraag wijst op het interrogativum, een antecedent op het relativum. De grote winst voor de vertaler is dat al deze pronomina de pronominale verbuiging delen (gen. -īus, dat. -ī): herken je dat patroon, dan herken je in één oogopslag een hele familie voornaamwoorden. Zo verandert een lijst losse woordjes in één samenhangend systeem.
Uitgewerkt voorbeeld

Een betrekkelijk voornaamwoord ontleden

Ontleed „quem” in „Vir, quem laudās, meus amīcus est” (De man, die je prijst, is mijn vriend).

  1. 01Het antecedent zoeken

    „quem” hoort bij de bijzin en verwijst terug naar „vir” (de man, mannelijk enkelvoud). Getal en geslacht neemt het daarvan over: mannelijk enkelvoud.

  2. 02De functie in de bijzin bepalen

    In de bijzin „quem laudās” is „quem” het lijdend voorwerp bij „laudās” (jij prijst): wie prijs je? — hem. Dat vraagt de accusativus.

  3. 03De vorm bevestigen

    Mannelijk enkelvoud accusativus van „quī, quae, quod” is „quem” (zie Afb. 5). Vorm en functie kloppen.

Resultaat: „quem” is accusativus enkelvoud mannelijk. Getal en geslacht (enkelvoud, mannelijk) komen van het antecedent „vir”; de naamval (accusativus) volgt uit de functie als lijdend voorwerp in de bijzin „quem laudās”.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een voornaamwoord determineren (soort, naamval, getal, geslacht) en de verwijzing (het antecedent) correct aanwijzen.
  • Examendoel: bij een betrekkelijk voornaamwoord onderscheid maken tussen de van het antecedent overgenomen kenmerken (getal, geslacht) en de eigen naamval (functie in de bijzin).

Veelgemaakte fouten

  • „sē” / „suus” niet als reflexief herkennen en naar een verkeerd woord laten verwijzen: beide verwijzen in de regel terug naar het onderwerp van de (hoofd)zin.
  • De naamval van een betrekkelijk voornaamwoord klakkeloos gelijkstellen aan die van het antecedent, terwijl de naamval juist door de functie in de bijzin wordt bepaald.

Actieve herhaling

Determineer in „Mīlitēs, quōrum virtūtem laudāmus, eī pārent” elk voornaamwoord (soort, naamval, getal, geslacht) en geef aan waarnaar het verwijst. Verklaar waarom „quōrum” genitivus meervoud is en „eī” een andere naamval heeft.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Latijnse taal en cultuur VWO — domein A (taalreflectie: morfologie) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Werkwoorden: de vier conjugaties, de tijden en de onregelmatige werkwoorden#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl-latijn-vwo-domein-A1-taalreflectie

Kernpunten

Een Latijns werkwoord vervoegt: het verandert van vorm naar persoon, getal, tijd (tempus), wijs (modus) en genus (actief of passief). De vervoeging heet conjugatie, en het Latijn kent er vier, herkenbaar aan de stamklinker van de infinitivus: 1e op -āre („amāre”, beminnen), 2e op -ēre („monēre”, aansporen), 3e op -ere („regere”, besturen) en 4e op -īre („audīre”, horen); een tussengroep, de 3e op -iō („capere”, nemen), gedraagt zich deels als de vierde. Elk werkwoord staat in het woordenboek met vier hoofdvormen, bijvoorbeeld „amō, amāre, amāvī, amātum”: daaruit haal je de praesensstam (voor het heden-systeem), de perfectumstam (voor het voltooide systeem) en het PPP (het voltooid deelwoord). Afb. 6 zet de praesens indicatief actief van alle vier de conjugaties naast elkaar.

Afb. 6 — Praesens indicatief actief van de vier conjugaties

Praesens indicatief actiefTabel met 6 kolommen en 6 rijen, Gegevens: Persoon · 1e (amāre) · 2e (monēre) · 3e (regere) · 3e-io (capere) · 4e (audīre); 1 ev. · amō · moneō · regō · capiō · audiō; 2 ev. · amās · monēs · regis · capis · audīs; 3 ev. · amat · monet · regit · capit · audit; 1 mv. · amāmus · monēmus · regimus · capimus · audīmus; 2 mv. · amātis · monētis · regitis · capitis · audītis; 3 mv. · amant · monent · regunt · capiunt · audiuntPERSOON1E (AMĀRE)2E (MONĒRE)3E (REGERE)3E-IO (CAPERE)4E (AUDĪRE)1 ev.amōmoneōregōcapiōaudiō2 ev.amāsmonēsregiscapisaudīs3 ev.amatmonetregitcapitaudit1 mv.amāmusmonēmusregimuscapimusaudīmus2 mv.amātismonētisregitiscapitisaudītis3 mv.amantmonentreguntcapiuntaudiunt
Afb. 6De praesens indicatief actief. Let op de bindklinker: 1e -ā-, 2e -ē-, 3e wisselend, 4e -ī-; de derde persoon meervoud eindigt op -nt of -unt/-iunt.
De persoonlijke uitgangen zijn het hart van het systeem. In het actief van het praesenssysteem zijn ze -ō/-m, -s, -t, -mus, -tis, -nt; in het passief -r/-or, -ris, -tur, -mur, -minī, -ntur. Het praesens („amō” — ik bemin) drukt het heden uit; het imperfectum („amābam” — ik beminde, ik was aan het beminnen) een duur of gewoonte in het verleden en wordt gevormd met het teken -bā-; het futurum („amābō” — ik zal beminnen) gebruikt bij de 1e/2e conjugatie -bō/-bi-/-bu-, maar bij de 3e/4e de uitgangen -am, -ēs, -et, -ēmus, -ētis, -ent. Let op de valkuil: „regam” kan futurum („ik zal besturen”) én coniunctivus praesens zijn — alleen de context beslist. Afb. 7 laat zien hoe je uit één stam alle tijden bouwt.

Afb. 7 — De tijden van amāre (1e persoon enkelvoud actief)

De tijden van amāreTabel met 4 kolommen en 6 rijen, Gegevens: Tijd · Vorming (1 ev. actief) · Voorbeeld · Vertaling; Praesens · praesensstam + uitgang · amō · ik bemin; Imperfectum · praesensstam + -bā- · amābam · ik beminde / was aan het beminnen; Futurum · praesensstam + -bō (1e/2e) · amābō · ik zal beminnen; Perfectum · perfectumstam + -ī · amāvī · ik heb bemind / beminde; Plusquamperfectum · perfectumstam + -eram · amāveram · ik had bemind; Futurum exactum · perfectumstam + -erō · amāverō · ik zal bemind hebbenTIJDVORMING (1 EV. ACTIEF)VOORBEELDVERTALINGPraesenspraesensstam + uitgangamōik beminImperfectumpraesensstam + -bā-amābamik beminde /was aan hetbeminnenFuturumpraesensstam + -bō (1e/2e)amābōik zal beminnenPerfectumperfectumstam + -īamāvīik heb bemind / bemindePlusquamperfectumperfectumstam + -eramamāveramik had bemindFuturum exactumperfectumstam + -erōamāverōik zal bemind hebben
Afb. 7Uit twee stammen (praesens- en perfectumstam) bouw je alle zes de indicatieftijden.
Het perfectumsysteem staat los van de praesensstam en gebruikt de perfectumstam plus eigen uitgangen. Het perfectum („amāvī” — ik heb bemind, ik beminde) neemt -ī, -istī, -it, -imus, -istis, -ērunt; het plusquamperfectum („amāveram” — ik had bemind) voegt -eram toe; het futurum exactum („amāverō” — ik zal bemind hebben) voegt -erō toe. In het passief van het perfectumsysteem wordt het PPP met een vorm van „esse” gecombineerd: „amātus sum” (ik ben/werd bemind), „amātus eram” (ik was bemind). Naast de aantonende wijs (indicativus) bestaat de gebiedende wijs (imperativus: „amā!”, „amāte!”) en, allesbepalend voor bijzinnen, de aanvoegende wijs (coniunctivus) — die krijgt een eigen onderwerp verderop in dit dossier.
Een kleine groep zeer frequente werkwoorden vervoegt onregelmatig, en juist doordat ze zo vaak voorkomen, moet je ze uit het hoofd kennen. Het belangrijkste is „esse” (zijn): „sum, es, est, sumus, estis, sunt”, imperfectum „eram”, futurum „erō”, perfectum „fuī”. Daarvan zijn afgeleid „posse” (kunnen: „possum, potes, potest …”) en „prōdesse” (nuttig zijn). Verder „īre” (gaan: „eō, īs, it, īmus, ītis, eunt”), „ferre” (dragen/brengen: „ferō, fers, fert, ferimus, fertis, ferunt”), „velle” (willen: „volō, vīs, vult, volumus, vultis, volunt”), „nōlle” (niet willen) en „mālle” (liever willen), en het passief-vormige „fierī” (worden/gebeuren). Herken je de stam „fu-”, „i-/e-”, „vol-/vel-” of „tul-/lāt-”, dan herken je deze werkwoorden ook in hun meest verrassende vormen.
Uitgewerkt voorbeeld

Een werkwoordsvorm volledig determineren

Determineer „regēbantur” volledig en geef het grondwoord.

  1. 01De stam en het tijdteken

    De stam is „reg-” (van „regere”, 3e conjugatie). Het teken -ēbā- (hier -ēban-) is het imperfectum van de 3e/4e conjugatie: dus imperfectum.

  2. 02De uitgang

    De uitgang -ntur is de derde persoon meervoud passief. Passieve uitgangen zijn -r, -ris, -tur, -mur, -minī, -ntur.

  3. 03Samenvoegen

    Derde persoon meervoud, imperfectum, indicatief, passief van „regere, regō, rēxī, rēctum”.

Resultaat: „regēbantur” = 3e persoon meervoud imperfectum indicatief passief van „regere”: „zij werden bestuurd / men bestuurde hen”. Het imperfectum blijkt uit -ēbā-, het passief uit de uitgang -ntur.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een werkwoordsvorm volledig determineren — persoon, getal, tijd, wijs en genus — en het bijbehorende grondwoord (de hoofdvormen) noemen.
  • Examendoel: dubbelzinnige vormen onderscheiden met de context, bijvoorbeeld futurum tegenover coniunctivus praesens (regam), of perfectum tegenover andere -it-vormen.

Veelgemaakte fouten

  • De praesens- en de perfectumstam door elkaar halen, waardoor je een perfectumvorm (bijv. „vēnit”, hij kwam) als praesens (bijv. „venit”, hij komt) leest — het onderscheid ligt vaak in één klinker of medeklinker.
  • Het imperfectum-teken -bā- of het futurum-teken -bi- niet herkennen en zo de tijd verkeerd bepalen (bijv. „amābat” als praesens vertalen).

Actieve herhaling

Determineer volledig (persoon, getal, tijd, wijs, genus) en geef het grondwoord: (1) regēbantur, (2) audiēmus, (3) cēpistī, (4) ferunt, (5) amātus erat. Geef bij (1) aan hoe je ziet dat het imperfectum passief is.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Latijnse taal en cultuur VWO — domein A (taalreflectie: morfologie) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Substantiva: de vijf declinaties○
    • 02Adjectiva en de trappen van vergelijking◐
    • 03Pronomina: de voornaamwoorden◐
    • 04Werkwoorden: de vier conjugaties, de tijden en de onregelmatige werkwoorden●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Morfologie (vormleer): naamwoorden, werkwoorden en voornaamwoorden

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~17
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Latijnse taal en cultuur VWO — domein A (taalreflectie: morfologie)

Volgend onderwerp

Syntaxis: naamvallen, congruentie en zinsdelen

EuraStudy·Samenvattingen T·01·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.