EuraStudy
Samenvattingen/Economie/Schaarste, keuze en opportuniteitskosten
Samenvattingen · EconomieNL · VWO

Schaarste, keuze en opportuniteitskosten

Schaarste is het uitgangspunt van de hele economie: behoeften zijn onbegrensd, maar de middelen om ze te bevredigen zijn beperkt. Daarom moet er gekozen worden, en elke keuze heeft opportuniteitskosten — het beste opgeofferde alternatief. Dit onderwerp behandelt schaarste, de rationele keuze, de productiemogelijkhedencurve met toenemende opportuniteitskosten, en de budgetlijn van de consument.

4 Onderdelen·~15 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 3

T·0222 / 17
Examenprofiel
Schaarste verklaren uit de spanning tussen onbegrensde behoeften en beperkte middelen (domein B).Opportuniteitskosten van een keuze bepalen en gebruiken bij het maken van een rationele afweging.De productiemogelijkhedencurve tekenen en interpreteren, inclusief efficiëntie en toenemende opportuniteitskosten.De budgetlijn van de consument opstellen en de gevolgen van inkomens- en prijsveranderingen analyseren.
Operatoren:leg uitberekenbepaalverklaartekenberedeneerinterpreteer

basisniveau

Voor iedereen: schaarste, keuze, opportuniteitskosten, de productiemogelijkhedencurve en de budgetlijn horen tot de kern van domein B (schaarste) op het centraal examen.

verhoogd niveau

Verdieping: toenemende opportuniteitskosten koppelen aan de bolle vorm van de PMC en de budgetlijn gebruiken om consumentenkeuzes bij prijs- en inkomensveranderingen te analyseren.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Schaarste, keuze en opportuniteitskosten
    • 01Schaarste, behoeften en middelen○
    • 02Opportuniteitskosten en de rationele keuze◐
    • 03De productiemogelijkhedencurve◐
    • 04De budgetlijn van de consument◐
§ 01

Schaarste, behoeften en middelen#

●○○BasisLPexamenblad-economie-domein-B

Kernpunten

Economie is de wetenschap van de schaarste. Schaarste betekent niet ‘er is weinig van’, maar dat de middelen beperkt zijn ten opzichte van de behoeften die mensen ermee willen bevredigen. Mensen hebben in beginsel onbegrensde behoeften — is de ene vervuld, dan dient de volgende zich aan — terwijl de middelen (tijd, geld, grondstoffen, arbeid, kapitaal) altijd begrensd zijn. In Afb. 1 zie je die kern als een keten: uit de spanning tussen onbegrensde behoeften en beperkte middelen volgt de noodzaak om te kiezen, en elke keuze brengt opportuniteitskosten met zich mee.

Van schaarste naar keuze

Schaarste dwingt tot kiezenGraaf, onbegrensde behoeften → schaarste, beperkte middelen → schaarste, schaarste → kiezen (afweging), kiezen (afweging) → opportuniteitskostenonbegrensdebehoeftenbeperktemiddelenschaarstekiezen(afweging)opportuniteitskosten
Afb. 1Afb. 1 — De grondgedachte van de economie: onbegrensde behoeften botsen met beperkte middelen (schaarste); daaruit volgt de noodzaak te kiezen, en elke keuze heeft opportuniteitskosten.
Een goed is schaars als je er iets voor moet opofferen om het te krijgen — meestal geld, dat je aan iets anders had kunnen besteden. Vrije goederen, zoals (op de meeste plaatsen) lucht, zijn níet schaars omdat je er niets voor hoeft op te geven. De middelen om te produceren heten de productiefactoren: arbeid, natuur (grond en grondstoffen), kapitaal (machines, gebouwen) en ondernemerschap. Omdat deze productiefactoren schaars zijn, is ook wat je ermee kunt maken beperkt, en dat dwingt tot voortdurend afwegen.
Omdat niet alles tegelijk kan, moet elk economisch subject — een consument, een bedrijf, de overheid — keuzes maken. De centrale economische vragen zijn: wát wordt geproduceerd, hóe (met welke productiefactoren) en vóór wie (hoe wordt de opbrengst verdeeld). In een markteconomie worden die vragen vooral via prijzen en markten beantwoord, in een centraal geleide economie vooral door de overheid; in werkelijkheid is elke economie een gemengde economie met beide elementen. Schaarste is dus geen tijdelijk ongemak maar het permanente uitgangspunt dat het hele vak structureert.
Het economisch handelen wordt vaak beschreven met het beeld van de rationele, calculerende mens (de homo economicus): een subject dat zijn beperkte middelen zó inzet dat het de grootst mogelijke behoeftebevrediging (nut of welvaart) bereikt. Dat is een vereenvoudigend model — echte mensen wegen niet alles perfect af en laten zich leiden door gewoonte, emotie en beperkte informatie — maar het is een krachtig vertrekpunt om gedrag te voorspellen. In de volgende paragrafen maken we de afweging concreet met opportuniteitskosten, de productiemogelijkhedencurve en de budgetlijn.
Uitgewerkt voorbeeld

Schaarste en de centrale economische vragen

Een gemeente heeft een braakliggend terrein en een budget van €2 miljoen. Ze kan er een stadspark óf een parkeergarage aanleggen. Leg met de begrippen schaarste en de centrale economische vragen uit waarom de gemeente moet kiezen, en benoem de opportuniteitskosten.

  1. 01Schaarste vaststellen

    Het terrein en de €2 miljoen zijn beperkte middelen, terwijl er meerdere behoeften zijn (groen én parkeerruimte). De middelen schieten tekort voor beide: er is schaarste, dus er moet gekozen worden.

  2. 02De centrale vragen

    Wát wordt geproduceerd (park of garage), hóe (met welke productiefactoren: grond, arbeid, kapitaal) en vóór wie (omwonenden die groen willen, of automobilisten die willen parkeren).

  3. 03Opportuniteitskosten

    Kiest de gemeente voor het park, dan zijn de opportuniteitskosten de gemiste parkeergarage — het beste opgeofferde alternatief. Datzelfde geldt omgekeerd.

Resultaat: Omdat de middelen (terrein en geld) schaars zijn, kan niet in beide behoeften volledig worden voorzien; de gemeente moet de centrale vragen wat/hoe/voor wie beantwoorden en draagt de opportuniteitskosten van het opgegeven alternatief.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: schaarste verklaren als de verhouding tussen onbegrensde behoeften en beperkte middelen, en het onderscheid schaarse/vrije goederen toepassen.
  • Examendoel: de vier productiefactoren benoemen en de drie centrale economische vragen (wat, hoe, voor wie) herkennen.

Veelgemaakte fouten

  • Schaarste gelijkstellen aan ‘weinig beschikbaar’ in plaats van ‘beperkt ten opzichte van de behoeften’ (ook overvloedige goederen kunnen schaars zijn).
  • Geld als productiefactor rekenen; geld is een ruilmiddel, de productiefactoren zijn arbeid, natuur, kapitaal en ondernemerschap.

Actieve herhaling

Leg uit waarom drinkwater uit de kraan in Nederland een schaars goed is, terwijl regenwater dat niet altijd is. Gebruik in je antwoord de begrippen behoefte, middel en opofferen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein B (schaarste) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Opportuniteitskosten en de rationele keuze#

●●○StandaardLPexamenblad-economie-domein-B

Opportuniteitskosten van een tijdsbesteding

Elke keuze heeft opportuniteitskostenTabel met 3 kolommen en 3 rijen, Gegevens: keuze voor dit uur · opbrengst · beste opgeofferde alternatief (opportuniteitskosten); werken · €12 loon · een uur studeren; studeren · hoger toetscijfer · €12 loon; sporten · gezondheid/plezier · €12 loon of studietijdKEUZE VOOR DIT UUROPBRENGSTBESTE OPGEOFFERDEALTERNATIEF(OPPORTUNITEITSKOSTEN)werken€12 looneen uur studerenstuderenhoger toetscijfer€12 loonsportengezondheid/plezier€12 loon of studietijd
Afb. 2Afb. 2 — Dezelfde middelen (één uur) kunnen maar aan één ding worden besteed. De opportuniteitskosten zijn telkens de waarde van het beste alternatief dat je opgeeft.

Kernpunten

De opportuniteitskosten (alternatieve kosten) van een keuze zijn de waarde van het beste alternatief dat je opgeeft. Omdat je je middelen maar één keer kunt inzetten, kost elke keuze je de mogelijkheid om iets anders te doen. Wie een uur studeert in plaats van te werken tegen €12 per uur, heeft opportuniteitskosten van €12 — het loon dat hij misloopt. De opportuniteitskosten zijn dus niet altijd een uitgave: het gaat om alles wat je door je keuze niet meer kunt doen of hebben, gemeten in het beste opgeofferde alternatief.
De rationele keuze is de afweging waarbij je de baten van een optie vergelijkt met de opportuniteitskosten ervan. Een keuze is verstandig zolang de extra baten (het marginale nut of de marginale opbrengst) minstens zo groot zijn als de opportuniteitskosten. Economen denken hierbij ‘marginaal’: niet ‘studeren of werken?’ als alles-of-niets, maar ‘loont het óm nog een uur méér te studeren?’. Zolang het extra rendement van dat uur groter is dan het gemiste loon, is doorgaan rationeel; is het kleiner, dan kun je beter stoppen.
Bij het bepalen van opportuniteitskosten tellen alleen kosten mee die van je keuze afhangen. Kosten die je toch al hebt gemaakt en niet meer kunt terugdraaien — verzonken kosten (sunk costs) — horen er níet in thuis. Wie al €30 voor een concertkaartje heeft betaald dat niet terug te geven is, moet bij de vraag ‘ga ik erheen?’ alleen kijken naar wat het bezoek nog oplevert versus wat hij dan opgeeft, niet naar die €30. Dit ‘sunk-cost-denken’ vermijden is een klassieke examentoepassing van rationeel kiezen.
Opportuniteitskosten verklaren waarom er geen ‘gratis lunch’ bestaat: zelfs vrije tijd of een cadeau heeft kosten in de vorm van gemiste alternatieven. Het begrip keert overal terug: de opportuniteitskosten van sparen zijn de gemiste consumptie nu; van een investering het rendement van de best gemiste andere investering; van produceren van het ene goed het opgegeven andere goed (de productiemogelijkhedencurve in §3). Wie leert om bij elke beslissing te vragen ‘wat geef ik hiervoor op?’, denkt als een econoom.
rationele keuze:marginale baten  ≥  opportuniteitskosten\text{rationele keuze:}\quad \text{marginale baten}\;\geq\;\text{opportuniteitskosten}rationele keuze:marginale baten≥opportuniteitskosten

Beslisregel

Ga door zolang de extra baten de opgeofferde waarde minstens dekken.

Uitgewerkt voorbeeld

Opportuniteitskosten van een studiekeuze

Lisa kan tijdens een vrije middag van 4 uur bijbaanwerk doen tegen €13 per uur, of gaan studeren. Ze kiest ervoor 4 uur te studeren. Bereken de opportuniteitskosten van die keuze in euro's en leg uit waarom een reeds gekocht, niet-restitueerbaar studieboek van €40 hier niet meetelt.

  1. 01Beste alternatief bepalen

    Het beste alternatief voor de 4 studie-uren is het bijbaanwerk: 4× EUR13= EUR524\times\,\text{EUR}13=\,\text{EUR}524×EUR13=EUR52 aan gemist loon.

  2. 02Opportuniteitskosten

    De opportuniteitskosten van studeren zijn dus €52 — de waarde van het opgeofferde alternatief.

  3. 03Verzonken kosten uitsluiten

    De €40 voor het boek is al betaald en niet terug te krijgen; het is een verzonken kostenpost die niet van deze keuze afhangt en dus niet meetelt in de opportuniteitskosten.

Resultaat: De opportuniteitskosten van de 4 studie-uren zijn €52 (gemist loon); de €40 van het boek is een verzonken kost en telt niet mee.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de opportuniteitskosten van een keuze bepalen als de waarde van het beste opgeofferde alternatief.
  • Examendoel: verzonken kosten herkennen en buiten de afweging houden bij een rationele beslissing.

Veelgemaakte fouten

  • Alle kosten van álle afgewezen alternatieven optellen; alleen het béste opgeofferde alternatief telt mee.
  • Verzonken kosten toch meewegen (‘ik heb er al voor betaald, dus ik moet gaan’) in plaats van vooruit te kijken naar de baten en opportuniteitskosten.

Actieve herhaling

Een ondernemer kan €50.000 op een spaarrekening zetten tegen 3% rente of investeren in een machine. Leg uit wat de opportuniteitskosten van de investering zijn en bij welk rendement de investering rationeel is.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein B (schaarste) (CvTE / Examenblad)

§ 03

De productiemogelijkhedencurve#

●●○StandaardLPexamenblad-economie-domein-B

Toenemende opportuniteitskosten in een PMC-tabel

Toenemende opportuniteitskostenTabel met 3 kolommen en 5 rijen, Gegevens: voedsel · kleding · opgegeven kleding per stap; 0 · 100 · —; 10 · 90 · 10; 20 · 75 · 15; 30 · 55 · 20; 40 · 30 · 25VOEDSELKLEDINGOPGEGEVEN KLEDING PERSTAP0100—109010207515305520403025
Afb. 4Afb. 4 — Discrete PMC. Elke stap van 10 eenheden voedsel erbij kost steeds méér kleding (10, 15, 20, 25): toenemende opportuniteitskosten.

Kernpunten

De productiemogelijkhedencurve (PMC, ook transformatiecurve) toont alle combinaties van twee goederen die een economie met haar volledige inzet van productiefactoren maximaal kan produceren. In Afb. 3 staat op de assen de productie van twee goederen; elk punt óp de curve is een efficiënte combinatie waarbij alle middelen volledig en doelmatig worden benut. Wil je van het ene goed méér, dan moet je van het andere iets inleveren — de curve maakt de opportuniteitskosten van een economie zichtbaar als een ruilverhouding tussen twee goederen.

De productiemogelijkhedencurve met drie soorten punten

ProductiemogelijkhedencurveSchaubild von PMC, Nullstellen bei x = 10, y-Achsenabschnitt bei y = 10, fallend, im Bereich x von 0 bis 10246810246810E: efficiëntB: onderbenuttingO: onbereikbaarPMCgoed Ygoed X
Afb. 3Afb. 3 — Productiemogelijkhedencurve. Punt E ligt op de curve (efficiënt), punt B eronder (onbenutte middelen), punt O erboven (onbereikbaar). De bolle vorm toont toenemende opportuniteitskosten.
De ligging van een punt vertelt precies wat er aan de hand is. Een punt óp de curve is efficiënt: er is geen productie te winnen zonder van het andere goed in te leveren. Een punt bínnen de curve is inefficiënt of duidt op onderbenutting — er zijn onbenutte middelen (bijvoorbeeld werkloosheid), zodat van beide goederen méér mogelijk is. Een punt búiten de curve is met de huidige middelen en techniek onbereikbaar. In Afb. 3 zijn deze drie situaties gemarkeerd: het efficiënte punt op de boog, het inefficiënte punt eronder en het onbereikbare punt erboven.
De curve is meestal bol (naar de oorsprong hol), en dat drukt toenemende opportuniteitskosten uit. Naarmate je van het ene goed steeds méér produceert, moet je voor elke extra eenheid een steeds gróter deel van het andere goed opgeven. Dat komt doordat productiefactoren niet overal even geschikt zijn: eerst zet je de best passende middelen in, daarna de steeds minder geschikte, die per eenheid minder opleveren. Een rechte PMC zou juist constante opportuniteitskosten betekenen; de bolle vorm is de grafische vertaling van ‘de tweede stap kost meer dan de eerste’.
De PMC kan verschuiven. Economische groei — meer productiefactoren (meer arbeid of kapitaal) of betere techniek — schuift de hele curve naar buiten, zodat van beide goederen meer kan worden geproduceerd. Een ramp, oorlog of krimpende beroepsbevolking schuift hem naar binnen. Een verbetering die maar één goed treft (bijvoorbeeld nieuwe landbouwtechniek) draait de curve scheef: het snijpunt met die as schuift verder uit dan het andere. Zo verbindt de PMC de microkeuze (welke combinatie kiezen we?) met de macrovraag naar groei die verderop in het programma terugkeert.
Uitgewerkt voorbeeld

Opportuniteitskosten aflezen uit een PMC

Gebruik de tabel van Afb. 4. Bereken de opportuniteitskosten van de derde stap (van 20 naar 30 eenheden voedsel), uitgedrukt in kleding per eenheid voedsel, en leg uit wat de oplopende reeks over de vorm van de curve zegt.

  1. 01Verandering aflezen

    Van 20 naar 30 voedsel stijgt de productie met 10 voedsel; de kleding daalt van 75 naar 55, dus −20-20−20 kleding.

  2. 02Per eenheid voedsel

    20 kleding10 voedsel=2\frac{20\text{ kleding}}{10\text{ voedsel}}=210 voedsel20 kleding​=2 kleding per eenheid voedsel.

  3. 03Interpretatie

    De opportuniteitskosten lopen op (10, 15, 20, 25 kleding per stap van 10). Dat oplopen hoort bij een bolle PMC: elke extra eenheid voedsel kost steeds meer kleding.

Resultaat: De opportuniteitskosten van de derde stap zijn 20 kleding, oftewel 2 kleding per eenheid voedsel; de oplopende reeks bevestigt de bolle vorm (toenemende opportuniteitskosten).

Eindexamen-focus

  • Examendoel: punten op, binnen en buiten de PMC interpreteren (efficiënt, onderbenutting, onbereikbaar).
  • Examendoel: toenemende opportuniteitskosten aflezen en koppelen aan de bolle vorm; een verschuiving van de PMC verklaren.

Veelgemaakte fouten

  • Een punt binnen de curve ‘onmogelijk’ noemen; dat is juist bereikbaar maar inefficiënt (onbenutte middelen).
  • Een verschuiving van de hele PMC (groei) verwarren met een beweging langs de curve (andere combinatie bij gelijke middelen).

Actieve herhaling

Een land kan met zijn productiefactoren óf 200 machines óf 500 consumptiegoederen maken, met een bolle PMC daartussen. Leg uit wat er met de PMC gebeurt bij (a) een grote toename van de beroepsbevolking en (b) een technische verbetering die alleen de machinebouw efficiënter maakt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein B (schaarste) (CvTE / Examenblad)

§ 04

De budgetlijn van de consument#

●●○StandaardLPexamenblad-economie-domein-B

Kernpunten

De budgetlijn (of budgetrestrictie) toont alle combinaties van twee goederen die een consument met zijn hele inkomen precies kan kopen, gegeven de prijzen. Als het inkomen III is en de prijzen pxp_xpx​ en pyp_ypy​, dan geldt op de lijn px⋅x+py⋅y=Ip_x\cdot x + p_y\cdot y = Ipx​⋅x+py​⋅y=I. De budgetlijn is voor de consument wat de PMC voor de producent is: een grens tussen het haalbare (op en onder de lijn) en het onhaalbare (erboven). In Afb. 5 zie je zo'n lijn; punten eronder laten inkomen onbenut, punten erop besteden alles.

Budgetlijn en een inkomensstijging

Budgetlijn en inkomensstijgingSchaubild von I = €120, Nullstellen bei x = 12, y-Achsenabschnitt bei y = 6, fallend, im Bereich x von 0 bis 12, Schaubild von I = €160, Nullstellen bei x = 16, y-Achsenabschnitt bei y = 8, fallend, im Bereich x von 0 bis 1624681012141624686 stuks Y12 stuks XI = €120I = €160goed Y (p = €20)goed X (p = €10)
Afb. 5Afb. 5 — Budgetlijn bij inkomen €120 (y = 6 − 0,5x) en bij €160 (y = 8 − 0,5x). Een hoger inkomen schuift de lijn evenwijdig naar buiten; de helling −0,5 (prijsverhouding) blijft gelijk.
De uiteinden en de helling van de budgetlijn hebben een duidelijke betekenis. Het snijpunt met een as geeft aan hoeveel van dat ene goed je maximaal kunt kopen als je al je geld eraan uitgeeft: Ipx\frac{I}{p_x}px​I​ op de horizontale as en Ipy\frac{I}{p_y}py​I​ op de verticale. De helling is −pxpy-\frac{p_x}{p_y}−py​px​​: de ruilverhouding waartegen de markt het ene goed voor het andere ‘inruilt’. Bij een inkomen van €120, px= EUR10p_x=\,\text{EUR}10px​=EUR10 en py= EUR20p_y=\,\text{EUR}20py​=EUR20 kun je maximaal 12 stuks X of 6 stuks Y kopen; de helling −1020=−0,5-\tfrac{10}{20}=-0{,}5−2010​=−0,5 betekent dat één X extra twee keer zo goedkoop is als één Y en dus een halve Y kost.
De budgetlijn verschuift als het inkomen of een prijs verandert. Een hoger inkomen schuift de hele lijn evenwijdig naar buiten (meer van beide goederen mogelijk), een lager inkomen naar binnen; de helling blijft gelijk want de prijsverhouding verandert niet. Verandert alleen de príjs van één goed, dan draait de lijn om het snijpunt met de ándere as: wordt goed X goedkoper, dan schuift alleen het X-uiteinde naar buiten en wordt de lijn vlakker. Zo kun je met de budgetlijn het effect van koopkracht- en prijsveranderingen op de keuzeruimte van de consument grafisch analyseren.
De consument kiest binnen de budgetlijn de combinatie die hem het meeste nut oplevert; dat optimum ligt altijd óp de lijn (want al het inkomen besteden geeft meer nut dan geld overhouden). Waar precies op de lijn hangt af van zijn voorkeuren. De budgetlijn zelf zegt niets over die voorkeuren — hij geeft alleen de haalbare verzameling weer — maar hij is onmisbaar om te laten zien hóe prijzen en inkomen de keuzeruimte begrenzen. Daarmee vormt de budgetlijn de brug tussen schaarste op individueel niveau en het marktgedrag (vraag) dat in het volgende domein centraal staat.
px⋅x+py⋅y=Ip_x\cdot x + p_y\cdot y = Ipx​⋅x+py​⋅y=I

Budgetlijn

Alle combinaties (x,y)(x,y)(x,y) die het inkomen III precies opmaken bij prijzen pxp_xpx​ en pyp_ypy​.

helling=−pxpy\text{helling}=-\frac{p_x}{p_y}helling=−py​px​​

Helling van de budgetlijn

De marktruilverhouding tussen de twee goederen.

Uitgewerkt voorbeeld

Budgetlijn opstellen en een prijsdaling analyseren

Een consument heeft €120. Goed X kost €10, goed Y kost €20. Stel de budgetlijn op (y als functie van x) en bepaal de maximale hoeveelheden. Wat gebeurt er met de lijn als de prijs van X daalt naar €6?

  1. 01Budgetvergelijking

    10x+20y=12010x+20y=12010x+20y=120. Deel door 20: y=6−0,5xy=6-0{,}5xy=6−0,5x.

  2. 02Maximale hoeveelheden

    Alles aan X: 12010=12\frac{120}{10}=1210120​=12 stuks. Alles aan Y: 12020=6\frac{120}{20}=620120​=6 stuks.

  3. 03Prijs van X daalt naar €6

    Nu 6x+20y=1206x+20y=1206x+20y=120, dus y=6−0,3xy=6-0{,}3xy=6−0,3x. Het Y-uiteinde (6) blijft gelijk, maar je kunt nu maximaal 1206=20\frac{120}{6}=206120​=20 stuks X kopen: de lijn draait om het punt (0, 6) naar buiten en wordt vlakker.

Resultaat: De budgetlijn is y = 6 − 0,5x (maximaal 12 X of 6 Y). Na de prijsdaling van X wordt het y = 6 − 0,3x: de lijn draait om (0, 6) naar buiten, want X is goedkoper geworden.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een budgetlijn opstellen uit inkomen en prijzen en de maximale hoeveelheden en de helling bepalen.
  • Examendoel: het effect van een inkomens- of prijsverandering op de budgetlijn (verschuiven versus draaien) analyseren.

Veelgemaakte fouten

  • Een prijsverandering als een evenwijdige verschuiving tekenen; alleen een inkomensverandering verschuift de lijn evenwijdig, een prijsverandering laat hem draaien.
  • De helling verwarren met de prijsverhouding: de helling is −pₓ/p_y, dus het goedkopere goed geeft juist het verre (grote) asuiteinde.

Actieve herhaling

Een student heeft €90 per week. Een maaltijd kost €6 en een bioscoopbezoek €9. Stel de budgetlijn op, bereken de maximale hoeveelheden van elk en teken wat er gebeurt als het weekbudget stijgt naar €120.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein B (schaarste) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Schaarste, behoeften en middelen○
    • 02Opportuniteitskosten en de rationele keuze◐
    • 03De productiemogelijkhedencurve◐
    • 04De budgetlijn van de consument◐

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Schaarste, keuze en opportuniteitskosten

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~15
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma economie vwo — domein B (schaarste)

Vorig onderwerp

Economische en wiskundige vaardigheden

Volgend onderwerp

Ruil, arbeidsverdeling en geld

EuraStudy·Samenvattingen T·02·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.