EuraStudy
Samenvattingen/Economie/Markt: vraag, aanbod en evenwicht
Samenvattingen · EconomieNL · VWO

Markt: vraag, aanbod en evenwicht

Op een markt komen vraag en aanbod samen en ontstaat via de prijs een evenwicht. Dit onderwerp behandelt de vraag- en aanbodfunctie, het berekenen van evenwichtsprijs en -hoeveelheid, de oorzaken van verschuivingen van de curves, de prijs-, inkomens- en kruiselasticiteit, en het effect van overheidsingrijpen met maximumprijzen, minimumprijzen en heffingen.

4 Onderdelen·~15 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 1 · Verdieping 2

T·0444 / 17
Examenprofiel
De vraag- en aanbodfunctie opstellen en de evenwichtsprijs en -hoeveelheid berekenen (domein D).Verschuivingen van vraag en aanbod verklaren en onderscheiden van bewegingen langs de curve.Prijs-, inkomens- en kruiselasticiteit berekenen en interpreteren.Het effect van maximumprijs, minimumprijs en heffing op prijs, hoeveelheid en markt analyseren.
Operatoren:berekenbepaalleg uitverklaartekentoon aaninterpreteerberedeneer

basisniveau

Voor iedereen: vraag, aanbod, evenwicht, verschuivingen en de prijselasticiteit horen tot de kern van domein D op het centraal examen.

verhoogd niveau

Verdieping: elasticiteiten combineren met omzet- en welvaartseffecten en het effect van heffingen en prijsregulering grafisch en rekenkundig analyseren.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Markt: vraag, aanbod en evenwicht
    • 01Vraag, aanbod en het marktevenwicht○
    • 02Verschuivingen van vraag en aanbod◐
    • 03Elasticiteiten●
    • 04Overheidsingrijpen: prijzen en heffingen●
§ 01

Vraag, aanbod en het marktevenwicht#

●○○BasisLPexamenblad-economie-domein-D

Kernpunten

De vraag naar een goed geeft aan hoeveel consumenten ervan willen kopen bij elke prijs. De vraaglijn loopt dalend: bij een hogere prijs kopen consumenten minder (de wet van de dalende vraag), doordat het goed relatief duurder wordt (substitutie-effect) en de koopkracht daalt (inkomenseffect). In Afb. 1 staat de prijs PPP op de verticale as en de hoeveelheid QQQ op de horizontale, zoals gebruikelijk in de economie. De vraagfunctie wordt vaak geschreven als Qv=a−bPQ_v = a - bPQv​=a−bP of, met de prijs alleen, als P=20−2QP = 20 - 2QP=20−2Q; beide beschrijven dezelfde dalende lijn.

Marktevenwicht van vraag en aanbod

Vraag, aanbod en evenwichtSchaubild von vraag, Nullstellen bei x = 10, y-Achsenabschnitt bei y = 20, fallend, im Bereich x von 0 bis 10, Schaubild von aanbod, y-Achsenabschnitt bei y = 2, steigend, im Bereich x von 0 bis 102468105101520E (6; €8)vraagaanbodprijs P (€)hoeveelheid Q
Afb. 1Afb. 1 — Marktevenwicht. De vraag P = 20 − 2Q en het aanbod P = 2 + Q snijden elkaar bij het evenwicht E (Q = 6, P = €8). Boven €8 ontstaat een overschot, onder €8 een tekort.
Het aanbod geeft aan hoeveel producenten willen verkopen bij elke prijs. De aanbodlijn loopt stijgend: bij een hogere prijs is produceren aantrekkelijker en komt er meer op de markt, en op de korte termijn stijgen door schaarser wordende productiefactoren ook de marginale kosten. In Afb. 1 is het aanbod P=2+QP = 2 + QP=2+Q. Belangrijk is het onderscheid tussen de individuele en de collectieve (markt)vraag of -aanbod: de marktcurve krijg je door bij elke prijs de hoeveelheden van alle vragers respectievelijk aanbieders horizontaal op te tellen.
Het marktevenwicht ligt waar de vraaglijn de aanbodlijn snijdt: daar is de gevraagde hoeveelheid precies gelijk aan de aangeboden hoeveelheid. De bijbehorende prijs is de evenwichtsprijs, de hoeveelheid de evenwichtshoeveelheid. In Afb. 1 kruisen P=20−2QP = 20 - 2QP=20−2Q en P=2+QP = 2 + QP=2+Q elkaar bij Q=6Q = 6Q=6 en P= EUR8P =\,\text{EUR}8P=EUR8. Bij een hogere prijs dan €8 is er een aanbodoverschot (meer aanbod dan vraag), waardoor de prijs onder druk komt; bij een lagere prijs een vraagoverschot (tekort), dat de prijs opdrijft. Zo stuurt het prijsmechanisme de markt vanzelf naar het evenwicht.
Het evenwicht bereken je door de vraag- en aanbodfunctie aan elkaar gelijk te stellen en op te lossen naar QQQ (of PPP). Vul je die QQQ in één van beide functies in, dan vind je de evenwichtsprijs. Dit prijsmechanisme heeft een coördinerende functie: zonder centrale regie zorgt het ervoor dat schaarse goederen terechtkomen bij wie er het meeste voor over heeft en dat de productie zich richt op wat gevraagd wordt. Prijzen zijn zo signalen (schaarste) én prikkels (winst) tegelijk — het onzichtbare-handmechanisme dat de markt organiseert.
Qv=a−bP,Qa=c+dPQ_v = a - bP,\qquad Q_a = c + dPQv​=a−bP,Qa​=c+dP

Vraag- en aanbodfunctie

Dalende vraag (b>0b>0b>0), stijgend aanbod (d>0d>0d>0).

Qv=Qa ⇒ Pevenwicht, QevenwichtQ_v = Q_a\ \Rightarrow\ P_{\text{evenwicht}},\ Q_{\text{evenwicht}}Qv​=Qa​ ⇒ Pevenwicht​, Qevenwicht​

Evenwichtsvoorwaarde

Stel vraag gelijk aan aanbod en los op.

Uitgewerkt voorbeeld

Evenwichtsprijs en -hoeveelheid berekenen

De vraag naar een product is Qv = 20 − 2P en het aanbod Qa = 2P − 4 (P in euro's, Q in duizenden stuks). Bereken de evenwichtsprijs en de evenwichtshoeveelheid.

  1. 01Vraag = aanbod

    20−2P=2P−420-2P = 2P-420−2P=2P−4.

  2. 02Oplossen naar P

    20+4=2P+2P⇒24=4P⇒P=620+4 = 2P+2P \Rightarrow 24 = 4P \Rightarrow P = 620+4=2P+2P⇒24=4P⇒P=6.

  3. 03Hoeveelheid berekenen

    Vul P=6P=6P=6 in de vraag: Qv=20−2×6=8Q_v = 20 - 2\times6 = 8Qv​=20−2×6=8. Controle met het aanbod: Qa=2×6−4=8Q_a = 2\times6 - 4 = 8Qa​=2×6−4=8. Klopt.

Resultaat: De evenwichtsprijs is €6 en de evenwichtshoeveelheid 8 (duizend stuks).

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de evenwichtsprijs en -hoeveelheid berekenen door de vraag- en aanbodfunctie gelijk te stellen.
  • Examendoel: een overschot of tekort verklaren bij een prijs boven of onder het evenwicht en de rol van het prijsmechanisme uitleggen.

Veelgemaakte fouten

  • De vraag- en aanbodfunctie verwisselen of een teken fout overnemen, waardoor een negatieve of onlogische prijs of hoeveelheid ontstaat.
  • Vergeten de gevonden prijs terug in te vullen om de hoeveelheid te berekenen (of andersom), of het antwoord niet controleren in de andere functie.

Actieve herhaling

De vraag is Qv = 120 − 4P en het aanbod Qa = 6P − 30. Bereken de evenwichtsprijs en -hoeveelheid en bepaal of er bij een prijs van €12 een overschot of tekort is en hoe groot.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein D (markt) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Verschuivingen van vraag en aanbod#

●●○StandaardLPexamenblad-economie-domein-D

Kernpunten

Er is een scherp verschil tussen een beweging lángs een curve en een verschuiving ván de curve. Een prijsverandering veroorzaakt een beweging langs de vraag- of aanbodlijn: de gevraagde of aangeboden hoeveelheid verandert, maar de lijn zelf blijft liggen. Verandert er iets ánders dan de prijs van het goed zelf, dan verschuift de hele curve. Dit onderscheid is de sleutel tot bijna elke marktvraag op het examen: benoem eerst wélke curve verschuift en in welke richting, en bepaal dan het nieuwe snijpunt. Afb. 2 laat een rechtwaartse verschuiving van de vraag zien met een nieuw, hoger evenwicht.

Rechtwaartse verschuiving van de vraag

Verschuiving van de vraagSchaubild von vraag₁, Nullstellen bei x = 10, y-Achsenabschnitt bei y = 20, fallend, im Bereich x von 0 bis 12, Schaubild von vraag₂, y-Achsenabschnitt bei y = 26, fallend, im Bereich x von 0 bis 12, Schaubild von aanbod, y-Achsenabschnitt bei y = 2, steigend, im Bereich x von 0 bis 1224681012510152025E₁ (6; €8)E₂ (8; €10)vraag₁vraag₂aanbodprijs P (€)hoeveelheid Q
Afb. 2Afb. 2 — Een toename van de vraag (van P = 20 − 2Q naar P = 26 − 2Q) verschuift het evenwicht van E₁ (6; €8) naar E₂ (8; €10): zowel de prijs als de hoeveelheid stijgt.
De vraagcurve verschuift door de zogeheten vraagbepalende factoren: het inkomen van consumenten, de prijzen van andere goederen (substituten en complementen), voorkeuren en verwachtingen, en het aantal vragers. Stijgt het inkomen, dan verschuift de vraag naar een normaal goed naar rechts (bij elke prijs meer gevraagd). Wordt een substituut duurder, dan stijgt de vraag naar dit goed; wordt een complement duurder, dan daalt ze. Een rechtwaartse vraagverschuiving verhoogt zowel de evenwichtsprijs als de evenwichtshoeveelheid; een linkse verlaagt beide.
De aanbodcurve verschuift door de aanbodbepalende factoren: de kosten van productiefactoren, de techniek, belastingen en subsidies, en het aantal aanbieders. Dalen de productiekosten of verbetert de techniek, dan verschuift het aanbod naar rechts (bij elke prijs meer aangeboden), wat de evenwichtsprijs verlaagt en de evenwichtshoeveelheid verhoogt. Een heffing of duurdere grondstof verschuift het aanbod juist naar links: hogere prijs, lagere hoeveelheid. Zo vertaalt elke kostenschok of technologische verandering zich in een nieuw marktevenwicht.
Verschuiven vraag en aanbod tegelijk, dan is één van beide uitkomsten (prijs of hoeveelheid) eenduidig en de andere afhankelijk van welke verschuiving groter is. Stijgt bijvoorbeeld de vraag én daalt het aanbod, dan stijgt de prijs zeker, maar de hoeveelheid kan zowel toe- als afnemen. Bij zulke opgaven redeneer je stap voor stap: teken beide verschuivingen, bepaal het effect op het snijpunt, en geef aan wat wél en wat níet zeker is. De methode blijft steeds: identificeer de oorzaak, koppel die aan de juiste curve en richting, en lees het nieuwe evenwicht af.
↑vraag⇒↑Pev, ↑Qev\uparrow \text{vraag} \Rightarrow \uparrow P_{\text{ev}},\ \uparrow Q_{\text{ev}}↑vraag⇒↑Pev​, ↑Qev​

Rechtwaartse vraagverschuiving

Bij toenemende vraag stijgen zowel prijs als hoeveelheid.

↑aanbod⇒↓Pev, ↑Qev\uparrow \text{aanbod} \Rightarrow \downarrow P_{\text{ev}},\ \uparrow Q_{\text{ev}}↑aanbod⇒↓Pev​, ↑Qev​

Rechtwaartse aanbodverschuiving

Bij toenemend aanbod daalt de prijs en stijgt de hoeveelheid.

Uitgewerkt voorbeeld

Nieuw evenwicht na een vraagverschuiving

De vraag was P = 20 − 2Q en het aanbod P = 2 + Q, met evenwicht (6; €8). Door een gestegen inkomen verschuift de vraag naar P = 26 − 2Q. Bereken het nieuwe evenwicht en beschrijf de verandering.

  1. 01Nieuwe vraag = aanbod

    26−2Q=2+Q26 - 2Q = 2 + Q26−2Q=2+Q.

  2. 02Oplossen

    26−2=Q+2Q⇒24=3Q⇒Q=826 - 2 = Q + 2Q \Rightarrow 24 = 3Q \Rightarrow Q = 826−2=Q+2Q⇒24=3Q⇒Q=8.

  3. 03Prijs berekenen

    P=2+8= EUR10P = 2 + 8 =\,\text{EUR}10P=2+8=EUR10 (controle vraag: 26−2×8=1026 - 2\times8 = 1026−2×8=10).

  4. 04Interpretatie

    Het evenwicht verschuift van (6; €8) naar (8; €10): een rechtwaartse vraagverschuiving verhoogt zowel de prijs als de hoeveelheid.

Resultaat: Het nieuwe evenwicht is Q = 8 en P = €10; de gestegen vraag verhoogt zowel de evenwichtsprijs als de evenwichtshoeveelheid.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een verschuiving van vraag of aanbod verklaren uit de juiste bepalende factor en het nieuwe evenwicht berekenen.
  • Examendoel: een beweging langs de curve onderscheiden van een verschuiving van de curve.

Veelgemaakte fouten

  • Een prijsverandering als een verschuiving van de curve behandelen; alleen een andere factor dan de eigen prijs verschuift de curve.
  • Bij een gelijktijdige verschuiving van vraag en aanbod een eenduidig antwoord geven voor beide grootheden, terwijl één ervan onbepaald is.

Actieve herhaling

Op de markt voor fietsen stijgt de prijs van benzine sterk (fietsen en auto's zijn substituten) en wordt tegelijk de productie van fietsen goedkoper. Leg met verschuivingen van vraag en/of aanbod uit wat er met de evenwichtsprijs en -hoeveelheid van fietsen gebeurt en wat wel en niet zeker is.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein D (markt) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Elasticiteiten#

●●●VerdiepingLPexamenblad-economie-domein-D

Kernpunten

Een elasticiteit meet hoe gevoelig de ene grootheid reageert op een verandering van een andere, als verhouding van procentuele veranderingen. De prijselasticiteit van de vraag Ev=%ΔQv%ΔPE_v = \frac{\%\Delta Q_v}{\%\Delta P}Ev​=%ΔP%ΔQv​​ geeft aan met hoeveel procent de gevraagde hoeveelheid verandert bij een prijsstijging van 1%. Omdat de vraag daalt bij een hogere prijs, is EvE_vEv​ negatief; men kijkt naar de absolute waarde. Is ∣Ev∣>1|E_v|>1∣Ev​∣>1, dan is de vraag prijselastisch (sterke reactie), is ∣Ev∣<1|E_v|<1∣Ev​∣<1 prijsinelastisch (zwakke reactie), en bij ∣Ev∣=1|E_v|=1∣Ev​∣=1 precies eenheidselastisch. Afb. 3 vergelijkt een steile (inelastische) en een vlakke (elastische) vraaglijn.

Elastische versus inelastische vraag

Elasticiteit en de steilheid van de vraagSchaubild von inelastisch, Nullstellen bei x = 10, y-Achsenabschnitt bei y = 20, fallend, im Bereich x von 0 bis 14, Schaubild von elastisch, y-Achsenabschnitt bei y = 13, fallend, im Bereich x von 0 bis 1424681012145101520(5; €10)inelastischelastischprijs P (€)hoeveelheid Q
Afb. 3Afb. 3 — Rond het gemeenschappelijke punt (5; €10) is de steile vraaglijn (P = 20 − 2Q) inelastisch en de vlakke (P = 13 − 0,6Q) elastisch: dezelfde prijsverandering geeft bij de vlakke lijn een veel grotere hoeveelheidsreactie.
De prijselasticiteit hangt samen met de vorm van de vraaglijn: een steile lijn is (rond een punt) inelastisch, een vlakke lijn elastisch. Bepalend zijn de beschikbaarheid van substituten (meer substituten → elastischer), of het een noodzakelijk of luxe goed is (noodzaak → inelastischer), het budgetaandeel en de tijdshorizon (op lange termijn elastischer, want mensen passen zich aan). Zo is de vraag naar zout of medicijnen zeer inelastisch, en die naar een specifiek merk frisdrank juist elastisch.
De prijselasticiteit bepaalt wat er met de omzet (prijs × hoeveelheid) gebeurt bij een prijsverandering. Bij inelastische vraag (∣Ev∣<1|E_v|<1∣Ev​∣<1) stijgt de omzet als de prijs stijgt: de hoeveelheid daalt maar minder dan evenredig. Bij elastische vraag (∣Ev∣>1|E_v|>1∣Ev​∣>1) daalt de omzet bij een prijsstijging, omdat de hoeveelheid sterker terugloopt dan de prijs stijgt. Dit verklaart waarom producenten van inelastische goederen prijsverhogingen kunnen doorvoeren zonder veel klanten te verliezen, en waarom bij elastische goederen juist prijsverlaging de omzet kan verhogen.
Naast de prijselasticiteit ken je de inkomenselasticiteit %ΔQv%Δinkomen\frac{\%\Delta Q_v}{\%\Delta \text{inkomen}}%Δinkomen%ΔQv​​ en de kruiselasticiteit %ΔQv van A%ΔP van B\frac{\%\Delta Q_v \text{ van A}}{\%\Delta P \text{ van B}}%ΔP van B%ΔQv​ van A​. Een positieve inkomenselasticiteit hoort bij een normaal goed (bij >1>1>1 een luxe goed), een negatieve bij een inferieur goed waarvan men minder koopt als het inkomen stijgt. De kruiselasticiteit is positief bij substituten (B duurder → meer vraag naar A) en negatief bij complementen (B duurder → minder vraag naar A). Er bestaat ook een prijselasticiteit van het aanbod, die op dezelfde manier de reactie van de aangeboden hoeveelheid meet. Al deze elasticiteiten volgen dezelfde logica: procentuele reactie gedeeld door procentuele oorzaak.
Ev=%ΔQv%ΔPE_v = \frac{\%\Delta Q_v}{\%\Delta P}Ev​=%ΔP%ΔQv​​

Prijselasticiteit van de vraag

Negatief; ∣Ev∣>1|E_v|>1∣Ev​∣>1 elastisch, ∣Ev∣<1|E_v|<1∣Ev​∣<1 inelastisch.

Eink=%ΔQv%Δinkomen,Ekruis=%ΔQv,A%ΔPBE_{\text{ink}} = \frac{\%\Delta Q_v}{\%\Delta \text{inkomen}},\qquad E_{\text{kruis}} = \frac{\%\Delta Q_{v,A}}{\%\Delta P_B}Eink​=%Δinkomen%ΔQv​​,Ekruis​=%ΔPB​%ΔQv,A​​

Inkomens- en kruiselasticiteit

Teken bepaalt de soort: normaal/inferieur; substituut/complement.

Uitgewerkt voorbeeld

Prijselasticiteit berekenen en de omzet beoordelen

Als de prijs van een product stijgt van €4 naar €5, daalt de gevraagde hoeveelheid van 100 naar 80 stuks. Bereken de prijselasticiteit van de vraag, geef aan of de vraag elastisch of inelastisch is, en bepaal wat er met de omzet gebeurt.

  1. 01Procentuele veranderingen

    Prijs: 5−44×100%=+25%\frac{5-4}{4}\times100\%=+25\%45−4​×100%=+25%. Hoeveelheid: 80−100100×100%=−20%\frac{80-100}{100}\times100\%=-20\%10080−100​×100%=−20%.

  2. 02Elasticiteit

    Ev=−20%+25%=−0,8E_v=\frac{-20\%}{+25\%}=-0{,}8Ev​=+25%−20%​=−0,8.

    Ev=−2025=−0,8E_v=\frac{-20}{25}=-0{,}8Ev​=25−20​=−0,8
  3. 03Interpretatie

    ∣Ev∣=0,8<1|E_v|=0{,}8<1∣Ev​∣=0,8<1: de vraag is prijsinelastisch.

  4. 04Omzet

    Omzet vóór: 4×100= EUR4004\times100=\,\text{EUR}4004×100=EUR400. Omzet ná: 5×80= EUR4005\times80=\,\text{EUR}4005×80=EUR400. Bij deze inelastische reactie blijft de omzet nagenoeg gelijk (hier precies €400); een verdere prijsstijging zou de omzet doen toenemen.

Resultaat: Ev = −0,8: de vraag is inelastisch. De omzet blijft (van €400 naar €400) gelijk; bij inelastische vraag verhoogt een prijsstijging de omzet doorgaans.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de prijs-, inkomens- of kruiselasticiteit berekenen als verhouding van procentuele veranderingen en interpreteren.
  • Examendoel: uit de prijselasticiteit afleiden wat er met de omzet gebeurt bij een prijsverandering en het teken van inkomens-/kruiselasticiteit duiden.

Veelgemaakte fouten

  • Absolute veranderingen in plaats van procentuele veranderingen delen, of het minteken van de prijselasticiteit weglaten en de soort verkeerd benoemen.
  • Elastisch en inelastisch verwisselen: |E| > 1 is elastisch (sterke reactie), |E| < 1 inelastisch (zwakke reactie).

Actieve herhaling

Als het inkomen met 10% stijgt, neemt de vraag naar biologische groente met 15% toe en die naar witbrood met 4% af. Bereken beide inkomenselasticiteiten en benoem voor elk goed of het normaal, luxe of inferieur is.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein D (markt) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Overheidsingrijpen: prijzen en heffingen#

●●●VerdiepingLPexamenblad-economie-domein-D

Kernpunten

De overheid grijpt soms in op markten met prijsmaatregelen. Een maximumprijs (prijsplafond) is een wettelijk toegestane hoogste prijs, ingesteld om een goed betaalbaar te houden (bijvoorbeeld huurprijzen). Een maximumprijs heeft alleen effect als hij ónder de evenwichtsprijs ligt; dan is bij die lage prijs de gevraagde hoeveelheid groter dan de aangeboden hoeveelheid en ontstaat een blijvend tekort. In Afb. 4 ligt de maximumprijs op €6 terwijl het evenwicht €8 is: er ontstaat een tekort, want vragers willen meer dan aanbieders leveren.

Maximumprijs en het tekort

Maximumprijs geeft een tekortSchaubild von vraag, Nullstellen bei x = 10, y-Achsenabschnitt bei y = 20, fallend, im Bereich x von 0 bis 10, Schaubild von aanbod, y-Achsenabschnitt bei y = 2, steigend, im Bereich x von 0 bis 102468105101520evenwicht (6; €8)aanbod = 4vraag = 7maximumprijs €6vraagaanbodprijs P (€)hoeveelheid Q
Afb. 4Afb. 4 — Een maximumprijs van €6 ligt onder het evenwicht (€8). Bij €6 vragen consumenten 7 en bieden producenten 4 aan: een tekort van 3.
Een minimumprijs (prijsbodem) is een wettelijk laagste prijs, bedoeld om aanbieders te beschermen (bijvoorbeeld een minimumloon of een landbouwminimumprijs). Een minimumprijs heeft alleen effect als hij bóven het evenwicht ligt; dan is de aangeboden hoeveelheid groter dan de gevraagde en ontstaat een blijvend overschot (bij het minimumloon: werkloosheid; bij landbouw: onverkoopbare voorraden). Bij prijsregulering geldt dus telkens: een plafond onder het evenwicht geeft een tekort, een bodem boven het evenwicht geeft een overschot.
Een heffing (belasting per product) verschuift de aanbodcurve omhoog met het bedrag van de heffing: aanbieders willen elke hoeveelheid pas leveren tegen de oude prijs plús de heffing. Daardoor stijgt de prijs die de consument betaalt en daalt de verhandelde hoeveelheid. In Afb. 5 verschuift het aanbod door een heffing van €3 van P=2+QP=2+QP=2+Q naar P=5+QP=5+QP=5+Q; het evenwicht gaat van (6; €8) naar (5; €10). De consument betaalt nu €10, de producent houdt na afdracht €7 over: er zit een belastingwig van €3 tussen de betaalde en de ontvangen prijs.

Een heffing verschuift het aanbod

Effect van een heffingSchaubild von vraag, Nullstellen bei x = 10, y-Achsenabschnitt bei y = 20, fallend, im Bereich x von 0 bis 10, Schaubild von aanbod, y-Achsenabschnitt bei y = 2, steigend, im Bereich x von 0 bis 10, Schaubild von aanbod + heffing, y-Achsenabschnitt bei y = 5, steigend, im Bereich x von 0 bis 102468105101520(6; €8)(5; €10)vraagaanbodaanbod + heffingprijs P (€)hoeveelheid Q
Afb. 5Afb. 5 — Een heffing van €3 verschuift het aanbod van P = 2 + Q naar P = 5 + Q. Het evenwicht gaat van (6; €8) naar (5; €10): de consument betaalt €10, de producent houdt €7 over — een wig van €3.
Hoe de heffing wordt verdeeld tussen consument en producent — de belastingdruk of incidentie — hangt af van de elasticiteiten. De kant van de markt die het minst elastisch (het minst gevoelig) is, draagt het grootste deel van de heffing, omdat die partij het moeilijkst uitwijkt. Bij een zeer inelastische vraag (zoals brandstof of tabak) betaalt de consument het leeuwendeel. Een subsidie werkt precies andersom: die verschuift het aanbod omlaag, verlaagt de prijs en verhoogt de hoeveelheid. Zulke ingrepen beïnvloeden niet alleen prijs en hoeveelheid, maar ook de totale welvaart op de markt — het onderwerp van het volgende hoofdstuk over surplus en doelmatigheid.
maximumprijs<Pev⇒tekort\text{maximumprijs}<P_{\text{ev}} \Rightarrow \text{tekort}maximumprijs<Pev​⇒tekort

Maximumprijs

Alleen effectief onder het evenwicht; vraag > aanbod.

aanbod met heffing h: P=(c+Q)+h\text{aanbod met heffing } h:\ P = (c + Q) + haanbod met heffing h: P=(c+Q)+h

Heffing verschuift het aanbod

De aanbodlijn schuift met het heffingsbedrag hhh omhoog; er ontstaat een wig tussen betaalde en ontvangen prijs.

Uitgewerkt voorbeeld

Tekort bij een maximumprijs berekenen

De vraag is P = 20 − 2Q en het aanbod P = 2 + Q (evenwicht 6; €8). De overheid stelt een maximumprijs van €6 in. Bereken de gevraagde en aangeboden hoeveelheid bij die prijs en de omvang van het tekort.

  1. 01Gevraagde hoeveelheid bij €6

    Uit 6=20−2Q6 = 20 - 2Q6=20−2Q volgt 2Q=142Q = 142Q=14, dus Qv=7Q_v = 7Qv​=7.

  2. 02Aangeboden hoeveelheid bij €6

    Uit 6=2+Q6 = 2 + Q6=2+Q volgt Qa=4Q_a = 4Qa​=4.

  3. 03Tekort

    Qv−Qa=7−4=3Q_v - Q_a = 7 - 4 = 3Qv​−Qa​=7−4=3: er is een tekort van 3 eenheden, want de maximumprijs (€6) ligt onder het evenwicht (€8).

Resultaat: Bij de maximumprijs van €6 vragen consumenten 7 en bieden producenten 4 aan; het tekort is 3 eenheden.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: het effect van een maximum- of minimumprijs op de markt bepalen (tekort respectievelijk overschot) en berekenen.
  • Examendoel: het effect van een heffing op prijs, hoeveelheid en de verdeling van de belastingdruk analyseren.

Veelgemaakte fouten

  • Een maximumprijs boven of een minimumprijs onder het evenwicht een effect toedichten; alleen een bindende prijs (plafond onder, bodem boven het evenwicht) verandert de markt.
  • Bij een heffing de aanbodlijn de verkeerde kant op verschuiven of vergeten dat de door de producent ontvangen prijs de betaalde prijs minus de heffing is.

Actieve herhaling

De vraag is P = 30 − Q en het aanbod P = 6 + Q. De overheid legt een heffing van €4 per product op. Bereken het nieuwe evenwicht, de prijs die de consument betaalt, de prijs die de producent ontvangt en de totale belastingopbrengst.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein D (markt) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Vraag, aanbod en het marktevenwicht○
    • 02Verschuivingen van vraag en aanbod◐
    • 03Elasticiteiten●
    • 04Overheidsingrijpen: prijzen en heffingen●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Markt: vraag, aanbod en evenwicht

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~15
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma economie vwo — domein D (markt)

Vorig onderwerp

Ruil, arbeidsverdeling en geld

Volgend onderwerp

Marktstructuur en marktvormen

EuraStudy·Samenvattingen T·04·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.