EuraStudy
Samenvattingen/Economie/Doelmatigheid, surplus en economische politiek
Samenvattingen · EconomieNL · VWO

Doelmatigheid, surplus en economische politiek

Een markt levert welvaart op die je kunt meten als consumenten- en producentensurplus. Dit onderwerp behandelt het surplus als oppervlakte, de doelmatigheid van het marktevenwicht, het welvaartsverlies (deadweight loss) bij prijsregulering, heffingen en marktmacht, en marktfalen door externe effecten en collectieve goederen — met de rol van de overheid daarbij.

4 Onderdelen·~13 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Standaard 2 · Verdieping 2

T·0666 / 17
Examenprofiel
Consumenten- en producentensurplus berekenen en interpreteren als maat voor welvaart (domein D).De doelmatigheid van het marktevenwicht beargumenteren en het maatschappelijk surplus bepalen.Welvaartsverlies bij een heffing, prijsregulering of monopolie berekenen.Externe effecten en collectieve goederen als marktfalen herkennen en het overheidsbeleid beoordelen.
Operatoren:berekenbepaalleg uitverklaartoon aanberedeneertekenbeoordeel

basisniveau

Voor iedereen: consumenten- en producentensurplus, doelmatigheid en externe effecten horen tot domein D.

verhoogd niveau

Verdieping: welvaartsverlies berekenen bij heffingen, prijsregulering en marktmacht, en de optimale hoeveelheid bij externe effecten bepalen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Doelmatigheid, surplus en economische politiek
    • 01Consumenten- en producentensurplus◐
    • 02Doelmatigheid van het marktevenwicht◐
    • 03Welvaartsverlies bij ingrijpen en marktmacht●
    • 04Externe effecten en marktfalen●
§ 01

Consumenten- en producentensurplus#

●●○StandaardLPexamenblad-economie-domein-D

Kernpunten

Achter de vraaglijn schuilt de betalingsbereidheid van consumenten: elk punt op de lijn geeft aan wat de koper voor die eenheid maximaal wil betalen. Wie een goed koopt voor de marktprijs terwijl hij bereid was méér te betalen, boekt een voordeel. De som van al die voordelen is het consumentensurplus (CS): het verschil tussen wat consumenten maximaal wilden betalen en wat ze werkelijk betaalden. In Afb. 1 is het CS de driehoek tússen de vraaglijn en de horizontale prijslijn, van de eerste tot de laatste verkochte eenheid.

Consumenten- en producentensurplus

Consumenten- en producentensurplusSchaubild von vraag, Nullstellen bei x = 10, y-Achsenabschnitt bei y = 20, fallend, im Bereich x von 0 bis 10, Schaubild von aanbod, y-Achsenabschnitt bei y = 2, steigend, im Bereich x von 0 bis 10, Schaubild von prijs €8, y-Achsenabschnitt bei y = 8, im Bereich x von 0 bis 102468105101520E (6; €8)vraagaanbodprijs €8prijs P (€)hoeveelheid Q
Afb. 1Afb. 1 — Bij evenwicht (6; €8) is het consumentensurplus de driehoek tussen vraag en prijs (½·6·12 = 36) en het producentensurplus die tussen prijs en aanbod (½·6·6 = 18). Samen: 54.
Achter de aanbodlijn schuilt op dezelfde manier de minimale prijs waarvoor producenten willen leveren (hun marginale kosten). Wie verkoopt voor de marktprijs terwijl hij ook voor minder had willen leveren, boekt eveneens voordeel. De som daarvan is het producentensurplus (PS): het verschil tussen de ontvangen prijs en de minimale aanbodprijs, opgeteld over alle verkochte eenheden. In Afb. 1 is het PS de driehoek tussen de horizontale prijslijn en de aanbodlijn. Samen vormen CS en PS het totaal (maatschappelijk) surplus, de totale welvaart die de markt oplevert.
Omdat vraag- en aanbodlijnen meestal recht zijn, bereken je de surplussen als oppervlakte van een driehoek: 12×basis×hoogte\tfrac{1}{2}\times\text{basis}\times\text{hoogte}21​×basis×hoogte. De basis is de evenwichtshoeveelheid; de hoogte is bij het CS het verschil tussen het maximale betalingspunt (het snijpunt van de vraag met de verticale as) en de evenwichtsprijs, en bij het PS het verschil tussen de evenwichtsprijs en het snijpunt van het aanbod met de as. In Afb. 1 met evenwicht (6; €8) is het CS 12×6×(20−8)=36\tfrac{1}{2}\times6\times(20-8)=3621​×6×(20−8)=36 en het PS 12×6×(8−2)=18\tfrac{1}{2}\times6\times(8-2)=1821​×6×(8−2)=18, samen 54.
Het surplus maakt welvaart meetbaar en vergelijkbaar. Verschuift het evenwicht — door een andere vraag, een ander aanbod of overheidsingrijpen — dan verandert de verdeling van het surplus tussen consumenten, producenten en (bij een heffing) de overheid, en soms de omvang van het totaal. Zo kun je met surplussen precies laten zien wíe wint en wíe verliest bij een maatregel, en of de totale koek groter of kleiner wordt. Dat maakt het surplusbegrip tot het centrale gereedschap om de doelmatigheid van markten en van beleid te beoordelen (§2 en §3).
CS=12×Qev×(Pmax⁡vraag−Pev)CS = \tfrac{1}{2}\times Q_{\text{ev}}\times (P_{\max}^{\text{vraag}} - P_{\text{ev}})CS=21​×Qev​×(Pmaxvraag​−Pev​)

Consumentensurplus

Driehoek tussen de vraaglijn en de prijslijn.

PS=12×Qev×(Pev−Pmin⁡aanbod)PS = \tfrac{1}{2}\times Q_{\text{ev}}\times (P_{\text{ev}} - P_{\min}^{\text{aanbod}})PS=21​×Qev​×(Pev​−Pminaanbod​)

Producentensurplus

Driehoek tussen de prijslijn en de aanbodlijn; CS + PS = totaal surplus.

Uitgewerkt voorbeeld

Surplus berekenen

De vraag is P = 20 − 2Q en het aanbod P = 2 + Q, met evenwicht (6; €8). Bereken het consumentensurplus, het producentensurplus en het totale surplus.

  1. 01Maximale betalingsbereidheid en minimale aanbodprijs

    Vraag bij Q = 0: P=20P = 20P=20 (maximum). Aanbod bij Q = 0: P=2P = 2P=2 (minimum).

  2. 02Consumentensurplus

    CS=12×6×(20−8)=12×6×12=36CS = \tfrac{1}{2}\times6\times(20-8) = \tfrac{1}{2}\times6\times12 = 36CS=21​×6×(20−8)=21​×6×12=36.

  3. 03Producentensurplus

    PS=12×6×(8−2)=12×6×6=18PS = \tfrac{1}{2}\times6\times(8-2) = \tfrac{1}{2}\times6\times6 = 18PS=21​×6×(8−2)=21​×6×6=18.

  4. 04Totaal surplus

    CS+PS=36+18=54CS + PS = 36 + 18 = 54CS+PS=36+18=54.

Resultaat: Het consumentensurplus is 36, het producentensurplus 18 en het totale surplus 54.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: het consumenten- en producentensurplus berekenen als oppervlakte van een driehoek.
  • Examendoel: het surplus interpreteren als welvaart en de verdeling ervan tussen consumenten en producenten aflezen.

Veelgemaakte fouten

  • De hoogte van de driehoek verkeerd kiezen: voor het CS is dat het verschil tussen de maximale betalingsbereidheid (asafsnede vraag) en de prijs, niet de hele prijs.
  • Vergeten door 2 te delen bij de oppervlakte van een driehoek, waardoor het surplus twee keer te groot wordt.

Actieve herhaling

De vraag is P = 30 − Q en het aanbod P = 6 + Q. Bereken de evenwichtsprijs en -hoeveelheid en vervolgens het consumenten-, producenten- en totale surplus.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein D (markt) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Doelmatigheid van het marktevenwicht#

●●○StandaardLPexamenblad-economie-domein-D

Voorwaarden voor een doelmatige markt

Doelmatigheid en marktfalenGraaf, veel aanbieders, info, vrije toetreding, geen externe effecten → marktevenwicht, marktevenwicht → maximaal surplus (doelmatig), marktevenwicht → marktfalen, marktfalen → welvaartsverliesveel aanbieders,info, vrijetoetreding, gee…marktevenwichtmaximaal surplus(doelmatig)marktfalenwelvaartsverliesvoorwaardeontbreekt
Afb. 2Afb. 2 — Onder strenge voorwaarden is het marktevenwicht doelmatig (maximaal surplus). Ontbreekt een voorwaarde, dan ontstaat marktfalen en gaat er welvaart verloren.

Kernpunten

Een uitkomst is doelmatig (efficiënt) als het totale surplus zo groot mogelijk is — als er geen andere hoeveelheid bestaat die de welvaart nog kan verhogen. Bij volledige mededinging is het marktevenwicht doelmatig: precies de eenheden worden verhandeld waarvoor de betalingsbereidheid (vraag) minstens zo hoog is als de marginale kosten (aanbod). Elke eenheid links van het evenwicht voegt welvaart toe (vraag boven aanbod), elke eenheid rechts ervan zou welvaart kosten (aanbod boven vraag). Het snijpunt maximaliseert dus het totale surplus.
Doelmatigheid is iets anders dan rechtvaardigheid. Een markt kan een efficiënte uitkomst geven waarbij het surplus toch heel scheef verdeeld is tussen consumenten en producenten, of waarbij mensen met weinig koopkracht buiten de boot vallen. Economen scheiden daarom de allocatievraag (wordt de koek zo groot mogelijk gemaakt?) van de verdelingsvraag (hoe wordt de koek verdeeld?). De markt is sterk in het eerste, maar zegt niets over het tweede; herverdeling is een politieke keuze (domein H).
De doelmatigheid van de markt berust op strenge voorwaarden: veel aanbieders, volledige informatie, vrije toetreding en het ontbreken van externe effecten. Zijn die voorwaarden vervuld, dan leidt de nastreving van eigenbelang via het prijsmechanisme tot een maatschappelijk optimum — het idee van de ‘onzichtbare hand’. Zodra een voorwaarde niet geldt, ontstaat marktfalen en is de uitkomst niet meer doelmatig: er valt welvaart te winnen, en overheidsingrijpen kán (maar hoeft niet) verbeteren.
Het surplusbegrip maakt het mogelijk om beleid te beoordelen op doelmatigheid. Een ingreep die het totale surplus vergroot (bijvoorbeeld het corrigeren van een extern effect) verhoogt de welvaart; een ingreep die het totale surplus verkleint (zoals een bindende maximumprijs of een monopolie) veroorzaakt welvaartsverlies. In het volgende deel maken we dat welvaartsverlies concreet: het is precies het stuk surplus dat verdwijnt doordat de verhandelde hoeveelheid afwijkt van de doelmatige evenwichtshoeveelheid.
doelmatig ⇔ totaal surplus maximaal ⇔ vraag=aanbod\text{doelmatig} \ \Leftrightarrow\ \text{totaal surplus maximaal} \ \Leftrightarrow\ \text{vraag} = \text{aanbod}doelmatig ⇔ totaal surplus maximaal ⇔ vraag=aanbod

Doelmatigheidsvoorwaarde

Bij het evenwicht is er geen hoeveelheid die de welvaart nog kan verhogen.

Uitgewerkt voorbeeld

Waarom het evenwicht het surplus maximaliseert

Leg met de begrippen betalingsbereidheid en marginale kosten uit waarom bij de vraag P = 20 − 2Q en het aanbod P = 2 + Q een verhandelde hoeveelheid van 7 (in plaats van het evenwicht 6) de totale welvaart verlaagt.

  1. 01Betalingsbereidheid bij Q = 7

    De vraag geeft P=20−2×7= EUR6P = 20 - 2\times7 =\,\text{EUR}6P=20−2×7=EUR6: consumenten waarderen de 7e eenheid op €6.

  2. 02Marginale kosten bij Q = 7

    Het aanbod geeft P=2+7= EUR9P = 2 + 7 =\,\text{EUR}9P=2+7=EUR9: die eenheid kost €9 om te maken.

  3. 03Vergelijken

    De 7e eenheid kost méér (€9) dan hij waard is (€6): het produceren ervan verlaagt het totale surplus met €3.

Resultaat: De 7e eenheid kost meer dan de betalingsbereidheid, dus verhandelen ervan verkleint het surplus; alleen bij het evenwicht (Q = 6) is het totale surplus maximaal.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: uitleggen waarom het marktevenwicht bij volledige mededinging het totale surplus maximaliseert.
  • Examendoel: doelmatigheid onderscheiden van rechtvaardigheid (allocatie versus verdeling).

Veelgemaakte fouten

  • Doelmatig gelijkstellen aan rechtvaardig; een efficiënte markt kan een scheve verdeling opleveren.
  • Denken dat méér produceren altijd meer welvaart geeft; boven het evenwicht kosten eenheden meer dan ze waard zijn.

Actieve herhaling

Leg uit onder welke voorwaarden een vrije markt tot een doelmatige uitkomst leidt, en noem twee situaties waarin niet aan die voorwaarden is voldaan.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein D (markt) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Welvaartsverlies bij ingrijpen en marktmacht#

●●●VerdiepingLPexamenblad-economie-domein-D

Kernpunten

Als de verhandelde hoeveelheid afwijkt van de doelmatige evenwichtshoeveelheid, gaat er welvaart verloren. Dit welvaartsverlies (deadweight loss) is het stuk surplus dat verdwijnt en niemand ten goede komt — niet de consument, niet de producent, niet de overheid. Grafisch is het de driehoek tussen de vraag- en de aanbodlijn over het gebied waar wél doelmatige transacties mogelijk waren, maar die door de ingreep niet plaatsvinden. In Afb. 3 ontstaat zo'n driehoek doordat een heffing de verhandelde hoeveelheid onder het evenwicht drukt.

Welvaartsverlies door een heffing

Welvaartsverlies door een heffingSchaubild von vraag, Nullstellen bei x = 10, y-Achsenabschnitt bei y = 20, fallend, im Bereich x von 0 bis 10, Schaubild von aanbod, y-Achsenabschnitt bei y = 2, steigend, im Bereich x von 0 bis 10, Schaubild von aanbod + heffing, y-Achsenabschnitt bei y = 5, steigend, im Bereich x von 0 bis 102468105101520oud (6; €8)nieuw (5; €10)vraagaanbodaanbod + heffingprijs P (€)hoeveelheid Q
Afb. 3Afb. 3 — Een heffing van €3 verschuift het aanbod van P = 2 + Q naar P = 5 + Q. De hoeveelheid daalt van 6 naar 5; het gearceerde driehoekje tussen vraag en aanbod is het welvaartsverlies: ½·3·1 = 1,5.
Een heffing verkleint de verhandelde hoeveelheid: de prijs voor de consument stijgt, de opbrengst voor de producent daalt, en de eenheden tussen de nieuwe en de oude hoeveelheid worden niet meer verhandeld hoewel de betalingsbereidheid er nog boven de marginale kosten lag. Een deel van het oorspronkelijke surplus gaat naar de overheid (de belastingopbrengst), maar het driehoekje welvaartsverlies verdwijnt volledig. De omvang bereken je als 12×heffing×ΔQ\tfrac{1}{2}\times\text{heffing}\times\Delta Q21​×heffing×ΔQ, met ΔQ\Delta QΔQ de daling van de verhandelde hoeveelheid.
Ook prijsregulering en marktmacht veroorzaken welvaartsverlies. Bij een bindende maximumprijs of minimumprijs wijkt de verhandelde hoeveelheid af van het evenwicht, waardoor doelmatige transacties uitblijven. Een monopolist beperkt de productie tot onder het concurrentieniveau (§ marktstructuur) en creëert zo kunstmatige schaarste: de eenheden die tussen de monopoliehoeveelheid en de concurrentiehoeveelheid wél doelmatig zouden zijn, worden niet gemaakt. In al deze gevallen is het welvaartsverlies de driehoek tussen vraag en (marginale) kosten over het niet-verhandelde gebied.
Welvaartsverlies betekent níet automatisch dat ingrijpen verkeerd is. Een heffing op een goed met een negatief extern effect kan het totale surplus juist vergroten (§4), en een maximumprijs kan om verdelingsredenen gewenst zijn ondanks het efficiëntieverlies. De surplusanalyse maakt de kosten van een maatregel zichtbaar, zodat de overheid ze kan afwegen tegen de baten (bijvoorbeeld een rechtvaardiger verdeling of het corrigeren van marktfalen). Zo verbindt het welvaartsverlies de zuivere efficiëntie-analyse met de bredere politieke afweging.
welvaartsverlies=12×heffing×ΔQ\text{welvaartsverlies} = \tfrac{1}{2}\times \text{heffing}\times \Delta Qwelvaartsverlies=21​×heffing×ΔQ

Deadweight loss van een heffing

ΔQ\Delta QΔQ = daling van de verhandelde hoeveelheid door de ingreep.

Uitgewerkt voorbeeld

Welvaartsverlies van een heffing berekenen

De vraag is P = 20 − 2Q en het aanbod P = 2 + Q (evenwicht 6; €8). Een heffing van €3 per product verschuift het aanbod naar P = 5 + Q. Bereken de nieuwe hoeveelheid, de belastingopbrengst en het welvaartsverlies.

  1. 01Nieuw evenwicht

    20−2Q=5+Q⇒15=3Q⇒Q=520 - 2Q = 5 + Q \Rightarrow 15 = 3Q \Rightarrow Q = 520−2Q=5+Q⇒15=3Q⇒Q=5; prijs P=20−2×5= EUR10P = 20 - 2\times5 =\,\text{EUR}10P=20−2×5=EUR10.

  2. 02Belastingopbrengst

    heffing×Q=3×5= EUR15\text{heffing}\times Q = 3\times5 =\,\text{EUR}15heffing×Q=3×5=EUR15 voor de overheid.

  3. 03Daling van de hoeveelheid

    ΔQ=6−5=1\Delta Q = 6 - 5 = 1ΔQ=6−5=1.

  4. 04Welvaartsverlies

    12×3×1=1,5\tfrac{1}{2}\times3\times1 = 1{,}521​×3×1=1,5: dit surplus verdwijnt en komt niemand ten goede.

Resultaat: De hoeveelheid daalt naar 5, de belastingopbrengst is €15 en het welvaartsverlies bedraagt 1,5.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: het welvaartsverlies van een heffing, prijsregulering of monopolie berekenen en aanwijzen in een grafiek.
  • Examendoel: aangeven hoe het surplus wordt herverdeeld tussen consument, producent en overheid en welk deel verdwijnt.

Veelgemaakte fouten

  • De belastingopbrengst tot het welvaartsverlies rekenen; die opbrengst is een overdracht naar de overheid, geen verlies.
  • De ΔQ voor de deadweight-losstriangel verwarren met de hele evenwichtshoeveelheid in plaats van de dáling ervan.

Actieve herhaling

De vraag is P = 24 − Q en het aanbod P = 4 + Q. De overheid heft €6 per product. Bereken het nieuwe evenwicht, de belastingopbrengst en het welvaartsverlies.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein D (markt) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Externe effecten en marktfalen#

●●●VerdiepingLPexamenblad-economie-domein-D

Kernpunten

Een extern effect is een gevolg van productie of consumptie voor derden dat niet in de marktprijs is verrekend. Bij een negatief extern effect (milieuvervuiling, files, geluidsoverlast) zijn de maatschappelijke kosten hoger dan de private kosten die de producent zelf draagt. De markt houdt alleen rekening met de private kosten en produceert daardoor te veel: de markthoeveelheid ligt boven de maatschappelijk optimale hoeveelheid. In Afb. 4 ligt de maatschappelijke-kostenlijn (MMK) boven de private-kostenlijn; het maatschappelijk optimum ligt bij de kleinere hoeveelheid waar de vraag de MMK snijdt.

Negatief extern effect en overproductie

Negatief extern effectSchaubild von vraag (baten), y-Achsenabschnitt bei y = 20, fallend, im Bereich x von 0 bis 10, Schaubild von private kosten, y-Achsenabschnitt bei y = 2, steigend, im Bereich x von 0 bis 10, Schaubild von maatsch. kosten, y-Achsenabschnitt bei y = 5, steigend, im Bereich x von 0 bis 102468105101520markt (6; €14)optimum (5; €15)vraag (baten)private kostenmaatsch. kostenprijs/kosten (€)hoeveelheid Q
Afb. 4Afb. 4 — Bij een negatief extern effect van €3 ligt de maatschappelijke kostenlijn (MMK = 5 + 2Q) boven de private (MPK = 2 + 2Q). De markt produceert 6 (waar vraag = MPK), het maatschappelijk optimum is 5 (waar vraag = MMK): overproductie.
Bij een positief extern effect (onderwijs, vaccinatie, onderzoek) zijn de maatschappelijke baten juist hoger dan de private, en produceert of consumeert de markt te wéinig. In beide gevallen is de marktuitkomst niet doelmatig: er valt welvaart te winnen door de hoeveelheid te corrigeren richting het maatschappelijk optimum, waar de maatschappelijke baten gelijk zijn aan de maatschappelijke kosten. Het welvaartsverlies is de driehoek tussen de vraag en de maatschappelijke kosten over het gebied van overproductie (of onderproductie).
De overheid kan externe effecten internaliseren, zodat de veroorzaker de maatschappelijke kosten of baten wél meeweegt. Bij een negatief extern effect werkt een heffing (belasting) ter grootte van de externe kosten: die verschuift de private kosten omhoog naar de maatschappelijke, zodat de markt vanzelf de optimale, kleinere hoeveelheid kiest. Bij een positief extern effect werkt juist een subsidie, die de gewenste, grotere hoeveelheid uitlokt. Zulke corrigerende heffingen en subsidies vergroten — anders dan gewone heffingen — het totale surplus, omdat ze een marktfalen herstellen.
Naast externe effecten kent de markt nog andere vormen van marktfalen. Collectieve goederen (zoals dijken, straatverlichting of defensie) zijn niet-uitsluitbaar en niet-rivaliserend, waardoor iedereen erop kan meeliften zonder te betalen (het free-riderprobleem) en de markt ze niet vanzelf levert; de overheid voorziet erin en financiert ze uit belasting. Verder kunnen marktmacht en asymmetrische informatie (§ risico en informatie) de doelmatigheid ondermijnen. In al deze gevallen kan overheidsingrijpen de welvaart verhogen — al moet het altijd worden afgewogen tegen de kosten en risico's van dat ingrijpen zelf (overheidsfalen).
negatief extern effect⇒MMK>MPK⇒overproductie\text{negatief extern effect} \Rightarrow \text{MMK} > \text{MPK} \Rightarrow \text{overproductie}negatief extern effect⇒MMK>MPK⇒overproductie

Negatief extern effect

Maatschappelijke marginale kosten (MMK) boven de private (MPK); markt produceert te veel.

optimale hoeveelheid: vraag=MMK\text{optimale hoeveelheid: } \text{vraag} = \text{MMK}optimale hoeveelheid: vraag=MMK

Maatschappelijk optimum

Een corrigerende heffing ter grootte van het externe effect brengt de markt hierheen.

Uitgewerkt voorbeeld

Optimale hoeveelheid en corrigerende heffing bij een extern effect

De vraag (maatschappelijke baten) is P = 20 − Q en de private marginale kosten zijn MPK = 2 + 2Q. De productie veroorzaakt milieuschade van €3 per eenheid. Bepaal de markthoeveelheid en de maatschappelijk optimale hoeveelheid, en de heffing die de markt naar het optimum brengt.

  1. 01Markthoeveelheid

    De markt kijkt naar de private kosten: 20−Q=2+2Q⇒18=3Q⇒Q=620 - Q = 2 + 2Q \Rightarrow 18 = 3Q \Rightarrow Q = 620−Q=2+2Q⇒18=3Q⇒Q=6.

  2. 02Maatschappelijke kosten

    Tel het externe effect erbij op: MMK=(2+2Q)+3=5+2QMMK = (2 + 2Q) + 3 = 5 + 2QMMK=(2+2Q)+3=5+2Q.

  3. 03Optimale hoeveelheid

    20−Q=5+2Q⇒15=3Q⇒Q=520 - Q = 5 + 2Q \Rightarrow 15 = 3Q \Rightarrow Q = 520−Q=5+2Q⇒15=3Q⇒Q=5.

  4. 04Corrigerende heffing

    Een heffing van €3 per eenheid (gelijk aan de externe schade) verschuift de private kosten naar de maatschappelijke, zodat de markt vanzelf Q = 5 kiest.

Resultaat: De markt produceert 6, het maatschappelijk optimum is 5; een heffing van €3 per eenheid corrigeert de overproductie en verhoogt de welvaart.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: overproductie bij een negatief en onderproductie bij een positief extern effect verklaren en de optimale hoeveelheid bepalen.
  • Examendoel: beoordelen hoe een heffing of subsidie een extern effect internaliseert en collectieve goederen als marktfalen herkennen.

Veelgemaakte fouten

  • Bij een negatief extern effect de maatschappelijke kostenlijn onder de private tekenen; de maatschappelijke kosten liggen juist hoger.
  • Denken dat elke heffing welvaart vernietigt; een corrigerende heffing bij een extern effect vergroot het totale surplus.

Actieve herhaling

Een fabriek heeft private marginale kosten MPK = 4 + Q en veroorzaakt €4 milieuschade per eenheid; de vraag is P = 28 − Q. Bepaal de markthoeveelheid, de optimale hoeveelheid en de corrigerende heffing.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein D (markt) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Consumenten- en producentensurplus◐
    • 02Doelmatigheid van het marktevenwicht◐
    • 03Welvaartsverlies bij ingrijpen en marktmacht●
    • 04Externe effecten en marktfalen●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Doelmatigheid, surplus en economische politiek

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~13
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma economie vwo — domein D (markt)

Vorig onderwerp

Marktstructuur en marktvormen

Volgend onderwerp

Intertemporele ruil: sparen, lenen en investeren

EuraStudy·Samenvattingen T·06·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.