EuraStudy
Samenvattingen/Economie/Beleggen
Samenvattingen · EconomieNL · VWO

Beleggen

Beleggen is een vorm van ruilen over de tijd waarbij je koopkracht nu inzet voor een onzekere opbrengst later. Dit onderwerp behandelt de afweging tussen rendement en risico, de kenmerken van aandelen en obligaties, het omgekeerde verband tussen de marktrente en obligatiekoersen, en hoe spreiding (diversificatie) het risico van een portefeuille verkleint.

4 Onderdelen·~14 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Standaard 2 · Verdieping 2

T·101010 / 17
Examenprofiel
Het rendement van een belegging berekenen (koerswinst plus dividend of rente) (domein E).Het verband tussen rendement en risico uitleggen en beleggingsvormen vergelijken.Het omgekeerde verband tussen de marktrente en de koers van een obligatie beredeneren.Het effect van diversificatie (spreiding) op het risico van een portefeuille beoordelen.
Operatoren:berekenbepaalleg uitverklaarberedeneerinterpreteer

basisniveau

Voor iedereen: rendement, risico en het onderscheid tussen sparen, obligaties en aandelen horen tot domein E.

verhoogd niveau

Verdieping: het rente-koersverband van obligaties en de werking van diversificatie op portefeuilleniveau beredeneren.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Beleggen
    • 01Beleggen, sparen en de afweging rendement-risico◐
    • 02Aandelen en obligaties◐
    • 03Rente en obligatiekoersen●
    • 04Diversificatie en risicospreiding●
§ 01

Beleggen, sparen en de afweging rendement-risico#

●●○StandaardLPexamenblad-economie-domein-E

Kernpunten

Sparen en beleggen zijn beide manieren om koopkracht van nu naar later te verschuiven, maar ze verschillen in zekerheid. Sparen (geld op een spaarrekening) geeft een vaste, gegarandeerde rente met vrijwel geen risico op verlies van de inleg. Beleggen (in aandelen, obligaties, vastgoed) belooft een hóger verwacht rendement, maar de opbrengst is onzeker en je kunt zelfs een deel van je inleg verliezen. Het rendement is de totale opbrengst als percentage van de inleg, en bestaat uit twee delen: het directe rendement (dividend of rente) en het indirecte rendement (koerswinst of -verlies).
De kern van beleggen is de afweging tussen rendement en risico. Op een goed werkende markt gaat een hoger verwacht rendement altijd samen met een hoger risico: niemand zou een riskante belegging kopen als die niet méér beloofde dan een veilige. Dit positieve verband is in Afb. 1 getekend als een stijgende lijn: van de veilige spaarrekening (laag rendement, laag risico) via obligaties naar aandelen (hoog verwacht rendement, hoog risico). Een risicoaverse belegger (§ risico en informatie) eist voor extra risico een risicopremie — een hoger verwacht rendement als compensatie.

Het verband tussen rendement en risico

Rendement en risicoSchaubild von rendement-risicolijn, y-Achsenabschnitt bei y = 1, steigend, im Bereich x von 0 bis 1024681012345678sparenobligatieaandeelrendement-risicolijnverwacht rendement (%)risico
Afb. 1Afb. 1 — Hoger risico gaat samen met een hoger verwacht rendement. Van de veilige spaarrekening (linksonder) via obligaties naar aandelen (rechtsboven): de risicopremie beloont het extra risico.
Risico betekent hier de spreiding van de mogelijke uitkomsten: hoe sterker het rendement van jaar tot jaar kan schommelen, hoe risicovoller de belegging. Een aandeel kan het ene jaar 30% stijgen en het volgende 20% dalen; een spaarrekening levert elk jaar hetzelfde. Naast dit koersrisico spelen inflatierisico (koopkrachtverlies), kredietrisico (de tegenpartij betaalt niet terug) en liquiditeitsrisico (je kunt niet snel verkopen). Welke belegging past, hangt af van de tijdshorizon en de risicobereidheid: voor geld dat je binnenkort nodig hebt, past sparen; voor de lange termijn kan de hogere verwachte opbrengst van beleggen opwegen tegen het risico.
Het rendement bereken je door de totale opbrengst (koerswinst plus uitkering) te delen door de aankoopprijs. Bij het beoordelen ervan moet je, net als bij inkomens, onderscheid maken tussen nominaal en reëel: een nominaal rendement van 5% bij 3% inflatie is reëel maar 2%. En je moet het rendement altijd afzetten tegen het risico: een hoog rendement dat gepaard ging met een grote kans op verlies is niet zonder meer beter dan een lager, zeker rendement. Zo verbindt beleggen de rekentechniek van rente en contante waarde met de risicoafweging uit het vorige domein.
rendement=koerswinst+dividend/renteaankoopprijs×100%\text{rendement} = \frac{\text{koerswinst} + \text{dividend/rente}}{\text{aankoopprijs}}\times100\%rendement=aankoopprijskoerswinst+dividend/rente​×100%

Rendement

Direct rendement (uitkering) plus indirect rendement (koerswinst) als percentage van de inleg.

hoger verwacht rendement⇔hoger risico\text{hoger verwacht rendement} \Leftrightarrow \text{hoger risico}hoger verwacht rendement⇔hoger risico

Rendement-risicoverband

Extra risico wordt beloond met een risicopremie in het verwachte rendement.

Uitgewerkt voorbeeld

Rendement van een aandeel berekenen

Een belegger koopt een aandeel voor €50. Na een jaar is de koers €54 en heeft hij €2 dividend ontvangen. Bereken het totale rendement over dat jaar en splits het in direct en indirect rendement.

  1. 01Koerswinst (indirect rendement)

    54−50= EUR454 - 50 =\,\text{EUR}454−50=EUR4, oftewel 450×100%=8%\frac{4}{50}\times100\% = 8\%504​×100%=8%.

  2. 02Dividend (direct rendement)

    250×100%=4%\frac{2}{50}\times100\% = 4\%502​×100%=4%.

  3. 03Totaal rendement

    4+250×100%=650×100%=12%\frac{4 + 2}{50}\times100\% = \frac{6}{50}\times100\% = 12\%504+2​×100%=506​×100%=12%.

Resultaat: Het totale rendement is 12%, bestaand uit 8% koerswinst (indirect) en 4% dividend (direct rendement).

Eindexamen-focus

  • Examendoel: het rendement van een belegging berekenen als som van direct (uitkering) en indirect (koerswinst) rendement.
  • Examendoel: het verband tussen rendement en risico uitleggen en beleggingen erop beoordelen.

Veelgemaakte fouten

  • Alleen de koerswinst als rendement rekenen en het dividend of de rente vergeten (of andersom).
  • Een hoog nominaal rendement als goed beoordelen zonder te corrigeren voor inflatie of het bijbehorende risico.

Actieve herhaling

Een belegger koopt een aandeel voor €80, ontvangt €3 dividend en verkoopt het na een jaar voor €76. Bereken het totale rendement en leg uit of de belegging winst of verlies opleverde.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein E (ruilen over de tijd) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Aandelen en obligaties#

●●○StandaardLPexamenblad-economie-domein-E

Kernpunten

Een aandeel is een bewijs van mede-eigendom van een onderneming. Wie een aandeel koopt, wordt voor dat deel eigenaar, deelt in de winst via dividend en heeft stemrecht op de aandeelhoudersvergadering. Het rendement bestaat uit dividend plus koerswinst, maar beide zijn onzeker: gaat het slecht, dan daalt de koers en vervalt het dividend, en bij een faillissement zijn aandeelhouders als laatsten aan de beurt. Aandelen hebben daarom een hoog verwacht rendement én een hoog risico; ze zijn geschikt voor de lange termijn, waarin schommelingen kunnen worden uitgezeten.
Een obligatie is een verhandelbaar schuldbewijs: je leent geld uit aan een onderneming of overheid en krijgt in ruil een vaste rente (de couponrente) en aan het eind van de looptijd je inleg (de hoofdsom) terug. De obligatiehouder is schuldeiser, geen eigenaar: hij heeft geen stemrecht, maar staat bij problemen wél vóór de aandeelhouders in de rij. Doordat de coupon en de aflossing vastliggen, is het rendement beter voorspelbaar en het risico lager dan bij aandelen — al blijft er kredietrisico (de uitgever kan in gebreke blijven) en, zodra de obligatie verhandeld wordt, koersrisico (§3).
Aandelen en obligaties zijn zo twee manieren waarop een bedrijf zich financiert: met eigen vermogen (aandelen) of met vreemd vermogen (obligaties en leningen). Voor de belegger vormen ze een spectrum van risico en zekerheid, met de spaarrekening als veiligste en aandelen als meest risicovolle uiterste. Afb. 2 zet de kenmerken naast elkaar. De keuze tussen deze vormen — en de mix ervan — bepaalt het risicoprofiel van een portefeuille en hangt af van de doelen en de risicobereidheid van de belegger.

Aandeel versus obligatie

Aandelen en obligatiesTabel met 3 kolommen en 5 rijen, Gegevens: kenmerk · aandeel · obligatie; relatie · mede-eigenaar · schuldeiser (lening); vergoeding · dividend (variabel) · couponrente (vast); zeggenschap · stemrecht · geen; risico · hoog · lager; bij faillissement · als laatste · vóór aandeelhoudersKENMERKAANDEELOBLIGATIErelatiemede-eigenaarschuldeiser (lening)vergoedingdividend (variabel)couponrente (vast)zeggenschapstemrechtgeenrisicohooglagerbij faillissementals laatstevóór aandeelhouders
Afb. 2Afb. 2 — Aandeel versus obligatie. Een aandeel geeft mede-eigendom en een variabel, riskanter rendement; een obligatie is een schuld met een vaste coupon en lager risico.
Naast deze klassieke vormen bestaan er beleggingsfondsen en indexfondsen, die het geld van veel beleggers bundelen en spreiden over veel aandelen of obligaties. Zo kan ook een kleine belegger met één product breed gespreid beleggen (§4), tegen lagere kosten en met minder risico dan bij het kopen van losse aandelen. Voor het examen is vooral het onderscheid aandeel–obligatie belangrijk: eigendom versus schuld, variabel dividend versus vaste coupon, hoog versus lager risico, en de plaats in de rij bij faillissement.
Uitgewerkt voorbeeld

Aandeel of obligatie kiezen

Een belegger wil over 2 jaar zeker €10.000 hebben voor een aanbetaling op een huis. Leg uit of hij dit bedrag beter in aandelen of in een veilige obligatie (of spaarrekening) kan zetten, met de begrippen risico en tijdshorizon.

  1. 01Doel en horizon

    Het bedrag is over 2 jaar nodig en mag niet dalen: een korte horizon met een harde ondergrens.

  2. 02Aandelen beoordelen

    Aandelen hebben een hoog verwacht rendement maar kunnen op korte termijn flink dalen; het risico dat er over 2 jaar minder dan €10.000 staat, is te groot.

  3. 03Veilig alternatief

    Een spaarrekening of een korte, veilige obligatie geeft een lager maar zeker rendement en behoudt de inleg.

  4. 04Conclusie

    Bij een korte horizon met een harde doelstelling past een veilige belegging beter dan aandelen.

Resultaat: Voor een zeker bedrag over 2 jaar past een spaarrekening of veilige obligatie; aandelen zijn te risicovol op deze korte termijn.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: het onderscheid tussen een aandeel (eigendom, dividend) en een obligatie (schuld, coupon) uitleggen.
  • Examendoel: een beleggingsvorm koppelen aan risicobereidheid en tijdshorizon.

Veelgemaakte fouten

  • Een obligatiehouder als mede-eigenaar zien; hij is schuldeiser en heeft geen stemrecht.
  • Aandelen zonder meer ‘beter’ noemen omdat het verwachte rendement hoger is, zonder het hogere risico en de horizon mee te wegen.

Actieve herhaling

Leg uit waarom een obligatiehouder bij een faillissement doorgaans meer van zijn inleg terugkrijgt dan een aandeelhouder, en waarom aandeelhouders daar tegenover een hoger verwacht rendement eisen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein E (ruilen over de tijd) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Rente en obligatiekoersen#

●●●VerdiepingLPexamenblad-economie-domein-E

Kernpunten

Een obligatie heeft een vaste coupon, maar zodra ze verhandeld wordt, kan haar koers (de prijs op de markt) afwijken van de nominale waarde. De koers past zich zó aan dat het rendement op de obligatie meebeweegt met de actuele marktrente. Daardoor bestaat er een omgekeerd (negatief) verband tussen de marktrente en de obligatiekoers: stijgt de marktrente, dan dáált de koers van bestaande obligaties, en omgekeerd. Afb. 3 tekent dit verband als een dalende kromme.

Obligatiekoers en de marktrente

Rente en obligatiekoersSchaubild von koers = coupon / rente, fallend, im Bereich x von 2 bis 10234567891050010001500200025005% → €10006,25% → €800koers = coupon /renteobligatiekoers (€)marktrente (%)
Afb. 3Afb. 3 — Bij een obligatie met €50 coupon is de koers = 50 / marktrente (hier 5000/r met r in %). Bij 5% is de koers €1000 (nominale waarde), bij 6,25% daalt hij naar €800: rente en koers bewegen tegengesteld.
De intuïtie is eenvoudig. Stel dat een obligatie jaarlijks €50 coupon uitkeert. Zolang de marktrente 5% is, is die obligatie €1000 waard, want €50 is 5% van €1000. Stijgt de marktrente naar 6,25%, dan wil niemand nog €1000 betalen voor €50 coupon (dat zou maar 5% opleveren terwijl je elders 6,25% krijgt); de koers daalt tot het punt waarop de €50 coupon óók 6,25% rendement geeft, namelijk €800 (50/800=6,25%50/800 = 6{,}25\%50/800=6,25%). De koers beweegt dus tegengesteld aan de rente, zodat het effectieve rendement gelijk blijft aan de marktrente.
Formeel gezien is de koers van een obligatie de contante waarde van alle toekomstige coupons en de aflossing, gedisconteerd tegen de marktrente. Stijgt de disconteringsvoet (de marktrente), dan daalt die contante waarde en dus de koers — precies het disconteren uit het vorige domein. Voor een eeuwigdurende obligatie (zonder aflossing) vereenvoudigt dit tot koers=couponmarktrente\text{koers} = \frac{\text{coupon}}{\text{marktrente}}koers=marktrentecoupon​, de betrekking die Afb. 3 laat zien. Hoe langer de looptijd van een obligatie, hoe sterker de koers op renteveranderingen reageert.
Dit rente-koersverband is belangrijk voor beleggers én voor het monetaire beleid. Voor de belegger betekent het dat ook ‘veilige’ obligaties koersrisico kennen: wie ze vóór de aflossing wil verkopen na een rentestijging, lijdt verlies. Voor de centrale bank is het een kanaal waarlangs het beleid werkt: door de rente te sturen beïnvloedt ze de koersen van obligaties en daarmee de financieringskosten in de hele economie. Zo verbindt de obligatiemarkt de individuele belegging met de macro-economische rente-instrumenten die verderop aan bod komen.
koerseeuwigdurend=couponmarktrente\text{koers}_{\text{eeuwigdurend}} = \frac{\text{coupon}}{\text{marktrente}}koerseeuwigdurend​=marktrentecoupon​

Koers van een eeuwigdurende obligatie

Omgekeerd verband: hogere marktrente, lagere koers.

Uitgewerkt voorbeeld

Obligatiekoers berekenen bij een renteverandering

Een eeuwigdurende obligatie keert jaarlijks €50 coupon uit. De marktrente is 5%. Bereken de koers. Wat wordt de koers als de marktrente stijgt naar 8%, en wat betekent dat voor een houder die wil verkopen?

  1. 01Koers bij 5%

    koers=500,05= EUR1000\text{koers} = \frac{50}{0{,}05} =\,\text{EUR}1000koers=0,0550​=EUR1000 (gelijk aan de nominale waarde).

  2. 02Koers bij 8%

    koers=500,08= EUR625\text{koers} = \frac{50}{0{,}08} =\,\text{EUR}625koers=0,0850​=EUR625.

  3. 03Gevolg voor de houder

    De koers daalt van €1000 naar €625: wie nu verkoopt, lijdt €375 koersverlies. De vaste coupon van €50 is bij de hogere marktrente minder waard geworden.

Resultaat: De koers daalt van €1000 (bij 5%) naar €625 (bij 8%); de rentestijging veroorzaakt een koersverlies van €375 voor wie tussentijds verkoopt.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: het omgekeerde verband tussen de marktrente en de obligatiekoers beredeneren en berekenen.
  • Examendoel: de obligatiekoers uitleggen als contante waarde van de toekomstige coupons en aflossing.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat een obligatiekoers stijgt als de rente stijgt; het verband is juist omgekeerd.
  • De couponrente (vast, op de nominale waarde) verwarren met het effectieve rendement (afhankelijk van de koers).

Actieve herhaling

Een eeuwigdurende obligatie geeft €40 coupon per jaar. Bereken de koers bij een marktrente van 4% en bij 5%, en leg uit in welke richting de koers beweegt als de centrale bank de rente verhoogt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein E (ruilen over de tijd) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Diversificatie en risicospreiding#

●●●VerdiepingLPexamenblad-economie-domein-E

Kernpunten

Diversificatie is het spreiden van beleggingen over verschillende bezittingen om het risico te verkleinen — het spreekwoordelijke ‘niet alle eieren in één mand’. Het idee is dat de koersen van verschillende aandelen niet allemaal tegelijk dezelfde kant op bewegen: gaat het ene bedrijf slecht, dan kan een ander juist goed presteren, zodat de schommelingen elkaar deels opheffen. Daardoor is het risico van een gespreide portefeuille kleiner dan het gemiddelde risico van de losse beleggingen. Afb. 4 laat zien hoe het portefeuillerisico daalt naarmate je meer verschillende aandelen toevoegt.

Diversificatie verkleint het risico

Effect van spreiding op het risicoLijndiagram: risico (index) naar aantal verschillende aandelen020406080100510152025303540risico (index)aantal verschillende aandelen
Afb. 4Afb. 4 — Naarmate een portefeuille meer verschillende aandelen bevat, daalt het risico snel en vlakt het daarna af op het niveau van het niet-diversifieerbare marktrisico.
Het effect is het sterkst bij de eerste stappen van spreiding en vlakt daarna af. Wie van één naar tien verschillende aandelen gaat, verlaagt het risico fors; de sprong van twintig naar dertig levert veel minder op. De reden is dat spreiding alleen het bedrijfsspecifieke (unieke, diversifieerbare) risico wegneemt — de tegenvallers die één bedrijf treffen. Wat overblijft, is het marktrisico (systematisch risico): schokken die de hele economie raken, zoals een recessie of een rentestijging, treffen álle aandelen tegelijk en zijn niet weg te spreiden. De curve in Afb. 4 daalt daarom naar een bodem die niet verder zakt.
Diversificatie werkt beter naarmate de beleggingen minder met elkaar samenhangen. Spreiden over bedrijven in dezelfde sector helpt minder dan spreiden over verschillende sectoren, landen en beleggingscategorieën (aandelen, obligaties, vastgoed), omdat die minder gelijktijdig bewegen. In de kern is dit dezelfde logica als de wet van de grote aantallen bij verzekeren: door veel onafhankelijke risico's te bundelen, wordt het geheel voorspelbaarder dan elk onderdeel afzonderlijk. Zo krijgt een belegger een lager risico zónder dat het verwachte rendement daalt — het enige ‘gratis’ voordeel in de beleggingswereld.
Voor de praktijk verklaart dit de populariteit van breed gespreide indexfondsen, waarmee een belegger in één keer honderden aandelen aanhoudt en zo bijna al het bedrijfsspecifieke risico kwijt is. Het laat ook zien waarom het onverstandig is om je hele spaargeld in het aandeel van één bedrijf (bijvoorbeeld je eigen werkgever) te steken: dan loop je het volle unieke risico dat je gratis had kunnen wegspreiden. Diversificatie is daarmee het belangrijkste, en meest concrete, gereedschap om de afweging rendement-risico in je voordeel te verschuiven.
portefeuillerisico=marktrisico+bedrijfsspecifiek risico\text{portefeuillerisico} = \text{marktrisico} + \text{bedrijfsspecifiek risico}portefeuillerisico=marktrisico+bedrijfsspecifiek risico

Uiteenrafeling van risico

Diversificatie neemt het bedrijfsspecifieke (unieke) risico weg; het marktrisico blijft.

Uitgewerkt voorbeeld

Waarom spreiden loont

Twee aandelen hebben elk een verwacht rendement van 8%. Aandeel A doet het goed als de olieprijs stijgt, aandeel B als die daalt. Leg uit waarom een portefeuille met beide aandelen minder risico heeft dan elk aandeel apart, terwijl het verwachte rendement 8% blijft.

  1. 01Tegengestelde gevoeligheid

    A en B reageren tegengesteld op de olieprijs: als A daalt, stijgt B vaak, en omgekeerd.

  2. 02Schommelingen heffen elkaar op

    In een portefeuille met beide compenseren de bewegingen elkaar deels, zodat het totale rendement veel stabieler is dan dat van A of B alleen.

  3. 03Rendement blijft gelijk

    Beide hebben 8% verwacht rendement, dus de mix ook 8%; alleen het risico daalt — een lager risico zonder rendementsverlies.

Resultaat: Doordat A en B tegengesteld bewegen, dempt de portefeuille de schommelingen: het risico daalt terwijl het verwachte rendement 8% blijft — dat is het voordeel van diversificatie.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: uitleggen hoe diversificatie het bedrijfsspecifieke risico verkleint en waarom het marktrisico overblijft.
  • Examendoel: beoordelen waarom breed spreiden (over sectoren en categorieën) het risico verlaagt zonder het verwachte rendement te drukken.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat spreiding álle risico wegneemt; het systematische marktrisico blijft altijd bestaan.
  • Spreiden binnen één sector als volwaardige diversificatie zien; beleggingen die samen bewegen, verkleinen het risico nauwelijks.

Actieve herhaling

Leg uit waarom een werknemer die zijn hele spaargeld in aandelen van zijn eigen werkgever belegt, een dubbel risico loopt, en hoe diversificatie dat zou verminderen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein E (ruilen over de tijd) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Beleggen, sparen en de afweging rendement-risico◐
    • 02Aandelen en obligaties◐
    • 03Rente en obligatiekoersen●
    • 04Diversificatie en risicospreiding●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Beleggen

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~14
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma economie vwo — domein E (ruilen over de tijd)

Vorig onderwerp

Risico, asymmetrische informatie en verzekeren

Volgend onderwerp

Welvaart, structurele groei en welzijn

EuraStudy·Samenvattingen T·10·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.