EuraStudy
Samenvattingen/Duits/Woordenschat en idioom
Samenvattingen · DuitsNL · VWO

Woordenschat en idioom

Woordenschat is bij Duits geen apart examendomein maar een voorwaardelijke, ondersteunende vaardigheid: ze wordt niet als los onderdeel becijferd, maar draagt zowel het centraal examen (leesvaardigheid) als het schoolexamen (spreken en schrijven). Toch is ze doorslaggevend, want of je een Duitse tekst begrijpt, hangt bijna volledig af van hoeveel woorden je herkent en hoe goed je de rest afleidt. Dit onderwerp leert je Duitse woorden te ontsleutelen via de woordvorming (samenstellingen en afleidingen), waarschuwt voor valse vrienden (falsche Freunde) en behandelt idioom, collocaties en het onderscheid tussen formeel en informeel register (du/Sie).

4 Onderdelen·~19 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0666 / 15
Examenprofiel
Beseffen dat woordenschat een voorwaardelijke (ondersteunende) vaardigheid is — geen apart, becijferd toetsdomein — die zowel het CE (lezen) als het SE (spreken en schrijven) draagtDuitse samenstellingen (Komposita) ontleden — het laatste deel is de kern — en afleidingen met prefixen (un-, ver-, zer-, ent-) en suffixen (-ung, -heit, -keit, -lich) herkennenValse vrienden (falsche Freunde) herkennen en de juiste betekenis kiezen in plaats van de schijnbetekenisIdioom (Redewendungen), vaste collocaties en het register (formeel/informeel, du/Sie) hanteren
Operatoren:leid af uit de contextontleed in samenstelling of afleidingverklaarvertaalkies de juiste betekenis

basisniveau

Woordenschat ondersteunt de hele examentraining: hoe meer Duitse woorden je herkent en hoe beter je de rest uit de context en de woordvorm afleidt, hoe vlotter en preciezer je het CE-leesexamen maakt.

verhoogd niveau

Wie naar C1 reikt, bouwt niet alleen een grotere receptieve woordenschat op, maar beheerst ook idioom, collocaties en register actief en kiest bij het schrijven en spreken bewust het precieze, idiomatisch juiste Duitse woord.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Woordenschat en idioom
    • 01Woordenschat als ondersteunende vaardigheid○
    • 02Woordvorming: samenstellingen (Komposita) en afleidingen◐
    • 03Valse vrienden (falsche Freunde) en betekenisfouten◐
    • 04Idioom (Redewendungen), collocaties en register●
§ 01

Woordenschat als ondersteunende vaardigheid#

●○○BasisLPexamenblad-nl-duits-vwo-woordenschat

Kernpunten

Woordenschat (der Wortschatz) is bij Duits geen apart examendomein en er is geen los woordenschattoetsonderdeel; het is een voorwaardelijke, ondersteunende vaardigheid die niet als eigen onderdeel wordt becijferd. Toch is ze in de praktijk doorslaggevend, en wel in twee richtingen tegelijk. In het centraal examen (leesvaardigheid) bepaalt je woordkennis of je een Duitse tekst überhaupt begrijpt: waar grammatica je helpt de zinsbouw te ontleden, beslist je woordenschat over de inhoud. En in het schoolexamen draagt ze je productieve vaardigheden — spreken (domein C) en schrijven (domein D) — want zonder de juiste woorden krijg je je boodschap niet idiomatisch verwoord. Woordenschat is dus geen doel op zich met eigen puntenaftrek, maar de motor onder álle vaardigheden, en juist daarom loont het om haar systematisch uit te bouwen.
Voor het CE telt vooral je receptieve woordenschat: de woorden die je herkent wanneer je ze leest, ook al zou je ze zelf niet actief gebruiken. Het streefniveau voor lezen is ERK B2, wat neerkomt op een woordenschat van enkele duizenden woordfamilies. Bij het CE mag je een woordenboek (Duits-Nederlands) gebruiken, maar de examentijd is beperkt: wie elk onbekend woord opzoekt, komt niet rond. De kunst is daarom te kiezen. De meeste onbekende woorden leid je uit de context of de woordvorm af, en alleen een sleutelwoord dat je echt nodig hebt om de vraag te beantwoorden, sla je op. Zo blijft het woordenboek een gericht hulpmiddel en wordt het geen tijdvreter.
Een groot deel van je woordenschat is opgebouwd in de onderbouw (herhaling): de hoogfrequente woorden, de basiswerkwoorden en de dagelijkse thema's ken je in principe al. In de bovenbouw verschuift de nadruk naar minder frequente, abstractere en idiomatische woorden, en naar de woordenschat die hoort bij de gangbare examenthema's — samenleving, milieu, media, jongeren en het Duitstalige gebied (D-A-CH). Het loont om je woordenschat thematisch uit te breiden en woorden niet los, maar in netwerken te leren: een nieuw woord onthoud je beter naast zijn synoniem, zijn tegenstelling en zijn woordfamilie. Het Duits maakt dat bovendien makkelijk, omdat het uit één stam een hele reeks woorden bouwt (denk aan „fahren, die Fahrt, der Fahrer, die Abfahrt”). Zo groeit je woordkennis mee met het soort teksten dat het examen je voorlegt.
De verstandigste examenstrategie is een combinatie van context en woordvorm, met het woordenboek als sluitstuk. Lees eerst de zin (en zo nodig de alinea) rond het onbekende woord en vraag je af welke woordsoort en welke betekenis logisch passen; kijk daarna naar de vorm — herken je een bekende stam, een voorvoegsel of een achtervoegsel, of is het een samenstelling die je van achteren naar voren kunt ontleden? Pas als beide je niet verder helpen én het woord cruciaal is voor het antwoord, zoek je het op. Bouw daarnaast bewust aan je actieve woordenschat voor het schoolexamen: bij spreken en schrijven telt niet herkenning maar correcte productie, inclusief het juiste geslacht, het juiste voorzetsel en de juiste vaste combinatie. Behandel woordenschat dus als gereedschap voor begrip én voor je eigen productie, niet als een verzameling losse woordjes.
Uitgewerkt voorbeeld

Kiezen: afleiden of opzoeken?

Je leest: „Der Klimawandel bedroht viele Tierarten; zahlreiche Arten könnten in den nächsten Jahrzehnten aussterben.” Je kent „bedroht” en „aussterben” niet zeker. Wat doe je?

  1. 01De context lezen

    Het thema is klimaat en natuur. „Der Klimawandel” (de klimaatverandering) is het onderwerp; de tweede zinshelft zegt dat „zahlreiche Arten” (talrijke soorten) iets zouden kunnen doen.

  2. 02„aussterben” afleiden via de woordvorm

    „aussterben” bestaat uit „aus-” (uit) en „sterben” (sterven): letterlijk uitsterven. Met de context (soorten en klimaat) is dat de enige logische betekenis — niet opzoeken.

  3. 03„bedroht” afleiden via de context

    Het werkwoord „bedrohen” verbindt de klimaatverandering met de soorten en heeft een dreigende lading: bedreigen. Ook hier is opzoeken overbodig.

Resultaat: Beide woorden zijn af te leiden: „bedrohen” = bedreigen, „aussterben” = uitsterven. Je hoeft niets op te zoeken en houdt tijd over voor de vraag. Kernzin: de klimaatverandering bedreigt veel diersoorten; talrijke soorten zouden kunnen uitsterven.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: beseffen dat woordenschat geen apart, becijferd toetsonderdeel is, maar de doorslaggevende voorwaarde voor het CE-leesexamen en voor spreken en schrijven in het SE.
  • Examendoel: onbekende woorden strategisch aanpakken — eerst uit de context en de woordvorm afleiden en het woordenboek alleen inzetten voor cruciale sleutelwoorden.

Veelgemaakte fouten

  • Bij het CE elk onbekend woord opzoeken. Dat kost te veel tijd; de meeste woorden hoef je niet exact te kennen om de vraag te beantwoorden, en de echte sleutelwoorden mis je dan door tijdgebrek.
  • Woorden los uit het hoofd leren zonder context, collocatie of woordfamilie. Losse woorden zakken snel weg en leveren bij het schrijven vaak het verkeerde geslacht, voorzetsel of de verkeerde combinatie op.

Actieve herhaling

Neem een Duitstalige tekst van ongeveer een halve pagina (bijvoorbeeld een kort krantenartikel) en onderstreep alle woorden die je niet meteen kent. Bepaal per woord of je de betekenis uit de context of de woordvorm kunt afleiden, of dat je het zou moeten opzoeken. Streef ernaar dat je er hooguit drie hoeft op te zoeken.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Duits VWO — woordenschat als voorwaardelijke (ondersteunende) vaardigheid (CvTE / Examenblad)

§ 02

Woordvorming: samenstellingen (Komposita) en afleidingen#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-duits-vwo-woordenschat

Kernpunten

Woordvorming (die Wortbildung) is een krachtig middel om de betekenis van een onbekend Duits woord te reconstrueren, en Afb. 1 zet de drie hoofdroutes op een rij: de samenstelling (das Kompositum), de afleiding met een voorvoegsel (prefix) en de afleiding met een achtervoegsel (suffix). Het Duits vormt namelijk opvallend veel woorden door bestaande delen aan elkaar te plakken of van vaste voor- en achtervoegsels te voorzien. Ken je de bouwstenen, dan kun je de betekenis vaak zelf afleiden zonder woordenboek. Deze techniek werkt bovendien in twee richtingen: uit een bekend grondwoord voorspel je afleidingen, en uit een onbekende afleiding herleid je het grondwoord. Voor het lezen is dit een van je snelste ontsleutelstrategieën.

Afb. 1 — Duitse woordvorming

Duitse woordvormingBoomdiagram, 6 paden, Gegevens: Kompositum (samenstelling) → „der Handschuh” = Hand + Schuh; Kompositum (samenstelling) → kern = laatste deel; Prefix-afleiding (Vorsilbe) → un-, ver-, zer-, ent-; Prefix-afleiding (Vorsilbe) → „unklar”, „zerstören”; Suffix-afleiding (Nachsilbe) → -ung, -heit, -keit (die …); Suffix-afleiding (Nachsilbe) → -lich („freundlich”)Kompositum (samenstelling)Prefix-afleiding (Vorsilbe)Suffix-afleiding (Nachsilbe)Duitse woordvorming„der Handschuh” = Hand + Schuhkern = laatste deelun-, ver-, zer-, ent-„unklar”, „zerstören”−ung, −heit, −keit (die …)−lich („freundlich”)
Afb. 1De drie routes van de Duitse woordvorming. Bij een samenstelling is het laatste deel de kern; voor- en achtervoegsels sturen de betekenis en de woordsoort.
De samenstelling (das Kompositum) is het meest typerend voor het Duits: twee of meer woorden vormen samen één nieuw woord, dat aaneengeschreven wordt. De gouden regel is dat het laatste deel de kern (das Grundwort) is en de betekenis en het geslacht bepaalt; de delen ervoor (das Bestimmungswort) zeggen wélk soort. Zo is „der Handschuh” een „Schuh” (schoen) voor de „Hand” — een handschoen — en is het geslacht dat van „der Schuh”. Je ontleedt een samenstelling dus van achteren naar voren: „die Umweltverschmutzung” lees je als „Verschmutzung” (vervuiling) van de „Umwelt” (het milieu), oftewel milieuvervuiling. Let op de tussenletter, de Fugen-s, die vaak tussen de delen staat („der Geburtstag” → „die Geburtstagsfeier”); die verandert de betekenis niet.
De afleiding met een voorvoegsel (prefix) verandert de betekenis van een bestaand woord. Vier veelvoorkomende voorvoegsels moet je kennen. „un-” maakt een woord ontkennend: „klar” (duidelijk) → „unklar” (onduidelijk), „möglich” → „unmöglich”. „ver-” heeft vaak de kleur van „weg”, „verkeerd” of „veranderen”: „stehen” (staan) → „verstehen” (begrijpen), „lernen” → „verlernen” (afleren). „zer-” duidt op kapot- of uiteenmaken: „stören” → „zerstören” (vernietigen), „brechen” → „zerbrechen” (kapotbreken). En „ent-” betekent „ont-” of „weghalen”: „decken” → „entdecken” (ontdekken), „scheiden” → „entscheiden” (beslissen). Herken je „un-” of „zer-”, dan weet je meteen dat de betekenis ontkennend of destructief gekleurd is.
De afleiding met een achtervoegsel (suffix) verraadt vooral de woordsoort — en bij zelfstandige naamwoorden het geslacht. De suffixen „-ung”, „-heit” en „-keit” vormen altijd vrouwelijke zelfstandige naamwoorden (die): „meinen” → „die Meinung” (de mening), „frei” → „die Freiheit” (de vrijheid), „möglich” → „die Möglichkeit” (de mogelijkheid). Dat is handig, want zo ken je meteen het lidwoord zonder het op te zoeken. Het suffix „-lich” maakt daarentegen bijvoeglijke naamwoorden of bijwoorden: „der Freund” → „freundlich” (vriendelijk), „der Tag” → „täglich” (dagelijks). Herken je het achtervoegsel, dan weet je of je met een zelfstandig naamwoord, een bijvoeglijk naamwoord of een bijwoord te maken hebt — en dus welke rol het woord in de zin speelt. Combineer dit altijd met de context om je afleiding op logica te controleren.
Uitgewerkt voorbeeld

Een lange samenstelling ontleden: „die Umweltverschmutzung”

Leid de betekenis en het geslacht van „die Umweltverschmutzung” af zonder woordenboek, in: „Die Umweltverschmutzung ist ein großes Problem in vielen Großstädten.”

  1. 01De samenstelling splitsen

    Splits van achteren naar voren: „Umwelt” (het milieu) + „Verschmutzung”. De kern is het laatste deel: „die Verschmutzung”.

  2. 02De kern begrijpen

    „die Verschmutzung” komt van „verschmutzen” (vervuilen), met het achtervoegsel „-ung” — dus „de vervuiling”, en door „-ung” is het woord vrouwelijk: die.

  3. 03Kern en bepaling combineren

    „Verschmutzung” van de „Umwelt” = milieuvervuiling. Het geslacht volgt uit de kern: „die Verschmutzung”, dus „die Umweltverschmutzung”.

Resultaat: „die Umweltverschmutzung” = de milieuvervuiling. Door van achteren naar voren te ontleden vind je de kern („Verschmutzung”, vrouwelijk door „-ung”) en daarmee zowel de betekenis als het lidwoord: de milieuvervuiling is een groot probleem in veel grote steden.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een Duitse samenstelling (Kompositum) van achteren naar voren ontleden — het laatste deel is de kern en bepaalt betekenis en geslacht.
  • Examendoel: de betekenis en woordsoort van een afleiding reconstrueren via het voorvoegsel (un-, ver-, zer-, ent-) en het achtervoegsel (-ung, -heit, -keit, -lich).

Veelgemaakte fouten

  • Een samenstelling van voren naar achteren interpreteren en zo de kern verliezen: bij „die Umweltverschmutzung” denken aan „Umwelt” in plaats van aan „Verschmutzung” (het laatste deel is de kern).
  • Een ontkennend voorvoegsel over het hoofd zien en de betekenis omdraaien: „unklar” lezen als „duidelijk” of „unmöglich” als „mogelijk”, terwijl „un-” de betekenis juist ontkent.

Actieve herhaling

Ontleed de volgende woorden en leid de betekenis af: (1) „das Krankenhaus” (2) „die Arbeitslosigkeit” (3) „unfreundlich” (4) „die Geschwindigkeitsbegrenzung”. Benoem bij de samenstellingen wat de kern (het laatste deel) is en welk geslacht daaruit volgt, en bij de afleidingen wat het voor- of achtervoegsel doet.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Duits VWO — woordenschat als voorwaardelijke (ondersteunende) vaardigheid (CvTE / Examenblad)

§ 03

Valse vrienden (falsche Freunde) en betekenisfouten#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-duits-vwo-woordenschat

Kernpunten

Omdat het Nederlands en het Duits nauw verwant zijn, lijken heel veel woorden op elkaar — en juist die gelijkenis is een valkuil. Valse vrienden (falsche Freunde) zijn Duitse woorden die sterk op een Nederlands woord lijken maar iets anders betekenen, en Afb. 2 ordent ze in drie soorten. De eerste soort heeft een totaal andere betekenis; de tweede vormt een verwisseld paar, waarbij twee Duitse woorden precies andersom liggen dan hun Nederlandse gelijkenis suggereert; en de derde is bedrieglijk in zijn nuance. Het gevaar is dat je bij het lezen automatisch de Nederlandse betekenis invult en zo de zin verkeerd begrijpt. Wie de bekendste valse vrienden kent en bij twijfel op de context let, loopt niet in de val.

Afb. 2 — Soorten valse vrienden (falsche Freunde)

Soorten valse vriendenBoomdiagram, 6 paden, Gegevens: Totaal andere betekenis → „bellen” = blaffen; Totaal andere betekenis → „doof” = dom; Totaal andere betekenis → „mögen” = houden van; Verwisseld paar → „der See” = meer; Verwisseld paar → „das Meer” = zee; Bedrieglijke nuance → „brav” = gehoorzaam (niet: dapper)Totaal andere betekenisVerwisseld paarBedrieglijke nuanceValse vrienden (falsche Freunde)„bellen” = blaffen„doof” = dom„mögen” = houden van„der See” = meer„das Meer” = zee„brav” = gehoorzaam (niet: dapper)
Afb. 2Drie soorten valse vrienden tussen het Duits en het Nederlands. Bij het verwisselde paar draagt bovendien het geslacht betekenis: der See (meer) tegenover die See / das Meer (zee).
De eerste en grootste groep zijn woorden met een totaal andere betekenis dan hun Nederlandse dubbelganger. „bellen” betekent in het Duits niet telefoneren maar blaffen: „Der Hund bellt.” is „De hond blaft.” „doof” betekent niet doof (dat is „taub”) maar dom of stom: „Das war eine doofe Idee.” „mögen” ten slotte betekent niet mogen (dat is „dürfen”) maar houden van of lusten: „Ich mag Schokolade.” is „Ik houd van chocolade.” Deze woorden voelen vertrouwd, maar hun betekenis ligt volledig elders — en dat maakt ze extra gevaarlijk, want je herkent ze niet als lastig. Leer ze bewust als paar: het Duitse woord én de Nederlandse valstrik ernaast.
De tweede soort is het verwisselde paar, en het klassieke voorbeeld draait om „See” en „Meer”. In het Duits is „der See” (mannelijk) het meer, en is de zee juist „das Meer” of „die See” (vrouwelijk) — precies omgekeerd aan wat een Nederlander verwacht, want ons „meer” lijkt op „Meer” en onze „zee” op „See”. Hier draagt bovendien het geslacht betekenis: „der See” is het meer, maar „die See” is de zee. Zulke paren moet je uit het hoofd leren omdat gezond verstand je hier juist misleidt. Let dus op het lidwoord en op de context: „Wir schwimmen im See.” gaat over een meer, „Wir fahren an die See.” over de zee.
De derde soort is subtieler: woorden waarvan de betekenis net iets verschoven is. „brav” betekent in het Duits braaf of gehoorzaam (van een kind), en níét dapper of moedig (dat is „tapfer” of „mutig”) — de gelijkenis met het Engelse „brave” lokt hier de fout uit. Ook „also” (dus, niet „ook”), „bald” (binnenkort, niet „boud”) en „arm” (arm in de zin van niet rijk, maar ook lichaamsdeel) vragen aandacht. Bij deze halve vrienden helpt maar één ding: de betekenis toetsen aan de context en, als het cruciaal is, opzoeken. Onthoud de vuistregel dat een woord dat te makkelijk lijkt, juist een valse vriend kán zijn — controleer bij twijfel altijd of de vertrouwde betekenis wel logisch in de zin past.
Uitgewerkt voorbeeld

Een valse vriend in de zin herkennen

Vertaal correct en verklaar de valstrik: „Im Sommer schwimmen wir jeden Tag im See.”

  1. 01De valse vriend opsporen

    „See” lijkt op het Nederlandse „zee”, maar „der See” (mannelijk, hier in de Dativ „im See”) betekent het meer. De zee zou „das Meer” of „die See” zijn.

  2. 02Met de context controleren

    Men zwemt „jeden Tag” (elke dag) ergens in — een meer past logisch bij dagelijks zwemmen dichtbij huis, en het lidwoord „der See” bevestigt de betekenis meer.

  3. 03De zin vertalen

    „Im Sommer schwimmen wir jeden Tag im See.” wordt: „In de zomer zwemmen we elke dag in het meer.” — niet in de zee.

Resultaat: „im See” betekent in het meer, niet in de zee. De klankgelijkenis met „zee” is de valstrik; het geslacht („der See”) en de context wijzen naar de juiste betekenis: in de zomer zwemmen we elke dag in het meer.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: veelvoorkomende valse vrienden (bellen, doof, mögen, der See/das Meer, brav) herkennen en de juiste Duitse betekenis kiezen in plaats van de Nederlandse schijnbetekenis.
  • Examendoel: bij verwisselde paren op het geslacht en de context letten (der See = meer tegenover die See/das Meer = zee) en een verdachte gelijkenis altijd op logica controleren.

Veelgemaakte fouten

  • Een valse vriend met de Nederlandse betekenis invullen: „bellen” lezen als telefoneren, „doof” als doof, of „Ich mag” als „ik mag” in plaats van „ik houd van”.
  • „der See” en „das Meer” verwisselen omdat de klank op het Nederlands lijkt, en zo een tekst over een meer als een tekst over de zee lezen (of andersom).

Actieve herhaling

Vertaal de gemarkeerde woorden correct en let op de valse vrienden: (1) „Mein Hund bellt jede Nacht.” (2) „Im Sommer baden wir gern im See.” (3) „Ich mag keinen Kaffee.” (4) „Sei brav!” Leg bij elke zin uit waarom de voor de hand liggende Nederlandse vertaling fout zou zijn.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Duits VWO — woordenschat als voorwaardelijke (ondersteunende) vaardigheid (CvTE / Examenblad)

§ 04

Idioom (Redewendungen), collocaties en register#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl-duits-vwo-woordenschat

Kernpunten

Woorden leven zelden alleen: ze vormen vaste combinaties, de collocaties. Dat zijn woordparen die een moedertaalspreker „nu eenmaal zo zegt”, en die je daarom niet woord voor woord uit het Nederlands kunt vertalen. Zo neemt het Duits een beslissing niet met „nehmen” maar met „treffen”: „eine Entscheidung treffen” is een beslissing nemen. Andere vaste combinaties zijn „eine Frage stellen” (een vraag stellen — niet „machen”), „Angst haben vor” (bang zijn voor), „Recht haben” (gelijk hebben) en „Rücksicht nehmen auf” (rekening houden met). Leer zulke combinaties als één geheel, inclusief het vaste voorzetsel en de naamval die het regeert, want juist bij het schrijven en spreken (SE) maakt de verkeerde collocatie je zin onidiomatisch — ook al klopt elk los woord.
Nog een stap verder gaan de idiomatische uitdrukkingen, de Redewendungen: vaste zegswijzen waarvan de betekenis niet uit de losse woorden volgt. „Ich verstehe nur Bahnhof.” betekent niet „ik versta alleen station”, maar ik snap er niets van; „jemandem die Daumen drücken” (letterlijk „voor iemand de duimen drukken”) betekent voor iemand duimen; en „Schwein haben” (letterlijk „varken hebben”) betekent geluk of mazzel hebben. Zulke uitdrukkingen moet je als geheel kennen, want letterlijk vertalen levert onzin op. In examenteksten herken je een idioom vaak doordat de letterlijke lezing niet bij de context past; dat is dan het signaal om naar de figuurlijke, vaste betekenis te zoeken (of, als het echt nodig is, het op te zoeken).
Register bepaalt welke woorden en welke aanspreekvorm bij de situatie passen, en in het Duits is de keuze tussen „du” en „Sie” daarvan het scherpst zichtbaar. „du” is informeel en gebruik je bij vrienden, familie, klasgenoten en kinderen; „Sie” (met een hoofdletter) is beleefd of formeel en gebruik je bij onbekenden, ouderen en gezagsdragers. Die keuze werkt door in de hele werkwoordsvorm en in de bezittelijke voornaamwoorden („dein” tegenover „Ihr”). Ook de woordkeuze verschilt per register: in een formele brief schrijf je „Sehr geehrte Damen und Herren” en „Könnten Sie …?”, terwijl je informeel „Hallo” of „Liebe Anna” en „Kannst du …?” gebruikt. Voor het schoolexamen (spreken en schrijven) telt dat je consequent het juiste register kiest en niet halverwege van „du” naar „Sie” wisselt.
Ten slotte vragen polysemie en woordkeuze aandacht. Veel Duitse woorden hebben meer dan één betekenis, en pas de context bepaalt welke geldt: „das Schloss” is zowel het slot (op de deur) als het kasteel, en „die Bank” is zowel de bank om op te zitten als de geldbank. Kies dus nooit automatisch de eerste betekenis die je kent, maar de betekenis die in de zin past. Bij het produceren (SE) draagt woordkeuze bovendien toon: „reden” en „sprechen” liggen dicht bij elkaar, maar „quatschen” is duidelijk informeel. Wie let op collocaties, idioom, register en polysemie, leest bij het CE nauwkeuriger en schrijft en spreekt bij het SE idiomatischer — precies de plek waar woordenschat als ondersteunende vaardigheid haar waarde bewijst.
Uitgewerkt voorbeeld

Een Duitse Redewendung ontsleutelen

Wat betekent de zin „Bei Mathe verstehe ich nur Bahnhof.”, en waarom werkt een letterlijke vertaling niet?

  1. 01De letterlijke lezing testen

    Letterlijk staat er „bij wiskunde versta ik alleen station” — dat is onzin en past niet bij de context van een schoolvak. Dat is het signaal dat het om een vaste uitdrukking gaat.

  2. 02De uitdrukking herkennen

    „nur Bahnhof verstehen” is een Redewendung: de losse woorden dragen de betekenis niet, de uitdrukking als geheel wel. Ze betekent er helemaal niets van begrijpen.

  3. 03De betekenis invullen

    Toegepast op de context: bij het vak wiskunde begrijpt de spreker er niets van. „Mathe” is bovendien de informele verkorting van „Mathematik”.

Resultaat: „Bei Mathe verstehe ich nur Bahnhof.” betekent: „Van wiskunde snap ik helemaal niets.” De letterlijke vertaling faalt omdat het een idioom (Redewendung) is dat je als geheel moet kennen — herkenbaar doordat de woord-voor-woordlezing geen zin heeft.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: vaste collocaties als geheel gebruiken, inclusief het juiste voorzetsel en de naamval (eine Entscheidung treffen, Angst haben vor), en idioom (Redewendungen) figuurlijk interpreteren in plaats van woord voor woord.
  • Examendoel: het register (formeel/informeel) en de aanspreekvorm du/Sie correct en consequent kiezen bij het schrijven en spreken in het SE.

Veelgemaakte fouten

  • Een collocatie of idioom woord voor woord vertalen, zoals „eine Entscheidung nehmen” (in plaats van „treffen”) of „Ich verstehe nur Bahnhof” letterlijk als „ik versta alleen station”.
  • „du” en „Sie” door elkaar gebruiken binnen dezelfde tekst of situatie, of een onbekende of gezagsdrager tutoyeren waar „Sie” hoort.

Actieve herhaling

Doe twee opdrachtjes. (1) Vertaal de collocaties en idiomen en geef aan of het een vaste combinatie of een Redewendung is: „eine Frage stellen”, „Angst haben vor”, „jemandem die Daumen drücken”, „Schwein haben”. (2) Herschrijf de informele zin „Hallo, kannst du mir mal helfen?” naar een formeel register met „Sie” en een gepaste aanhef.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Duits VWO — woordenschat als voorwaardelijke (ondersteunende) vaardigheid (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Woordenschat als ondersteunende vaardigheid○
    • 02Woordvorming: samenstellingen (Komposita) en afleidingen◐
    • 03Valse vrienden (falsche Freunde) en betekenisfouten◐
    • 04Idioom (Redewendungen), collocaties en register●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Woordenschat en idioom

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~19
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Duits VWO — woordenschat als voorwaardelijke (ondersteunende) vaardigheid

Vorig onderwerp

Artikelen en betogende teksten

Volgend onderwerp

Grammatica: naamvallen, werkwoorden en complexe zinsbouw

EuraStudy·Samenvattingen T·06·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.