EuraStudy
Samenvattingen/Bedrijfseconomie/Keuzeonderwerpen
Samenvattingen · BedrijfseconomieNL · VWO

Keuzeonderwerpen

Domein H bestaat uit keuzeonderwerpen: verdiepende thema's die de school kiest en uitsluitend in het schoolexamen (SE) toetst — niet in het centraal examen. Dit onderwerp schetst het SE-kader en werkt drie veelgekozen verdiepingen uit: de onderneming en de internationale handel (met wisselkoersen), de verdieping van de kostprijs-, investerings- en risicoanalyse, en corporate governance en duurzaamheid. Het bouwt telkens voort op de eindtermen van de domeinen A tot en met G.

4 Onderdelen·~14 min leestijd·3 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 3

T·161616 / 16
Examenprofiel
Verdieping — schoolexamen: de keuzeonderwerpen van domein H worden in het SE getoetst, niet in het centraal examen.Een keuzeonderwerp verbinden met de kernbegrippen uit de domeinen A tot en met G.Bedrijfseconomische begrippen (wisselkoers, NCW, risico, governance) toepassen op een verdiepende context.
Operatoren:leg uitberekenbeoordeelberedeneeranalyseerweeg af

basisniveau

Let op: domein H (keuzeonderwerpen) zit in het schoolexamen, niet in het centraal examen. De school bepaalt welke onderwerpen worden behandeld (zie het PTA).

verhoogd niveau

Verdieping: de gekozen keuzeonderwerpen bouwen voort op eerdere domeinen; beheers eerst A tot en met G, dan is de verdieping een toepassing daarvan.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Keuzeonderwerpen
    • 01Wat zijn de keuzeonderwerpen (het SE-kader)○
    • 02De onderneming en de internationale handel◐
    • 03Verdieping: kostprijs, investering en risico◐
    • 04Verdieping: corporate governance en duurzaamheid◐
§ 01

Wat zijn de keuzeonderwerpen (het SE-kader)#

●○○BasisLPexamenblad-bedrijfseconomie-domein-H

Kernpunten

Domein H bestaat uit keuzeonderwerpen: verdiepende thema's die niet in het centraal examen (CE) worden getoetst, maar in het schoolexamen (SE). Dit is een belangrijk verschil met de domeinen A tot en met G, die (grotendeels) wél CE-stof zijn. Wat er precies wordt behandeld, bepaalt jouw school en staat in het programma van toetsing en afsluiting (PTA). Voor het CE hoef je de keuzeonderwerpen dus niet te kennen; voor het SE wel, maar alleen de onderwerpen die je school heeft gekozen. Afb. 1 noemt enkele veelgekozen keuzeonderwerpen en waar ze op voortbouwen.

Voorbeelden van keuzeonderwerpen

Keuzeonderwerpen (domein H)Tabel met 2 kolommen en 4 rijen, Gegevens: keuzeonderwerp (voorbeeld) · bouwt voort op; de onderneming en de internationale handel · marketing (E) en financiering (D); verdieping kostprijs- en investeringsanalyse · investeren (D) en kosten (F); corporate governance · rechtsvormen (B) en verslaggeving (G); duurzaamheid en niet-financiële verslaggeving · perspectief (B4) en verslaggeving (G)KEUZEONDERWERP(VOORBEELD)BOUWT VOORT OPde onderneming en deinternationale handelmarketing (E) enfinanciering (D)verdieping kostprijs-eninvesteringsanalyseinvesteren (D) en kosten (F)corporate governancerechtsvormen (B) enverslaggeving (G)duurzaamheid en niet-financiële verslaggevingperspectief (B4) enverslaggeving (G)
Afb. 1Afb. 1 — Veelgekozen keuzeonderwerpen (domein H, schoolexamen) en de kerndomeinen waarop ze voortbouwen. De school bepaalt de daadwerkelijke keuze (PTA).
De keuzeonderwerpen staan niet los van de rest: ze verdiepen of verbreden de eindtermen van de eerdere domeinen. Een keuzeonderwerp over internationale handel bouwt voort op de marketing (domein E) en de financiering (domein D); een verdieping van de kostprijs- en investeringsanalyse bouwt voort op domein D en F; en corporate governance bouwt voort op de rechtsvormen (domein B) en de verslaggeving (domein G). Wie de basisdomeinen goed beheerst, kan een keuzeonderwerp aan als een toepassing van bekende begrippen op een nieuwe context.
Omdat de keuzeonderwerpen in het SE zitten, kan de toetsvorm anders zijn dan bij het CE. Naast een schriftelijke toets kan een school er een praktische opdracht, een onderzoek, een werkstuk of een presentatie van maken. Het gaat vaak niet alleen om rekenen, maar ook om onderzoeken, analyseren en beargumenteerd oordelen over een bedrijfseconomisch vraagstuk. Deze onderzoeks- en oordeelsvaardigheden sluiten aan bij domein A (vaardigheden en benaderingswijzen), dat het hele programma doorsnijdt.
Voor de eerlijkheid: presenteer de keuzeonderwerpen nooit als centraal-examenstof. Ze zijn verdieping, getoetst in het SE, en de precieze invulling verschilt per school. De uitwerkingen hieronder zijn dan ook voorbeelden van hoe een veelgekozen keuzeonderwerp eruit kan zien, geen verplichte examenstof. Gebruik ze om te zien hoe de begrippen uit de kerndomeinen in een verdiepende context terugkomen — en raadpleeg altijd het PTA van je eigen school voor wat er bij jou daadwerkelijk wordt getoetst.
Uitgewerkt voorbeeld

Een keuzeonderwerp plaatsen

Een school kiest als keuzeonderwerp 'de onderneming op de internationale markt'. Leg uit in welk examenonderdeel dit wordt getoetst en op welke eerdere domeinen het voortbouwt.

  1. 01Toetsonderdeel

    Keuzeonderwerpen (domein H) zitten in het schoolexamen (SE), niet in het centraal examen.

  2. 02Voortbouwen op marketing

    Internationale afzet is een verbreding van de marketing (domein E): nieuwe markten, doelgroepen en distributie.

  3. 03Voortbouwen op financiering

    Exporteren brengt betalingen in vreemde valuta mee, wat aansluit op financiering (domein D) en het begrip risico.

  4. 04Vaardigheden

    De analyse ervan gebruikt domein A (rekenen met wisselkoersen, benaderingswijzen).

Resultaat: Het onderwerp wordt in het SE getoetst en verbreedt de marketing (E) en financiering (D) met internationale afzet en valutarisico — een toepassing van bekende begrippen.

Eindexamen-focus

  • Examendoel (SE): weten dat de keuzeonderwerpen van domein H in het schoolexamen worden getoetst, niet in het centraal examen.
  • Examendoel (SE): een keuzeonderwerp verbinden met de kernbegrippen uit de eerdere domeinen.

Veelgemaakte fouten

  • De keuzeonderwerpen als centraal-examenstof beschouwen; ze horen bij het schoolexamen en de school kiest de invulling.
  • De keuzeonderwerpen los leren van de rest; ze zijn juist een verdieping van de domeinen A tot en met G.

Actieve herhaling

Zoek in het PTA van je eigen school op welke keuzeonderwerpen (domein H) worden behandeld en hoe ze worden getoetst, en benoem per onderwerp op welke kerndomeinen het voortbouwt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein H (keuzeonderwerpen) (CvTE / Examenblad)

§ 02

De onderneming en de internationale handel#

●●○StandaardLPexamenblad-bedrijfseconomie-domein-H

Kernpunten

Veel ondernemingen kopen in of verkopen over de grens. Exporteren opent nieuwe afzetmarkten (meer omzet, schaalvoordelen), importeren geeft toegang tot goedkopere of betere grondstoffen. Maar internationale handel brengt extra vraagstukken mee: andere markten en concurrenten, vervoer en douane, en — bedrijfseconomisch het belangrijkst — betalingen in een vreemde valuta. Dit keuzeonderwerp (schoolexamen) verbreedt zo de marketing en de financiering met een internationale dimensie.
Bij handel buiten de eurozone speelt de wisselkoers: de prijs van de ene munt in de andere. Verkoopt een Nederlandse onderneming aan een Amerikaanse klant, dan is de dollarprijs afhankelijk van de koers €/$. Afb. 2 laat zien wat er gebeurt met de prijs voor de Amerikaanse klant als de euro sterker of zwakker wordt. Wordt de euro sterker (meer dollars per euro), dan wordt het product in dollars duurder en daalt de export; wordt de euro zwakker, dan wordt het goedkoper voor buitenlandse kopers en stijgt de export.

Wisselkoers en de exportprijs

WisselkoerseffectTabel met 3 kolommen en 3 rijen, Gegevens: situatie · wisselkoers · prijs voor Amerikaanse klant; uitgangspunt · €1 = $1,10 · $1100; euro sterker · €1 = $1,20 · $1200 (export duurder); euro zwakker · €1 = $1,00 · $1000 (export goedkoper)SITUATIEWISSELKOERSPRIJS VOOR AMERIKAANSEKLANTuitgangspunt€1 = $1,10$1100euro sterker€1 = $1,20$1200 (export duurder)euro zwakker€1 = $1,00$1000 (export goedkoper)
Afb. 2Afb. 2 — Effect van de wisselkoers op een product van €1000. Een sterkere euro maakt de export duurder (in dollars), een zwakkere euro goedkoper.
De keerzijde van de wisselkoers is het koersrisico. Spreekt een exporteur een prijs in dollars af die hij pas over enkele maanden ontvangt, dan weet hij nu nog niet hoeveel euro's dat wordt: verandert de koers ongunstig, dan houdt hij minder over dan gedacht (koersverlies). Ondernemingen dekken dit risico soms af (hedgen) met afspraken over een vaste toekomstige koers, of ze factureren in de eigen munt en verschuiven het risico naar de klant. Zo koppelt de internationale handel het begrip risico uit domein D aan een concrete, meetbare onzekerheid.
Internationale handel raakt ook aan de bredere omgeving en het beleid van de onderneming. Handelsverdragen en de interne markt van de EU verlagen drempels, terwijl invoerrechten, quota en verschillen in regelgeving (product-, milieu- en arbeidseisen) juist drempels opwerpen. Een onderneming die internationaal gaat, moet haar marketingmix aanpassen aan lokale voorkeuren, haar logistiek en financiering inrichten op grotere afstanden en langere betalingstermijnen, en het valutarisico beheersen. Het keuzeonderwerp laat zo zien hoe de eerdere domeinen samenkomen zodra een onderneming de grens over gaat.
bedrag in euro’s=bedrag in vreemde valutakoers (vreemde valuta per euro)\text{bedrag in euro's}=\frac{\text{bedrag in vreemde valuta}}{\text{koers (vreemde valuta per euro)}}bedrag in euro’s=koers (vreemde valuta per euro)bedrag in vreemde valuta​

Omrekenen met de wisselkoers

Bij €1 = 1,10is1,10 is1,10is1100 gelijk aan €1000.

Uitgewerkt voorbeeld

Koersrisico bij een export

Een exporteur verkoopt goederen voor 55.000,teontvangenoverdriemaanden.Bijhetsluitenvanhetcontractisdekoers EUR1=55.000, te ontvangen over drie maanden. Bij het sluiten van het contract is de koers\,\text{EUR}1 =55.000,teontvangenoverdriemaanden.BijhetsluitenvanhetcontractisdekoersEUR1=1,10. Bereken de verwachte opbrengst in euro's. Wat is de opbrengst als de koers bij ontvangst €1 = $1,25 is, en hoe groot is het koersverlies?

  1. 01Verwachte opbrengst

    55.0001,10= EUR50.000\frac{55.000}{1{,}10}=\,\text{EUR}50.0001,1055.000​=EUR50.000 bij de contractkoers.

  2. 02Opbrengst bij de nieuwe koers

    55.0001,25= EUR44.000\frac{55.000}{1{,}25}=\,\text{EUR}44.0001,2555.000​=EUR44.000 als de euro sterker is geworden.

  3. 03Koersverlies

    50.000−44.000= EUR6.00050.000-44.000=\,\text{EUR}6.00050.000−44.000=EUR6.000 minder dan verwacht.

    50000−44000=600050000-44000=600050000−44000=6000
  4. 04Beheersing

    Dit koersrisico kan de exporteur afdekken (een vaste toekomstige koers afspreken) of vermijden door in euro's te factureren.

Resultaat: De verwachte opbrengst is €50.000; bij een sterkere euro (€1 = $1,25) wordt het €44.000, een koersverlies van €6.000 — het koersrisico van internationale handel.

Eindexamen-focus

  • Examendoel (SE): rekenen met wisselkoersen en het effect van een sterkere of zwakkere euro op im- en export uitleggen.
  • Examendoel (SE): het koersrisico bij internationale handel herkennen en manieren om het te beheersen benoemen.

Veelgemaakte fouten

  • Bij het omrekenen vermenigvuldigen in plaats van delen (of andersom); controleer met de koersrichting (dollars per euro).
  • Denken dat een sterke euro altijd gunstig is; voor de export is een sterke euro juist nadelig (het product wordt in vreemde valuta duurder).

Actieve herhaling

Een importeur moet over twee maanden 88.000betalen.Bijdebestellingisdekoers EUR1=88.000 betalen. Bij de bestelling is de koers\,\text{EUR}1 =88.000betalen.BijdebestellingisdekoersEUR1=1,10. Bereken de verwachte kosten in euro's. Bereken de kosten als de koers naar €1 = $1,00 gaat, en geef aan of dit gunstig of ongunstig is voor de importeur.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein H (keuzeonderwerpen) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Verdieping: kostprijs, investering en risico#

●●○StandaardLPexamenblad-bedrijfseconomie-domein-H

Kernpunten

Een veelgekozen verdieping (schoolexamen) is de fijnere analyse van kosten, investeringen en risico, voortbouwend op de domeinen D en F. Een eerste verdieping is de directe-kostencalculatie (direct costing) tegenover de integrale kostprijs. Bij de integrale kostprijs reken je álle kosten (ook de constante) aan het product toe; bij direct costing reken je alleen de variabele kosten aan het product toe en behandel je de constante kosten als een aparte periodekost. Direct costing sluit beter aan bij korte-termijnbeslissingen (denk aan de dekkingsbijdrage en de extra order), terwijl de integrale kostprijs nodig is om op lange termijn álle kosten gedekt te krijgen.
Een tweede verdieping is de gevoeligheids- of scenarioanalyse van een investering. In domein D bereken je de netto contante waarde (NCW) bij één set verwachte cashflows, maar die verwachting is onzeker. Door de NCW ook onder een pessimistisch en een optimistisch scenario te berekenen, zie je hoe gevoelig de uitkomst is voor tegenvallers. Afb. 3 toont zo'n analyse: bij verwachte cashflows is de NCW licht positief, maar in het pessimistische scenario wordt hij negatief — een teken dat de investering risicovol is.

Scenarioanalyse van een investering

ScenarioanalyseTabel met 3 kolommen en 3 rijen, Gegevens: scenario · cashflow per jaar (€) · NCW (€); pessimistisch · 16000 · -8766; verwacht · 20000 · 1542; optimistisch · 24000 · 11850, gemarkeerde cel: -8766SCENARIOCASHFLOW PER JAAR (€)NCW (€)pessimistisch16000-8766verwacht200001542optimistisch2400011850
Afb. 3Afb. 3 — Scenarioanalyse van een investering van €50.000 (3 jaar, disconteringsvoet 8%). In het pessimistische scenario is de NCW negatief: de investering is gevoelig voor tegenvallers.
Deze analyse maakt het begrip risico concreet en meetbaar. Een investering met een positieve verwachte NCW kan toch onaantrekkelijk zijn als de uitkomst sterk kan omslaan naar verlies; en een riskanter project verdient een hogere disconteringsvoet (rendementseis), wat de NCW verlaagt. Zo koppelt de verdieping het rekenen aan de beoordeling: niet alleen ‘wat is de verwachte uitkomst?’, maar ook ‘hoe zeker is die, en kan ik een tegenvaller dragen?’. Dat is precies het soort afweging dat het schoolexamen met een onderzoek of casus toetst.
Verwant hieraan is de interne rentevoet (internal rate of return): de disconteringsvoet waarbij de NCW precies nul is. Ligt de interne rentevoet boven de rendementseis, dan is de investering aantrekkelijk. Samen met de terugverdientijd, de gemiddelde rentabiliteit en de NCW geeft dit een vollediger beeld van een investering vanuit verschillende invalshoeken. De rode draad van deze verdieping is dat één kengetal zelden volstaat: een goede beoordeling combineert winstgevendheid (NCW, rentabiliteit), snelheid (terugverdientijd) en risico (scenario's), net zoals je bij de verslaggeving liquiditeit, solvabiliteit en rentabiliteit samen beoordeelt.
integrale kostprijs=variabele kosten+constante kostennormale productie\text{integrale kostprijs}=\text{variabele kosten}+\frac{\text{constante kosten}}{\text{normale productie}}integrale kostprijs=variabele kosten+normale productieconstante kosten​

Integrale kostprijs versus direct costing

Bij direct costing reken je alleen de variabele kosten toe; de constante kosten zijn dan een periodekost.

Uitgewerkt voorbeeld

NCW in het verwachte scenario

Een investering van €50.000 levert in het verwachte scenario drie jaar lang €20.000 op. De disconteringsvoet is 8%. Bereken de netto contante waarde en leg uit waarom een scenarioanalyse toch verstandig is.

  1. 01Cashflows disconteren

    Jaar 1: 20.0001,08=18.518,52\frac{20.000}{1{,}08}=18.518{,}521,0820.000​=18.518,52. Jaar 2: 20.0001,082=17.146,78\frac{20.000}{1{,}08^2}=17.146{,}781,08220.000​=17.146,78. Jaar 3: 20.0001,083=15.876,64\frac{20.000}{1{,}08^3}=15.876{,}641,08320.000​=15.876,64.

  2. 02Som contante waarden

    18.518,52+17.146,78+15.876,64= EUR51.541,9418.518{,}52+17.146{,}78+15.876{,}64=\,\text{EUR}51.541{,}9418.518,52+17.146,78+15.876,64=EUR51.541,94.

  3. 03Netto contante waarde

    51.541,94−50.000=+ EUR1.541,9451.541{,}94-50.000=+\,\text{EUR}1.541{,}9451.541,94−50.000=+EUR1.541,94: licht positief.

    51541,94−50000≈154251541{,}94-50000\approx154251541,94−50000≈1542
  4. 04Waarom scenario's

    De marge is klein; vallen de cashflows tegen (pessimistisch scenario), dan wordt de NCW negatief. De scenarioanalyse maakt dat risico zichtbaar.

Resultaat: De verwachte NCW is +€1.542 — positief maar krap; omdat een tegenvaller de NCW negatief maakt, is de investering risicovol, wat de scenarioanalyse blootlegt.

Eindexamen-focus

  • Examendoel (SE): de integrale kostprijs en direct costing onderscheiden en per situatie de passende benadering kiezen.
  • Examendoel (SE): een investering onder meerdere scenario's beoordelen en het risico in de beoordeling betrekken.

Veelgemaakte fouten

  • Bij een investeringsbeslissing alleen naar de verwachte uitkomst kijken en het risico (de spreiding tussen scenario's) negeren.
  • Direct costing en de integrale kostprijs verwisselen; bij direct costing worden de constante kosten niet aan het product toegerekend.

Actieve herhaling

Een investering van €40.000 levert 3 jaar lang cashflows op; bereken de NCW bij 8% voor een verwacht scenario (€16.000/jaar) en een pessimistisch scenario (€13.000/jaar), en beoordeel het risico.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein H (keuzeonderwerpen) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Verdieping: corporate governance en duurzaamheid#

●●○StandaardLPexamenblad-bedrijfseconomie-domein-H

Kernpunten

Een derde veelgekozen verdieping (schoolexamen) is corporate governance: het geheel van regels en gebruiken over het besturen van en het toezicht houden op een onderneming. Het thema bouwt voort op de rechtsvormen (domein B) en de verslaggeving (domein G). De kern is dat bij grote vennootschappen het eigendom (de aandeelhouders) en de leiding (het bestuur) van elkaar gescheiden zijn. Die scheiding is efficiënt — deskundige bestuurders leiden de onderneming — maar schept een probleem: de bestuurders kunnen hun eigen belang boven dat van de aandeelhouders stellen.
Om dat te beheersen zijn er governance-organen met eigen rollen, die Afb. 4 op een rij zet. De algemene vergadering van aandeelhouders (AVA) benoemt en controleert; de raad van commissarissen (RvC) houdt namens de aandeelhouders toezicht op het bestuur; het bestuur (de directie) leidt de onderneming; en de externe accountant controleert of de jaarrekening een getrouw beeld geeft. Dit systeem van checks-and-balances moet voorkomen dat één partij ongecontroleerd macht heeft, en zorgt dat de belangen van de aandeelhouders en andere belanghebbenden worden bewaakt.

Governance-organen en hun rol

Corporate governanceTabel met 2 kolommen en 4 rijen, Gegevens: orgaan · rol; algemene vergadering (AVA) · benoemt het bestuur en beslist op hoofdlijnen; raad van commissarissen · houdt namens de aandeelhouders toezicht op het bestuur; bestuur / directie · leidt de dagelijkse gang van zaken; externe accountant · controleert of de jaarrekening een getrouw beeld geeftORGAANROLalgemene vergadering (AVA)benoemt het bestuur enbeslist op hoofdlijnenraad van commissarissenhoudt namens deaandeelhouders toezicht ophet bestuurbestuur / directieleidt de dagelijkse gang vanzakenexterne accountantcontroleert of dejaarrekening een getrouwbeeld geeft
Afb. 4Afb. 4 — De governance-organen en hun rol. Samen vormen ze een systeem van checks-and-balances dat de scheiding van eigendom en leiding beheersbaar houdt.
Goede governance draait om transparantie en verantwoording. De onderneming legt in haar jaarverslag verantwoording af over haar beleid, beloningen en risico's, zodat aandeelhouders en toezichthouders kunnen beoordelen of het bestuur goed handelt. Gebrekkige governance — te veel macht bij één bestuurder, ondoorzichtige beloningen, zwak toezicht — heeft in het verleden tot boekhoudschandalen en faillissementen geleid. Daarom bestaan er governancecodes met gedragsregels waaraan beursgenoteerde ondernemingen zich (moeten uitleggen of ze) houden.
Governance en duurzaamheid raken elkaar in de moderne verslaggeving. Naast de financiële cijfers rapporteren ondernemingen steeds vaker over niet-financiële prestaties: hun effect op mens en milieu (people en planet uit het MVO-denken). Deze duurzaamheidsverslaggeving maakt de maatschappelijke prestaties controleerbaar en tegenwoordig voor grote ondernemingen deels verplicht. Zo sluit dit keuzeonderwerp de cirkel van het hele programma: het verbindt de rechtsvorm en de organen (domein B), de belanghebbenden en het MVO (domein B4), en de externe verslaggeving (domein G) tot één beeld van een onderneming die niet alleen financieel, maar ook maatschappelijk verantwoording aflegt.
Uitgewerkt voorbeeld

Een governanceprobleem herkennen

Bij een beursgenoteerde nv is één persoon zowel bestuursvoorzitter als voorzitter van de raad van commissarissen, en de accountant is een goede vriend van hem. Leg uit welk governanceprobleem hier speelt en welke maatregel dit oplost.

  1. 01Scheiding van functies weg

    Bestuur en toezicht (RvC) horen gescheiden te zijn; nu controleert de bestuurder in feite zichzelf.

  2. 02Onafhankelijk toezicht ontbreekt

    De accountant is niet onafhankelijk (bevriend), dus de controle op de jaarrekening is niet betrouwbaar.

  3. 03Gevolg

    De checks-and-balances vallen weg; de bestuurder heeft ongecontroleerde macht, wat het risico op misbruik en boekhoudfraude vergroot.

  4. 04Maatregel

    Scheid de functies (aparte, onafhankelijke voorzitter van de RvC) en stel een onafhankelijke accountant aan, conform de governancecode.

Resultaat: De scheiding tussen bestuur en toezicht en de onafhankelijkheid van de accountant ontbreken; onafhankelijke commissarissen en een onafhankelijke accountant herstellen de checks-and-balances.

Eindexamen-focus

  • Examendoel (SE): de governance-organen en hun rol benoemen en het belang van de scheiding van eigendom en leiding uitleggen.
  • Examendoel (SE): de rol van transparantie, verantwoording en duurzaamheidsverslaggeving in goede governance beoordelen.

Veelgemaakte fouten

  • De rollen van de raad van commissarissen (toezicht) en het bestuur (leiding) door elkaar halen.
  • Governance beperken tot de financiële cijfers; moderne verslaggeving omvat ook niet-financiële (duurzaamheids)informatie.

Actieve herhaling

Leg uit waarom de scheiding tussen eigendom (aandeelhouders) en leiding (bestuur) bij een grote nv zowel een voordeel als een risico is, en welke twee governance-organen dat risico moeten beheersen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein H (keuzeonderwerpen) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Wat zijn de keuzeonderwerpen (het SE-kader)○
    • 02De onderneming en de internationale handel◐
    • 03Verdieping: kostprijs, investering en risico◐
    • 04Verdieping: corporate governance en duurzaamheid◐

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Keuzeonderwerpen

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~14
min
3
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein H (keuzeonderwerpen)

Vorig onderwerp

Marketing vanuit consument en samenleving

EuraStudy·Samenvattingen T·16·MMXXVI

Laatste onderwerp van dit vak — terug naar het vakoverzicht.