EuraStudy
Samenvattingen/Aardrijkskunde/Geografisch onderzoek
Samenvattingen · AardrijkskundeNL · VWO

Geografisch onderzoek

Geografisch onderzoek is het systematisch beantwoorden van een ruimtelijke vraag: je stelt een onderzoekbare vraag, verzamelt en verwerkt gegevens uit betrouwbare bronnen — vooral kaarten — en trekt een onderbouwde conclusie. De praktische onderzoeksvaardigheid wordt vooral in het schoolexamen getoetst, maar het lezen van kaarten, tabellen en diagrammen en het beoordelen van bronnen komt volop terug in het centraal examen.

4 Onderdelen·~12 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 3

T·0222 / 10
Examenprofiel
De empirische onderzoekscyclus doorlopen: vraag, deelvragen, hypothese, data, analyse, conclusie.Bronnen beoordelen op betrouwbaarheid, validiteit en representativiteit.Kaartsoorten, kaartschaal, legenda en projectie hanteren (kaartvaardigheid, GIS).Gegevens verwerken en presenteren in grafieken, diagrammen en kaarten.
Operatoren:formuleeronderzoekbeoordeellees afinterpreteerverwerk

basisniveau

Voor iedereen: beheers de onderzoekscyclus en de kaartvaardigheid — het aflezen en beoordelen van kaarten, tabellen en diagrammen keert bij elke CE-opgave terug.

verhoogd niveau

Verdieping: het zelfstandig opzetten en uitvoeren van een geografisch onderzoek (met veldwerk en bronbeoordeling) is vooral SE-stof; leer betrouwbaarheid, validiteit en representativiteit scherp te onderscheiden.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Geografisch onderzoek
    • 01De geografische onderzoekscyclus○
    • 02Bronnen en dataverzameling◐
    • 03Kaartvaardigheid◐
    • 04Data verwerken, presenteren en interpreteren◐
§ 01

De geografische onderzoekscyclus#

●○○BasisLPexamenblad-aardrijkskunde-domein-A-onderzoek

Kernpunten

Geografisch onderzoek verloopt volgens een vaste cyclus, die je in Afb. 1 ziet. Je begint met een onderzoeksvraag: een duidelijke, onderzoekbare hoofdvraag over een ruimtelijk verschijnsel (bijvoorbeeld: „hoe verschilt de wateroverlast tussen de wijken van onze stad, en waardoor komt dat?”). Een goede onderzoeksvraag is afgebakend in ruimte en tijd, meetbaar en niet met ja of nee te beantwoorden. Uit de hoofdvraag leid je deelvragen af die je stap voor stap beantwoordt.

De onderzoekscyclus

OnderzoekscyclusGraaf, onderzoeksvraag → deelvragen & hypothese, deelvragen & hypothese → data verzamelen, data verzamelen → data verwerken, data verwerken → analyseren, analyseren → conclusie & reflectie, conclusie & reflectie → onderzoeksvraagonderzoeksvraagdeelvragen &hypothesedata verzamelendata verwerkenanalyserenconclusie &reflectie
Afb. 1Afb. 1 — De empirische onderzoekscyclus: van onderzoeksvraag via dataverzameling en analyse naar conclusie en reflectie, die weer een nieuwe vraag oproept.
Vaak formuleer je bij de deelvragen een hypothese: een beredeneerde verwachting van de uitkomst, die je met gegevens gaat toetsen. Daarna volgt de dataverzameling: je bepaalt welke gegevens je nodig hebt en waar je die haalt (kaarten, statistieken, metingen, enquêtes, veldwerk). De keuze van de bron bepaalt de kwaliteit van je onderzoek, dus je let op betrouwbaarheid en representativiteit — daarover gaat het volgende onderdeel.
De verzamelde gegevens moet je verwerken en analyseren. Verwerken is het ordenen en overzichtelijk maken (tabellen, grafieken, kaarten); analyseren is het zoeken naar patronen en verbanden in die verwerkte gegevens. Hier past je de geografische benadering toe: welke spreiding zie je, en welke relatie verklaart die? Op basis van de analyse beantwoord je de deelvragen en ten slotte de hoofdvraag in een conclusie, waarin je ook je hypothese bevestigt of verwerpt.
De cyclus is bewust rond getekend: een conclusie roept vrijwel altijd nieuwe vragen op, en een goed onderzoek eindigt met een kritische terugblik (reflectie) op de gebruikte methode en de betrouwbaarheid van de uitkomst. Op het schoolexamen doorloop je deze hele cyclus zelfstandig; op het centraal examen krijg je meestal onderdelen ervan voorgeschoteld — je moet dan bijvoorbeeld een gegeven onderzoeksopzet beoordelen of uit gepresenteerde data de juiste conclusie trekken.
Uitgewerkt voorbeeld

Een onderzoeksvraag beoordelen en verbeteren

Een leerling stelt als onderzoeksvraag: „Is wateroverlast erg?” Leg uit waarom dit geen goede geografische onderzoeksvraag is en formuleer een betere.

  1. 01Probleem benoemen

    De vraag is met ja/nee te beantwoorden, niet afgebakend in ruimte en tijd, en „erg” is niet meetbaar. Er zit geen ruimtelijke vergelijking of verklaring in.

  2. 02Eisen toepassen

    Een goede vraag is afgebakend, meetbaar en vraagt naar spreiding én verklaring (waar, waarom daar).

  3. 03Herformuleren

    Bijvoorbeeld: „In welke wijken van stad X komt bij hevige regen de meeste wateroverlast voor, en in hoeverre hangt dat samen met de mate van verharding?”

Resultaat: De verbeterde vraag is afgebakend, meetbaar en vraagt om een spreiding (welke wijken) én een relatie (verharding), en is dus wél geografisch onderzoekbaar.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de fasen van de onderzoekscyclus herkennen en een onderzoeksopzet beoordelen.
  • Examendoel: een onderzoekbare, afgebakende geografische vraag opstellen en er deelvragen bij formuleren.

Veelgemaakte fouten

  • Verwerken en analyseren door elkaar halen: verwerken is ordenen (tabel/grafiek), analyseren is het zoeken naar verbanden.
  • Een onderzoeksvraag stellen die niet meetbaar of niet afgebakend is (te breed, of met ja/nee te beantwoorden).

Actieve herhaling

Bedenk een geografisch onderzoek naar je eigen buurt, schrijf één afgebakende hoofdvraag en twee deelvragen op, en geef bij elke deelvraag aan welke bron je zou gebruiken.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma aardrijkskunde vwo — domein A, geografisch onderzoek (CvTE / Examenblad)

§ 02

Bronnen en dataverzameling#

●●○StandaardLPexamenblad-aardrijkskunde-domein-A-onderzoek

Kernpunten

Bronnen deel je op twee manieren in, zoals Afb. 2 laat zien. Ten eerste naar herkomst: een primaire bron heb je zelf verzameld (een eigen meting, telling, enquête of veldwerkwaarneming), een secundaire bron is door anderen gemaakt (statistiek van het CBS, een atlas, een wetenschappelijk artikel, een krant). Ten tweede naar aard: kwantitatieve gegevens zijn in getallen uit te drukken (aantallen, percentages, temperaturen), kwalitatieve gegevens beschrijven eigenschappen die je niet meteen in cijfers vangt (een interview, een landschapsbeschrijving, een beleidstekst).

Soorten bronnen en hun beoordeling

BronbeoordelingTabel met 3 kolommen en 5 rijen, Gegevens: begrip · wat het inhoudt · voorbeeldvraag; primair / secundair · zelf verzameld / door anderen gemaakt · heb ik zelf gemeten of is het CBS-data?; kwantitatief / kwalitatief · in getallen / beschrijvend · is het een cijfer of een beschrijving?; betrouwbaarheid · kun je de gegevens vertrouwen? · is de bron objectief en actueel?; validiteit · meet de bron wat je wilt weten? · meet dit cijfer echt mijn begrip?; representativiteit · is de steekproef een goede afspiegeling? · geldt dit voor het hele gebied?, gemarkeerde cel: validiteitBEGRIPWAT HET INHOUDTVOORBEELDVRAAGprimair / secundairzelf verzameld /door anderengemaaktheb ik zelf gemeten of ishet CBS-data?kwantitatief / kwalitatiefin getallen / beschrijvendis het een cijfer of eenbeschrijving?betrouwbaarheidkun je de gegevensvertrouwen?is de bron objectief enactueel?validiteitmeet de bron wat je wiltweten?meet dit cijfer echt mijnbegrip?representativiteitis de steekproef een goedeafspiegeling?geldt dit voor het helegebied?
Afb. 2Afb. 2 — Bronnen deel je in naar herkomst (primair/secundair) en aard (kwantitatief/kwalitatief); je beoordeelt ze op betrouwbaarheid, validiteit en representativiteit.
De waarde van een bron beoordeel je met drie begrippen die je scherp uit elkaar moet houden. Betrouwbaarheid gaat over de vraag of je de gegevens kunt vertrouwen: is de bron accuraat, actueel en objectief, of heeft de maker er belang bij de zaken te verdraaien? Een meting van een onafhankelijk instituut is betrouwbaarder dan een cijfer van een belanghebbende partij. Herhaalbaarheid hoort hierbij: geven dezelfde metingen onder dezelfde omstandigheden dezelfde uitkomst?
Validiteit gaat over iets anders: meet de bron werkelijk wat je wilt weten? Het aantal geregistreerde misdrijven meet niet zonder meer de onveiligheid (veel misdrijven worden niet aangegeven); de bron is dan onvoldoende valide voor die vraag. Representativiteit, ten slotte, gaat over de steekproef: is de onderzochte groep of het onderzochte gebied een goede afspiegeling van het geheel? Wie alleen op één druk kruispunt de luchtkwaliteit meet, mag daar geen uitspraak over de hele stad op baseren.
Bij het opzetten van je dataverzameling kies je dus bewust: welke bron past bij mijn vraag, en is die betrouwbaar, valide en representatief genoeg? Vaak combineer je bronnen om elkaar te controleren (triangulatie): een enquête aangevuld met officiële statistiek. Op het examen krijg je regelmatig de opdracht een bron kritisch te beoordelen — dan gebruik je deze begrippen om aan te geven waarom een gegeven wel of niet bruikbaar is, in plaats van de bron klakkeloos over te nemen.
Uitgewerkt voorbeeld

Representativiteit beoordelen

Een leerling onderzoekt hoe tevreden de inwoners van een gemeente zijn met het openbaar vervoer. Ze houdt op een dinsdagochtend een enquête onder reizigers op het busstation. Beoordeel de representativiteit.

  1. 01Steekproef bekijken

    Alleen mensen die op dat moment de bus nemen, worden ondervraagd — juist niet de mensen die het OV mijden omdat ze er ontevreden over zijn.

  2. 02Vertekening benoemen

    De groep is geen goede afspiegeling van alle inwoners; ontevreden niet-gebruikers en automobilisten ontbreken, wat de uitkomst te positief maakt.

  3. 03Verbetering

    Onderzoek een aselecte steekproef van alle inwoners (bijvoorbeeld via een gemeentebrede enquête), op verschillende tijden en plaatsen.

Resultaat: De steekproef is niet representatief: alleen OV-gebruikers zijn bevraagd, waardoor het resultaat vertekend en te positief is.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: primaire/secundaire en kwantitatieve/kwalitatieve bronnen onderscheiden.
  • Examendoel: een bron beoordelen op betrouwbaarheid, validiteit en representativiteit en dat onderbouwen.

Veelgemaakte fouten

  • Betrouwbaarheid en validiteit verwarren: betrouwbaar = te vertrouwen/herhaalbaar, valide = meet het juiste.
  • Een niet-representatieve steekproef gebruiken en de uitkomst toch voor het hele gebied laten gelden.

Actieve herhaling

Zoek een cijfer uit een nieuwsbericht en beoordeel het op betrouwbaarheid, validiteit en representativiteit: wie heeft het gemaakt, meet het wat het beweert, en voor wie geldt het?

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma aardrijkskunde vwo — domein A, bronnen en onderzoek (CvTE / Examenblad)

§ 03

Kaartvaardigheid#

●●○StandaardLPexamenblad-aardrijkskunde-domein-A-onderzoek

Kernpunten

De kaart is het belangrijkste gereedschap van de geograaf, en kaartlezen is de vaardigheid die op het centraal examen het vaakst terugkomt. Afb. 3 zet de belangrijkste kaartsoorten op een rij. Een topografische kaart geeft het landschap zo getrouw mogelijk weer (hoogte, water, wegen, bebouwing) en dient om je te oriënteren. Een thematische kaart toont juist één thema of verschijnsel — bevolkingsdichtheid, neerslag, inkomen — en dient om een ruimtelijk patroon te laten zien.

Kaartsoorten

Soorten kaartenTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: kaartsoort · toont · geschikt voor; topografisch · het landschap getrouw · oriëntatie, ligging, reliëf; choropleet · gebieden gekleurd naar waarde · relatieve getallen (dichtheid, %); stroomkaart · pijlen met richting en omvang · stromen (migratie, handel); isolijnenkaart · lijnen van gelijke waarde · hoogte, temperatuur, neerslag, gemarkeerde cel: choropleetKAARTSOORTTOONTGESCHIKT VOORtopografischhet landschap getrouworiëntatie, ligging, reliëfchoropleetgebieden gekleurd naarwaarderelatieve getallen(dichtheid, %)stroomkaartpijlen met richting enomvangstromen (migratie, handel)isolijnenkaartlijnen van gelijke waardehoogte, temperatuur,neerslag
Afb. 3Afb. 3 — De belangrijkste kaartsoorten: elk type past bij een ander soort gegeven. Titel, legenda en schaal zijn altijd de sleutel tot het aflezen.
Onder de thematische kaarten zijn er verschillende typen. Een choropleet kleurt gebieden (landen, provincies) naar de waarde van een kenmerk, meestal een relatief getal zoals een dichtheid of percentage — donkerder betekent een hogere waarde. Een stroomkaart (stroomlijnenkaart) toont met pijlen de richting en omvang van stromen: migratie, handel, verkeer. Een isolijnenkaart verbindt punten met een gelijke waarde: hoogtelijnen op een reliëfkaart, isothermen (gelijke temperatuur) of isohyeten (gelijke neerslag). Elk type past bij een ander soort gegeven.
Om een kaart correct te lezen, gebruik je altijd de drie vaste hulpmiddelen: de titel (waar gaat de kaart over?), de legenda (wat betekenen de kleuren en symbolen?) en de schaal (hoe groot is het gebied werkelijk?). Let ook op de kaartprojectie: omdat de bolle aarde plat wordt afgebeeld, treedt altijd vervorming op van oppervlakte, vorm of afstand. De bekende Mercatorprojectie houdt de vorm en de richtingen kloppend, maar vergroot de oppervlakte naar de polen sterk — Groenland lijkt daardoor veel groter dan het is.
Steeds vaker werk je met een GIS (geografisch informatiesysteem): digitale kaarten waarin gegevens in lagen over elkaar liggen en gecombineerd kunnen worden. Met een GIS kun je bijvoorbeeld de laag „laaggelegen gebied” combineren met de laag „bebouwing” om te bepalen welke huizen overstromingsgevaar lopen. Deze laagsgewijze analyse is precies de geografische benadering in digitale vorm: verschijnselen aan elkaar koppelen om ruimtelijke samenhang zichtbaar te maken.
Uitgewerkt voorbeeld

De juiste kaartsoort kiezen

Je wilt op één kaart laten zien uit welke landen migranten naar de Europese Unie komen en hoe groot die stromen zijn. Welke kaartsoort kies je en waarom? En waarom is een choropleet hier minder geschikt?

  1. 01Aard van het gegeven

    Je wilt een verplaatsing tonen: van waar naar waar, en hoeveel. Dat is een stroom met een richting en een omvang.

  2. 02Kaartsoort kiezen

    Een stroomkaart is geschikt: pijlen geven de herkomst-bestemmingsrichting aan en de dikte van de pijl de omvang van de stroom.

  3. 03Choropleet afwegen

    Een choropleet kleurt gebieden naar één waarde per gebied en kan geen richting tonen; hij laat hoogstens zien hóéveel migranten uit een land komen, niet waarheen ze gaan.

Resultaat: Een stroomkaart, omdat die richting én omvang van de migratiestromen toont; een choropleet kan de verplaatsing (de richting) niet weergeven.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: kaartsoorten herkennen en de juiste kaart bij een vraag of gegeven kiezen.
  • Examendoel: een kaart correct aflezen met titel, legenda, schaal en aandacht voor projectievervorming.

Veelgemaakte fouten

  • De legenda negeren of de schaal vergeten, waardoor je patronen verkeerd interpreteert.
  • Op een Mercatorkaart oppervlakten vergelijken, terwijl die projectie gebieden bij de polen sterk vergroot.

Actieve herhaling

Pak een atlas, kies één thematische kaart en beschrijf: welk type kaart het is, welk ruimtelijk patroon je ziet, en welke relatie dat patroon zou kunnen verklaren.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma aardrijkskunde vwo — domein A, kaartvaardigheid (CvTE / Examenblad)

§ 04

Data verwerken, presenteren en interpreteren#

●●○StandaardLPexamenblad-aardrijkskunde-domein-A-onderzoek

Kernpunten

Ruwe gegevens zeggen weinig; pas als je ze verwerkt tot een grafiek, diagram of kaart worden patronen zichtbaar. Je kiest de presentatievorm bij het soort gegeven: een lijndiagram voor een ontwikkeling in de tijd (Afb. 4), een staaf- of kolomdiagram om waarden te vergelijken, een cirkeldiagram voor de samenstelling van een geheel, en een kaart voor een ruimtelijk patroon. De juiste keuze maakt de boodschap in één oogopslag duidelijk; een verkeerde keuze verbergt hem.

Een lijndiagram lezen

Bevolkingsgroei (voorbeeld)Lijndiagram: inwoners (miljoen) naar jaar, Gegevens: bevolking (voorbeeld, mln) · 1950: 5; bevolking (voorbeeld, mln) · 1970: 7; bevolking (voorbeeld, mln) · 1990: 10; bevolking (voorbeeld, mln) · 2010: 14; bevolking (voorbeeld, mln) · 2030: 1905101519501970199020102030inwoners (miljoen)jaar
Afb. 4Afb. 4 — Een lijndiagram maakt een ontwikkeling in de tijd zichtbaar. Let bij het aflezen op de assen, de eenheid en de trend (hier: een sterke, versnellende groei).
Voor de aardrijkskunde zijn twee samengestelde diagrammen extra belangrijk. Het klimaatdiagram combineert de gemiddelde maandtemperatuur (een lijn) en de gemiddelde maandneerslag (staven) in één figuur, zodat je in één blik het temperatuur- en neerslagverloop over het jaar ziet en het klimaat kunt classificeren. Het bevolkingsdiagram (de bevolkingspiramide) toont de leeftijds- en geslachtsopbouw van een bevolking en verraadt in welke fase van de demografische transitie een land zit. Beide diagrammen leer je in de betreffende domeinen aflezen.
Bij het interpreteren van een grafiek let je op vaste dingen: wat staat op de assen en in welke eenheid, wat is de schaalverdeling, en wat is de trend of het patroon (stijgend, dalend, schommelend, een piek)? Let op valkuilen: een afgekapte verticale as (die niet bij nul begint) overdrijft verschillen, en een indexcijfer (bijvoorbeeld 2019 = 100) toont een relatieve verandering, geen absolute waarde. Wie deze dingen niet controleert, leest te snel een verkeerde conclusie uit een grafiek.
Verwerken betekent ook rekenen met de gegevens. Voor de geografie gebruik je vaak relatieve getallen om gebieden eerlijk te kunnen vergelijken: niet het absolute aantal inwoners, maar de bevolkingsdichtheid (inwoners per km²); niet het totale inkomen van een land, maar het bbp per hoofd. Ook indexcijfers, percentages en groeicijfers horen hierbij. Het omzetten van absolute naar relatieve getallen is een kernvaardigheid: alleen zo vergelijk je een klein en een groot gebied op een zinvolle manier, precies zoals de geografische benadering vraagt.
Uitgewerkt voorbeeld

Absoluut omrekenen naar relatief

Land A heeft 40 miljoen inwoners op 400.000 km²; land B heeft 8 miljoen inwoners op 40.000 km². Welk land is dichter bevolkt, en waarom mag je dat niet aan het aantal inwoners aflezen?

  1. 01Waarom relatief

    Land A heeft meer inwoners, maar is ook veel groter; om eerlijk te vergelijken bereken je de bevolkingsdichtheid: inwoners gedeeld door oppervlakte.

  2. 02Dichtheid A

    40.000.000 / 400.000 = 100 inwoners per km².

  3. 03Dichtheid B

    8.000.000 / 40.000 = 200 inwoners per km².

Resultaat: Land B is met 200 inw./km² dichter bevolkt dan land A (100 inw./km²), ook al heeft A meer inwoners; alleen het relatieve getal maakt de vergelijking eerlijk.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: gegevens in de juiste diagramvorm presenteren en een grafiek correct aflezen (assen, eenheid, trend).
  • Examendoel: absolute getallen omzetten naar relatieve (dichtheid, per hoofd, index, %) om gebieden te vergelijken.

Veelgemaakte fouten

  • Een afgekapte as (die niet bij nul begint) over het hoofd zien en daardoor het verschil overdrijven.
  • Absolute aantallen vergelijken tussen ongelijke gebieden in plaats van te delen door oppervlakte of bevolking.

Actieve herhaling

Zoek in een atlas of nieuwsbericht een tabel met absolute aantallen en zet die om naar een relatief getal (bijvoorbeeld dichtheid of per hoofd). Leg uit welke vergelijking daardoor wél eerlijk wordt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma aardrijkskunde vwo — domein A, data verwerken en presenteren (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01De geografische onderzoekscyclus○
    • 02Bronnen en dataverzameling◐
    • 03Kaartvaardigheid◐
    • 04Data verwerken, presenteren en interpreteren◐

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Geografisch onderzoek

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~12
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma aardrijkskunde vwo — domein A, geografisch onderzoek

Vorig onderwerp

Geografische benadering (vaardigheden)

Volgend onderwerp

Samenhang en verscheidenheid in de wereld

EuraStudy·Samenvattingen T·02·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.