EuraStudy
Samenvattingen/Wiskunde D/Toepassingen van statistische verwerkingsmethoden (toetsen, correlatie en regressie)
Samenvattingen · Wiskunde DNL · HAVO

Toepassingen van statistische verwerkingsmethoden (toetsen, correlatie en regressie)

Statistische verwerkingsmethoden horen bij domein B (Kansrekening en statistiek) van wiskunde D — het profielkeuzevak van Natuur & Techniek, naast wiskunde B — en bouwen voort op de kansverdelingen. Je leert de samenhang tussen twee variabelen beschrijven met een spreidingsdiagram, de correlatiecoëfficiënt en de regressielijn, en je leert beslissingen onderbouwen met hypothesetoetsen: eerst met de binomiale verdeling, daarna met de normale benadering. Omdat wiskunde D volledig met het schoolexamen (SE) wordt afgesloten, toetst het SE deze methoden in samenhang met de rest van de kansrekening en statistiek.

4 Onderdelen·~31 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Standaard 3 · Verdieping 1

T·0666 / 13
Examenprofiel
Met een spreidingsdiagram de samenhang tussen twee variabelen beschrijven (richting en sterkte) en de correlatiecoëfficiënt r tussen -1 en 1 berekenen en interpreteren, met het besef dat correlatie geen causaliteit is.De regressielijn \hat{y}=ax+b met de kleinste-kwadratenmethode (grafische rekenmachine) bepalen, het residu-idee uitleggen en met de lijn voorspellen binnen de grenzen van de data (geen extrapolatie).Een eenzijdige hypothesetoets met de binomiale verdeling opzetten en uitvoeren: H₀ en H₁ formuleren, bij significantieniveau αhet kritieke gebied bepalen met binomcdf en H₀ wel of niet verwerpen.Een gemiddelde of proportie toetsen met de normale benadering: de toetsingsgrootheid en de p-waarde berekenen, het verwerpingsgebied bepalen en de toetsconclusie in de context correct formuleren.
Operatoren:berekenbepaaltoetsinterpreteerberedeneervoorspel

basisniveau

Voor het schoolexamen (SE): maak een spreidingsdiagram, bepaal met de grafische rekenmachine de correlatiecoëfficiënt rrr en de regressielijn y^=ax+b\hat{y}=ax+by^​=ax+b, en voer een eenzijdige binomiale of normale toets uit volgens het vaste stappenplan (H0H_0H0​, H1H_1H1​, α\alphaα, kritiek gebied of p-waarde, conclusie).

verhoogd niveau

Verdieping: beredeneer waarom de kleinste-kwadratenlijn de residuen minimaliseert, waarom een hoge correlatie geen oorzaak aantoont, en hoe het significantieniveau α\alphaα de kans op een onterechte verwerping (vals alarm) regelt; verbind de binomiale toets met de normale benadering.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Toepassingen van statistische verwerkingsmethoden (toetsen, correlatie en regressie)
    • 01Correlatie en het spreidingsdiagram◐
    • 02De regressielijn en de kleinste-kwadratenmethode◐
    • 03Hypothesetoetsen met de binomiale verdeling◐
    • 04Toetsen met de normale verdeling●
§ 01

Correlatie en het spreidingsdiagram#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Spreidingsdiagram: gamen en cijfer

Spreidingsdiagram: gamen en cijferSpreidingsdiagram: gemiddeld cijfer naar uren gamen per week, Gegevens: (1, 7.5); (3, 7.6); (5, 6.5); (7, 6.8); (9, 5.8); (11, 5.4)5.566.577.5246810gemiddeld cijferuren gamen per week
Afb. 1Uren gamen per week (x) tegen het gemiddelde cijfer (y) van zes leerlingen. De puntenwolk daalt van linksboven naar rechtsonder, wat past bij een sterk negatief lineair verband (r ≈ -0,94). De lijn zelf bepalen we pas in de volgende paragraaf.

Kernpunten

In de beschrijvende statistiek keek je vaak naar één variabele tegelijk. Bij dit onderwerp onderzoek je de samenhang tussen twéé variabelen die je bij dezelfde personen of objecten meet, bijvoorbeeld het aantal uren dat iemand gamet en zijn gemiddelde cijfer. Van elke meting heb je dan een getallenpaar (x,y)(x, y)(x,y), en dat paar teken je als één punt in een assenstelsel. Alle punten samen vormen een spreidingsdiagram, ook wel puntenwolk genoemd. De vorm van die wolk is je eerste en belangrijkste informatie: zonder ook maar iets te rekenen zie je al of de twee variabelen samenhangen en, zo ja, hoe. Binnen domein B van wiskunde D is dit het startpunt van de hele gereedschapskist — pas als je de wolk goed kunt lezen, hebben de getallen die je er straks uit haalt (rrr en de regressielijn) betekenis. Bekijk een puntenwolk daarom altijd eerst aandachtig voordat je je rekenmachine pakt.
In de puntenwolk lees je twee dingen af: de richting en de sterkte van de samenhang. Lopen de punten van linksonder naar rechtsboven, dan is het verband positief — bij een grotere xxx hoort gemiddeld een grotere yyy. Lopen ze van linksboven naar rechtsonder, dan is het verband negatief. Liggen de punten als los hagelschot zonder richting, dan is er geen lineair verband. De sterkte zie je aan hoe dicht de punten bij een denkbeeldige rechte lijn liggen: een strakke, smalle band wijst op een sterk verband, een brede, vage wolk op een zwak verband. Belangrijk is dat woordje lineair: we kijken hier of de punten rond een rechte lijn liggen. Een verband kan heel sterk zijn en toch niet lineair — denk aan een parabool-vormige wolk die eerst stijgt en daarna daalt. Die visuele indruk van richting en sterkte maken we in de volgende stappen exact met één getal, de correlatiecoëfficiënt.
De correlatiecoëfficiënt rrr vat de richting én de sterkte van het lineaire verband samen in één getal tussen −1-1−1 en 111. De waarde r=1r = 1r=1 hoort bij een perfect positief lineair verband (alle punten precies op een stijgende lijn), r=−1r = -1r=−1 bij een perfect negatief lineair verband (alle punten op een dalende lijn) en r=0r = 0r=0 bij geen enkel lineair verband. Hoe dichter rrr bij −1-1−1 of 111 ligt, hoe sterker en strakker de samenhang; hoe dichter bij 000, hoe zwakker. Het teken van rrr geeft dus de richting, de grootte ∣r∣|r|∣r∣ de sterkte. Achter de schermen meet rrr of hoge xxx-waarden samengaan met hoge yyy-waarden: in de formule tel je de producten van de afwijkingen (xi−x‾)(yi−y‾)(x_i-\overline{x})(y_i-\overline{y})(xi​−x)(yi​−y​) op en deel je door een maat voor de spreiding van xxx en yyy, zodat het resultaat altijd tussen −1-1−1 en 111 uitkomt, ongeacht de eenheden waarin je meet.
In de praktijk laat je rrr door de grafische rekenmachine berekenen: voer de xxx-waarden in lijst L1 in en de yyy-waarden in L2, kies de lineaire regressie (vaak „LinReg”) en lees rrr af. Op sommige toestellen moet je daarvoor eerst de „diagnostics” aanzetten, anders verschijnt rrr niet. Voor de interpretatie hanteer je vuistregels: ligt ∣r∣|r|∣r∣ boven ongeveer 0,80{,}80,8, dan spreek je van een sterk verband, tussen 0,50{,}50,5 en 0,80{,}80,8 van een matig verband en daaronder van een zwak verband. In het gaming-voorbeeld hieronder vindt de rekenmachine r≈−0,94r \approx -0{,}94r≈−0,94: een sterk negatief lineair verband. Onthoud goed dat rrr uitsluitend het lineaire verband meet. Bij een duidelijk krom verband — een waarde die bijvoorbeeld eerst stijgt en daarna weer daalt — kan rrr dicht bij 000 liggen terwijl er wél een sterke, maar niet-rechte samenhang is. Een lage rrr betekent dus „weinig lineair verband”, niet automatisch „geen verband”.
De belangrijkste waarschuwing van dit onderwerp luidt: correlatie is geen causaliteit. Een sterke correlatie laat zien dát twee variabelen samen veranderen, maar niet dat de ene de andere veroorzaakt. Juist omdat de rekenmachine zo gemakkelijk een mooie rrr oplevert, is hier een kritisch oordeel onmisbaar. Een hoge ∣r∣|r|∣r∣ kan ontstaan doordat een derde, meespelende variabele beide grootheden tegelijk beïnvloedt. In het gaming-voorbeeld gaan veel game-uren samen met lagere cijfers, maar het is goed denkbaar dat een onderliggende factor — bijvoorbeeld motivatie of tijdsindeling — zowel het gamen als de cijfers bepaalt; dan veroorzaakt het gamen de lage cijfers niet rechtstreeks. Op het schoolexamen wordt verwacht dat je dit onderscheid scherp maakt: je beschrijft de gevonden samenhang en de sterkte ervan, maar trekt geen oorzakelijke conclusie zonder aanvullend bewijs, zoals een gecontroleerd experiment. Het rekenwerk doet de machine; het voorzichtige oordeel blijft aan jou. In de volgende paragraaf leggen we door deze lineaire samenhang een voorspellende lijn.
r=∑(xi−x‾)(yi−y‾)∑(xi−x‾)2 ∑(yi−y‾)2r = \frac{\sum (x_i-\overline{x})(y_i-\overline{y})}{\sqrt{\sum (x_i-\overline{x})^2}\,\sqrt{\sum (y_i-\overline{y})^2}}r=∑(xi​−x)2​∑(yi​−y​)2​∑(xi​−x)(yi​−y​)​

correlatiecoëfficiënt

De correlatiecoëfficiënt rrr meet richting en sterkte van het lineaire verband. De teller telt de producten van de afwijkingen van xxx en yyy tot hun gemiddelde; door de noemer (de spreiding van xxx en yyy) komt rrr altijd tussen −1-1−1 en 111 uit. In de praktijk bereken je rrr met de grafische rekenmachine.

−1≤r≤1-1 \le r \le 1−1≤r≤1

bereik van r

Dicht bij 111 is er een sterk positief lineair verband, dicht bij −1-1−1 een sterk negatief verband en rond 000 geen lineair verband. Het teken geeft de richting, de grootte ∣r∣|r|∣r∣ de sterkte.

Uitgewerkt voorbeeld

Een spreidingsdiagram en de correlatiecoëfficiënt interpreteren

Van zes leerlingen zijn het aantal uren gamen per week (xxx) en het gemiddelde rapportcijfer (yyy) genoteerd: (1;7,5)(1; 7{,}5)(1;7,5), (3;7,6)(3; 7{,}6)(3;7,6), (5;6,5)(5; 6{,}5)(5;6,5), (7;6,8)(7; 6{,}8)(7;6,8), (9;5,8)(9; 5{,}8)(9;5,8), (11;5,4)(11; 5{,}4)(11;5,4). Maak een spreidingsdiagram, bepaal de correlatiecoëfficiënt rrr en beschrijf de samenhang. Mag je concluderen dat gamen de lagere cijfers veroorzaakt?

  1. 01Stap 1 — Puntenwolk maken en bekijken

    Voer de uren in lijst L1 in en de cijfers in lijst L2 en kies de spreidingsdiagram-plot. De puntenwolk loopt van linksboven naar rechtsonder: meer game-uren gaan samen met lagere cijfers, dus de richting is negatief, en de punten liggen vrij strak om een dalende lijn.

  2. 02Stap 2 — De correlatiecoëfficiënt berekenen

    Kies de lineaire regressie (zet zo nodig eerst de „diagnostics” aan). Ter controle reken je de teller en noemer van rrr na: de gemiddelden zijn x‾=6\overline{x} = 6x=6 en y‾=6,6\overline{y} = 6{,}6y​=6,6, de som van de producten van de afwijkingen is −15,6-15{,}6−15,6, en de spreidingssommen zijn ∑(x−x‾)2=70\sum (x-\overline{x})^2 = 70∑(x−x)2=70 en ∑(y−y‾)2=3,94\sum (y-\overline{y})^2 = 3{,}94∑(y−y​)2=3,94.

    r=−15,670 3,94=−15,6275,8≈−0,94r = \frac{-15{,}6}{\sqrt{70}\,\sqrt{3{,}94}} = \frac{-15{,}6}{\sqrt{275{,}8}} \approx -0{,}94r=70​3,94​−15,6​=275,8​−15,6​≈−0,94
  3. 03Stap 3 — De samenhang beschrijven

    Omdat r≈−0,94r \approx -0{,}94r≈−0,94 dicht bij −1-1−1 ligt, is er een sterk negatief lineair verband: hoe meer uren gamen, hoe lager gemiddeld het cijfer, en de punten liggen strak om een dalende lijn.

  4. 04Stap 4 — Oorzaak of samenhang?

    Nee, je mag niet concluderen dat gamen de lagere cijfers veroorzaakt. Een sterke correlatie toont alleen samenhang. Een meespelende variabele, zoals motivatie of tijdsindeling, kan zowel de game-uren als de cijfers beïnvloeden. Voor een oorzakelijke uitspraak is aanvullend onderzoek nodig, bijvoorbeeld een gecontroleerd experiment.

Resultaat: Er is een sterk negatief lineair verband: r≈−0,94r \approx -0{,}94r≈−0,94. Meer game-uren gaan samen met lagere cijfers, maar uit deze correlatie volgt geen oorzakelijk verband — dat zou alleen met aanvullend (experimenteel) onderzoek mogen worden geconcludeerd.

Eindexamen-focus

  • Op het schoolexamen (SE) maak je een spreidingsdiagram en beschrijf je de samenhang in woorden (positief/negatief, sterk/zwak, lineair) en bepaal je met de grafische rekenmachine de correlatiecoëfficiënt rrr.
  • Een vraag laat je beoordelen of een hoge correlatie een oorzakelijk verband bewijst; leg uit waarom niet en noem een mogelijke meespelende (derde) variabele.
  • Je moet kunnen uitleggen dat rrr alleen lineaire samenhang meet, zodat een krom verband een lage rrr kan geven terwijl er wel degelijk een sterk verband is.

Veelgemaakte fouten

  • Uit een sterke correlatie concluderen dat de ene variabele de andere veroorzaakt; een hoge ∣r∣|r|∣r∣ toont alleen samenhang — een meespelende derde variabele kan beide grootheden tegelijk beïnvloeden.
  • Denken dat een lage rrr betekent dat er geen verband is; rrr meet uitsluitend het lineaire verband, dus bij een duidelijk krom verband kan rrr klein zijn terwijl de variabelen wel sterk samenhangen.
  • De xxx- en yyy-lijst verwisselen of vergeten de „diagnostics” aan te zetten, zodat de rekenmachine rrr niet toont.

Actieve herhaling

Van tien leerlingen zijn het aantal uren beeldschermtijd per dag (xxx) en hun gemiddelde cijfer (yyy) genoteerd. Maak een spreidingsdiagram, bepaal met je grafische rekenmachine de correlatiecoëfficiënt rrr en beschrijf de samenhang (richting en sterkte). Leg uit waarom je hieruit niet mag concluderen dat beeldschermtijd een laag cijfer veroorzaakt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma wiskunde D (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

De regressielijn en de kleinste-kwadratenmethode#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Regressielijn: water en planthoogte

Regressielijn: water en planthoogteSpreidingsdiagram: hoogte (cm) naar water per dag (dL), Gegevens: (1, 5.8); (2, 6.6); (3, 8.6); (4, 10.1); (5, 11.1); (6, 13.3)678910111213123456hoogte (cm)water per dag (dL)
Afb. 2Water per dag (x, in dL) tegen de hoogte na vier weken (y, in cm) van zes planten, met de door de rekenmachine berekende kleinste-kwadratenlijn y-dak = 1,5x + 4. De punten liggen strak om de lijn (r ≈ 0,99), maar de lijn geldt alleen binnen het gemeten bereik van 1 tot 6 dL.

Kernpunten

In de vorige paragraaf stelde je vast óf er een lineair verband is en hoe sterk dat is. Nu zetten we de volgende stap: we leggen de best passende rechte lijn door de puntenwolk, zodat we ermee kunnen voorspellen. Die lijn heet de regressielijn en heeft de vorm y^=ax+b\hat{y} = ax + by^​=ax+b. Het dakje op y^\hat{y}y^​ (spreek uit: „y-dak”) is belangrijk: y^\hat{y}y^​ is de dóór de lijn voorspelde waarde van yyy bij een gegeven xxx, en die is meestal nét niet gelijk aan de werkelijk gemeten yyy. Het getal aaa is het hellingsgetal: het vertelt hoeveel y^\hat{y}y^​ gemiddeld verandert als xxx met 111 toeneemt. Het getal bbb is het snijpunt met de verticale as, de voorspelde yyy bij x=0x = 0x=0. Samen vatten aaa en bbb de hele lineaire trend in de data samen in twee getallen, waarmee de regressielijn het rekenkundige vervolg is op de puntenwolk uit de vorige paragraaf.
Om te begrijpen wat „best passend” betekent, heb je het begrip residu nodig. Voor elk gemeten punt (xi,yi)(x_i, y_i)(xi​,yi​) geeft de lijn een voorspelling y^i=axi+b\hat{y}_i = a x_i + by^​i​=axi​+b. Het residu is het verschil tussen de werkelijke en de voorspelde waarde: yi−y^iy_i - \hat{y}_iyi​−y^​i​. Meetkundig is dat de verticale afstand van het punt tot de lijn — het stukje dat je omhoog of omlaag moet om van de lijn bij het echte punt te komen. Ligt een punt boven de lijn, dan is het residu positief; ligt het eronder, dan negatief; ligt het precies op de lijn, dan is het residu nul. Een goede lijn maakt deze residuen samen zo klein mogelijk: hij loopt als het ware „door het midden” van de wolk, met ongeveer evenveel punten erboven als eronder. De residuen zijn dus de fouten die de lijn nog maakt, en het zo klein mogelijk maken daarvan is precies het criterium waarmee de beste lijn wordt gekozen.
De methode die de regressielijn bepaalt heet de kleinste-kwadratenmethode. Daarbij kies je aaa en bbb zó dat de som van de gekwadrateerde residuen, ∑(yi−y^i)2\sum (y_i - \hat{y}_i)^2∑(yi​−y^​i​)2, zo klein mogelijk is. Waarom de residuen kwadrateren? Ten eerste worden alle termen daardoor positief, zodat een positief en een negatief residu elkaar niet wegstrepen. Ten tweede tellen grote afwijkingen extra zwaar mee — een punt dat ver van de lijn ligt, wordt streng „afgestraft” — zodat de lijn vooral de grote missers vermijdt. Het mooie is dat er bij deze keuze precies één lijn is die de kwadratensom minimaliseert, en die lijn loopt altijd door het zwaartepunt (x‾,y‾)(\overline{x}, \overline{y})(x,y​) van de data. De formules voor aaa en bbb volgen uit dit minimaliseren, maar in de praktijk laat je de grafische rekenmachine het werk doen met de optie „LinReg(ax+bax+bax+b)”. Je hoeft de kwadratensom dus niet met de hand te minimaliseren; je moet wél kunnen uitleggen dát dit het criterium is.
Met de regressielijn kun je voorspellen: vul een waarde van xxx in en bereken y^\hat{y}y^​. Zolang die xxx binnen het bereik van je meetgegevens ligt, heet dat interpoleren en is de voorspelling redelijk betrouwbaar, want daar heb je het verband ook echt waargenomen. Vul je daarentegen een xxx ver buiten het meetbereik in, dan extrapoleer je, en dat is gevaarlijk: het gevonden lineaire verband hoeft daar helemaal niet meer te gelden. In het voorbeeld hieronder meet een bioloog de hoogte van planten bij 111 tot 666 dL water per dag en vindt y^=1,5x+4\hat{y} = 1{,}5x + 4y^​=1,5x+4. Bij 3,53{,}53,5 dL voorspelt de lijn netjes y^=9,25\hat{y} = 9{,}25y^​=9,25 cm. Maar als je de lijn doortrekt naar 121212 dL, „voorspelt” hij 222222 cm, terwijl in werkelijkheid zoveel water de plant zou laten verzuipen — de groei daalt dan juist. De lijn weet niets van wat er buiten de data gebeurt. Wees daarom altijd voorzichtig met voorspellingen buiten het gemeten bereik.
Tot slot moet je aaa en bbb in de context van de opgave kunnen uitleggen, mét eenheid. In het plantenvoorbeeld betekent a=1,5a = 1{,}5a=1,5 dat elke extra deciliter water per dag samengaat met gemiddeld 1,51{,}51,5 cm meer hoogte, en b=4b = 4b=4 dat de lijn de hoogte op 444 cm voorspelt bij 000 dL — een waarde die buiten het meetbereik ligt en die je dus voorzichtig interpreteert. Houd ook in gedachten dat de regressielijn een model is, geen exacte beschrijving: de residuen blijven bestaan, en hoe goed de lijn past lees je af aan de correlatiecoëfficiënt rrr uit de vorige paragraaf — ligt ∣r∣|r|∣r∣ dicht bij 111, dan liggen de punten strak om de lijn. Correlatie en regressie horen zo bij elkaar: rrr zegt hoe sterk het lineaire verband is, de regressielijn legt dat verband vast in een formule. Met deze beschrijvende gereedschappen op zak gaan we in de volgende paragrafen over op het trekken van onderbouwde conclusies: het toetsen van hypothesen.
y^=ax+b\hat{y} = ax + by^​=ax+b

regressielijn

De regressielijn voorspelt y^\hat{y}y^​ uit xxx: aaa is het hellingsgetal (de verandering in y^\hat{y}y^​ per eenheid xxx) en bbb het snijpunt met de verticale as. De rekenmachine bepaalt aaa en bbb met de kleinste-kwadratenmethode.

∑i=1n(yi−y^i)2 is minimaal\sum_{i=1}^{n} \left(y_i - \hat{y}_i\right)^2 \text{ is minimaal}i=1∑n​(yi​−y^​i​)2 is minimaal

kleinste-kwadratenmethode

Het residu yi−y^iy_i - \hat{y}_iyi​−y^​i​ is de verticale afstand van een meetpunt tot de lijn. De regressielijn is de lijn waarvoor de som van de gekwadrateerde residuen het kleinst is; kwadrateren maakt alle bijdragen positief en bestraft grote afwijkingen extra.

a=∑(xi−x‾)(yi−y‾)∑(xi−x‾)2,b=y‾−a x‾a = \frac{\sum (x_i-\overline{x})(y_i-\overline{y})}{\sum (x_i-\overline{x})^2}, \qquad b = \overline{y} - a\,\overline{x}a=∑(xi​−x)2∑(xi​−x)(yi​−y​)​,b=y​−ax

hellingsgetal en snijpunt

Uit het minimaliseren van de kwadratensom volgen deze formules. De lijn loopt altijd door het zwaartepunt (x‾,y‾)(\overline{x}, \overline{y})(x,y​) van de data; in de praktijk laat je de rekenmachine aaa en bbb uitrekenen.

Uitgewerkt voorbeeld

Met de grafische rekenmachine een regressielijn bepalen en voorspellen

Een bioloog geeft zes planten verschillende hoeveelheden water per dag (xxx, in dL) en meet na vier weken de hoogte (yyy, in cm): (1;5,8)(1; 5{,}8)(1;5,8), (2;6,6)(2; 6{,}6)(2;6,6), (3;8,6)(3; 8{,}6)(3;8,6), (4;10,1)(4; 10{,}1)(4;10,1), (5;11,1)(5; 11{,}1)(5;11,1), (6;13,3)(6; 13{,}3)(6;13,3). Bepaal met de rekenmachine de regressielijn y^=ax+b\hat{y} = ax + by^​=ax+b, voorspel de hoogte bij 3,53{,}53,5 dL en leg uit waarom je niet zomaar de hoogte bij 121212 dL mag voorspellen.

  1. 01Stap 1 — Data invoeren

    Voer de waterhoeveelheden in lijst L1 in en de hoogtes in lijst L2. Maak eventueel eerst de spreidingsdiagram-plot: de punten stijgen van linksonder naar rechtsboven, dus een positief verband.

  2. 02Stap 2 — De regressielijn bepalen

    Kies de lineaire regressie „LinReg(ax+bax+bax+b)”. De rekenmachine bepaalt aaa en bbb met de kleinste-kwadratenmethode. Ter controle: x‾=3,5\overline{x} = 3{,}5x=3,5, y‾=9,25\overline{y} = 9{,}25y​=9,25, ∑(x−x‾)(y−y‾)=26,25\sum (x-\overline{x})(y-\overline{y}) = 26{,}25∑(x−x)(y−y​)=26,25 en ∑(x−x‾)2=17,5\sum (x-\overline{x})^2 = 17{,}5∑(x−x)2=17,5.

    a=26,2517,5=1,5b=y‾−a x‾=9,25−1,5⋅3,5=4,0a = \frac{26{,}25}{17{,}5} = 1{,}5 \qquad b = \overline{y} - a\,\overline{x} = 9{,}25 - 1{,}5 \cdot 3{,}5 = 4{,}0a=17,526,25​=1,5b=y​−ax=9,25−1,5⋅3,5=4,0
  3. 03Stap 3 — Voorspellen binnen het bereik

    De regressielijn is y^=1,5x+4\hat{y} = 1{,}5x + 4y^​=1,5x+4. Vul x=3,5x = 3{,}5x=3,5 in (dat ligt tussen 111 en 666 dL, dus binnen het meetbereik): de voorspelde hoogte is 9,259{,}259,25 cm. Dit interpoleren is betrouwbaar.

    y^=1,5⋅3,5+4=9,25 cm\hat{y} = 1{,}5 \cdot 3{,}5 + 4 = 9{,}25 \text{ cm}y^​=1,5⋅3,5+4=9,25 cm
  4. 04Stap 4 — Waarom niet bij 12 dL?

    Bij x=12x = 12x=12 dL geeft de lijn y^=22\hat{y} = 22y^​=22 cm, maar 121212 dL ligt ver buiten het gemeten bereik van 111 tot 666 dL. Zoveel water zou de plant juist laten verzuipen, zodat het lineaire verband daar niet meer geldt. Deze extrapolatie is dus onbetrouwbaar.

    y^=1,5⋅12+4=22 cm(buiten het meetbereik)\hat{y} = 1{,}5 \cdot 12 + 4 = 22 \text{ cm} \quad (\text{buiten het meetbereik})y^​=1,5⋅12+4=22 cm(buiten het meetbereik)

Resultaat: De regressielijn is y^=1,5x+4\hat{y} = 1{,}5x + 4y^​=1,5x+4. Binnen het bereik voorspelt hij bij 3,53{,}53,5 dL een hoogte van 9,259{,}259,25 cm. Bij 121212 dL geeft de formule 222222 cm, maar dat is onbetrouwbare extrapolatie buiten het meetbereik.

Eindexamen-focus

  • Bepaal op het schoolexamen (SE) met de grafische rekenmachine (LinReg) de regressielijn y^=ax+b\hat{y}=ax+by^​=ax+b bij gegeven data en gebruik die om een waarde te voorspellen; geef de betekenis van aaa en bbb in de context, mét eenheid.
  • Een vraag laat je het residu-idee en de kleinste-kwadratengedachte uitleggen, en beoordelen of een voorspelling binnen of buiten het bereik van de data ligt (interpoleren versus extrapoleren).

Veelgemaakte fouten

  • De regressielijn ver buiten het bereik van de data gebruiken (extrapoleren) en die voorspelling als betrouwbaar presenteren.
  • Het residu opvatten als de afstand loodrecht op de lijn; bij de kleinste-kwadratenmethode gaat het om de verticale afstand yi−y^iy_i-\hat{y}_iyi​−y^​i​ tussen de waarneming en de lijn.
  • De rol van aaa en bbb omdraaien, of de voorspelde waarde y^\hat{y}y^​ verwarren met de werkelijk gemeten yyy.

Actieve herhaling

Bij een veer hangt de uitrekking (cm) af van de opgehangen massa (g). Bepaal met je grafische rekenmachine de regressielijn y^=ax+b\hat{y}=ax+by^​=ax+b, geef de betekenis van aaa in de context, voorspel de uitrekking bij een massa binnen het meetbereik, en leg uit waarom je niet zomaar de uitrekking bij een veel grotere massa mag voorspellen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma wiskunde D (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Hypothesetoetsen met de binomiale verdeling#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Binomiale toetsverdeling en kritiek gebied

Binomiale toetsverdeling Bin(20; 0,10)Kolomdiagram: P(X = k) naar k (aantal defecte items), Gegevens: P(X = k) · 0: 0.122; P(X = k) · 1: 0.27; P(X = k) · 2: 0.285; P(X = k) · 3: 0.19; P(X = k) · 4: 0.09; P(X = k) · 5: 0.032; P(X = k) · 6: 0.009; P(X = k) · 7: 0.002; P(X = k) · 8: 0; P(X = k) · 9: 0; P(X = k) · 10: 000.050.10.150.20.250123456789100.1220.270.2850.190.090.0320.0090.002000P(X = k)k (aantal defecte items)
Afb. 3De kansverdeling van X ~ Bin(20; 0,10) onder H0 (k = 0 t/m 10; grotere k zijn verwaarloosbaar klein). Het kritieke gebied is X ≥ 5; de gemarkeerde staaf k = 5 is de kleinste uitkomst die H0 op 5%-niveau verwerpt, want P(X ≥ 5) ≈ 0,043.

Kernpunten

Tot nu toe beschreven we data; nu gebruiken we data om een beslissing te onderbouwen, en dat is wat een hypothesetoets doet. Vaak gaat een bewering over een kans of een proportie — „deze munt is eerlijk”, „hoogstens 10% van de producten is defect”, „dit medicijn werkt beter dan een placebo”. Bij een toets formuleer je eerst twee hypothesen. De nulhypothese H0H_0H0​ is de neutrale aanname die je voorlopig aanneemt en die je wilt toetsen; meestal is dat „er is niets bijzonders aan de hand” of de waarde die een fabrikant claimt, bijvoorbeeld p=0,10p = 0{,}10p=0,10. De alternatieve hypothese H1H_1H1​ is wat je vermoedt of wilt aantonen, bijvoorbeeld dat de werkelijke proportie hoger is dan geclaimd. De toets weegt vervolgens of de waargenomen data nog goed bij H0H_0H0​ passen of zó onwaarschijnlijk zijn onder H0H_0H0​ dat je die aanname laat vallen. De hele redenering draait dus om de vraag: zijn mijn data nog te verklaren als toeval onder H0H_0H0​, of niet?
In deze paragraaf toetsen we eenzijdig met de binomiale verdeling. Eenzijdig betekent dat H1H_1H1​ een richting heeft: je vermoedt dat de proportie groter is (bovenstaart) óf kleiner is (onderstaart) dan de waarde in H0H_0H0​, niet allebei. De binomiale verdeling past hier omdat je een vast aantal nnn onafhankelijke pogingen doet die elk „lukken” of „mislukken”, met onder H0H_0H0​ een vaste succeskans p0p_0p0​. De toetsgrootheid is dan XXX, het aantal successen, en onder H0H_0H0​ geldt X∼Bin(n, p0)X \sim \text{Bin}(n,\,p_0)X∼Bin(n,p0​). In het voorbeeld hieronder controleert een afnemer of méér dan 10%10\%10% van een partij defect is; hij test n=20n = 20n=20 items, zodat X∼Bin(20; 0,10)X \sim \text{Bin}(20;\,0{,}10)X∼Bin(20;0,10) onder H0H_0H0​. Je weet dan precies welke uitkomsten waarschijnlijk en welke onwaarschijnlijk zijn als H0H_0H0​ klopt. Die kennis gebruik je om een grens te trekken tussen „dit past nog bij H0H_0H0​” en „dit is te extreem”. Hoe extreem „te extreem” is, leg je vooraf vast met het significantieniveau.
Het significantieniveau α\alphaα is de drempel die je vóór het toetsen kiest, meestal α=0,05\alpha = 0{,}05α=0,05 (5%). Het is de kans die je accepteert om H0H_0H0​ ten onrechte te verwerpen — een soort „vals alarm”, waarbij je concludeert dat er iets bijzonders is terwijl het in werkelijkheid toeval was. Bij die drempel hoort het kritieke gebied (ook wel verwerpingsgebied): de verzameling uitkomsten die zó extreem in de richting van H1H_1H1​ liggen dat je bij het waarnemen ervan H0H_0H0​ verwerpt. Voor een bovenstaarttoets is dat een gebied X≥gX \ge gX≥g, en de grenswaarde ggg kies je als de kleinste waarde waarvoor de kans op zo'n extreme uitkomst onder H0H_0H0​ niet groter is dan α\alphaα, dus waarvoor P(X≥g)≤αP(X \ge g) \le \alphaP(X≥g)≤α. Het kritieke gebied bevat samen dus ten hoogste 5%5\%5% kans onder H0H_0H0​. Valt je waarneming erin, dan was die uitkomst onder H0H_0H0​ erg onwaarschijnlijk, en dat vat je op als bewijs tégen H0H_0H0​.
Het kritieke gebied bepaal je met de cumulatieve binomiale kans, op de rekenmachine binomcdf genoemd: binomcdf(n,p,k)(n, p, k)(n,p,k) geeft P(X≤k)P(X \le k)P(X≤k). Voor een bovenstaarttoets reken je de overschrijdingskans uit als P(X≥g)=1−P(X≤g−1)=1−binomcdf(n,p0,g−1)P(X \ge g) = 1 - P(X \le g-1) = 1 - \text{binomcdf}(n, p_0, g-1)P(X≥g)=1−P(X≤g−1)=1−binomcdf(n,p0​,g−1). Je zoekt nu de kleinste ggg waarvoor deze kans onder α\alphaα zakt. In het defect-voorbeeld met Bin(20; 0,10)\text{Bin}(20;\,0{,}10)Bin(20;0,10) en α=0,05\alpha = 0{,}05α=0,05 vind je P(X≥5)≈0,043P(X \ge 5) \approx 0{,}043P(X≥5)≈0,043 (kleiner dan 0,050{,}050,05) terwijl P(X≥4)≈0,133P(X \ge 4) \approx 0{,}133P(X≥4)≈0,133 (groter dan 0,050{,}050,05). De grenswaarde is dus g=5g = 5g=5 en het kritieke gebied is X≥5X \ge 5X≥5: vanaf vijf defecte items verwerp je H0H_0H0​. Let goed op het verschil tussen ≥\ge≥ en >>> en tussen P(X≤k)P(X \le k)P(X≤k) en P(X≥g)P(X \ge g)P(X≥g) — daar gaat het vaak mis. Een alternatief voor het kritieke gebied is de p-waarde: de kans onder H0H_0H0​ op een uitkomst minstens zo extreem als de waargenomene; is die kleiner dan α\alphaα, dan verwerp je H0H_0H0​.
De conclusie trek je zorgvuldig en in twee stappen. Eerst de statistische beslissing: valt de waargenomen uitkomst in het kritieke gebied (of is de p-waarde kleiner dan α\alphaα), dan verwerp je H0H_0H0​; zo niet, dan verwerp je H0H_0H0​ niet. Daarna vertaal je die beslissing naar de context. Verwerp je H0H_0H0​, dan zeg je: „er is op 5%5\%5%-niveau voldoende bewijs dat …”. Verwerp je H0H_0H0​ niet, dan zeg je: „er is onvoldoende bewijs dat …” — en uitdrukkelijk níét „H0H_0H0​ is dus waar”. Een toets levert immers nooit zekerheid: je kunt H0H_0H0​ ten onrechte verwerpen (de 5%5\%5% vals alarm) of een echt effect missen. Daarom is de taal van een toets altijd voorzichtig: voldoende of onvoldoende bewijs, niet bewezen of weerlegd. Deze binomiale toets werkt prima zolang nnn niet te groot is; bij grote nnn of bij het toetsen van een gemiddelde wordt het rekenen met losse binomiale kansen onpraktisch en stap je over op de normale benadering, het onderwerp van de laatste paragraaf.
X∼Bin(n, p0)X \sim \text{Bin}(n,\,p_0)X∼Bin(n,p0​)

binomiale toetsverdeling

Onder de nulhypothese is het aantal successen XXX in nnn onafhankelijke pogingen binomiaal verdeeld met succeskans p0p_0p0​. Met deze verdeling reken je uit hoe waarschijnlijk elke uitkomst is als H0H_0H0​ klopt.

P(X≥g)=1−P(X≤g−1)≤αP(X \ge g) = 1 - P(X \le g-1) \le \alphaP(X≥g)=1−P(X≤g−1)≤α

kritiek gebied (bovenstaart)

De grenswaarde ggg is de kleinste waarde waarvoor de overschrijdingskans onder H0H_0H0​ niet groter is dan het significantieniveau α\alphaα. Het kritieke gebied X≥gX \ge gX≥g bepaal je met binomcdf: P(X≤g−1)=binomcdf(n,p0,g−1)P(X \le g-1) = \text{binomcdf}(n, p_0, g-1)P(X≤g−1)=binomcdf(n,p0​,g−1).

Uitgewerkt voorbeeld

Een eenzijdige binomiale toets volledig uitvoeren

Een leverancier beweert dat hoogstens 10%10\%10% van zijn items defect is. Een afnemer vermoedt dat het er meer zijn en controleert een aselecte steekproef van n=20n = 20n=20 items. Toets op significantieniveau α=0,05\alpha = 0{,}05α=0,05. Bepaal het kritieke gebied en beslis, als er 666 defecte items in de steekproef zitten, of de bewering wordt verworpen.

  1. 01Stap 1 — Hypothesen en model

    Noem XXX het aantal defecte items in de steekproef. Onder de bewering geldt H0:p=0,10H_0: p = 0{,}10H0​:p=0,10 en de afnemer vermoedt H1:p>0,10H_1: p > 0{,}10H1​:p>0,10 (eenzijdig, bovenstaart). Onder H0H_0H0​ is X∼Bin(20; 0,10)X \sim \text{Bin}(20;\,0{,}10)X∼Bin(20;0,10).

    H0:p=0,10H1:p>0,10H_0: p = 0{,}10 \qquad H_1: p > 0{,}10H0​:p=0,10H1​:p>0,10
  2. 02Stap 2 — Het kritieke gebied bepalen

    Zoek de kleinste grenswaarde ggg met P(X≥g)≤0,05P(X \ge g) \le 0{,}05P(X≥g)≤0,05, waarbij P(X≥g)=1−binomcdf(20; 0,10; g−1)P(X \ge g) = 1 - \text{binomcdf}(20;\,0{,}10;\,g-1)P(X≥g)=1−binomcdf(20;0,10;g−1). Probeer g=5g = 5g=5 en g=4g = 4g=4:

    P(X≥5)=1−0,9568≈0,043≤0,05,P(X≥4)=1−0,8670≈0,133>0,05P(X \ge 5) = 1 - 0{,}9568 \approx 0{,}043 \le 0{,}05, \qquad P(X \ge 4) = 1 - 0{,}8670 \approx 0{,}133 > 0{,}05P(X≥5)=1−0,9568≈0,043≤0,05,P(X≥4)=1−0,8670≈0,133>0,05
  3. 03Stap 3 — Conclusie over het kritieke gebied

    Bij g=5g = 5g=5 zakt de overschrijdingskans net onder 0,050{,}050,05, bij g=4g = 4g=4 niet. De grenswaarde is dus g=5g = 5g=5 en het kritieke gebied is X≥5X \ge 5X≥5: vanaf vijf defecte items verwerp je H0H_0H0​.

  4. 04Stap 4 — Beslissen met de waarneming

    Er zijn 666 defecte items waargenomen. Omdat 6≥56 \ge 56≥5, valt de uitkomst in het kritieke gebied, dus verwerp je H0H_0H0​. Ter controle de p-waarde: P(X≥6)=1−binomcdf(20; 0,10; 5)=1−0,9887≈0,011P(X \ge 6) = 1 - \text{binomcdf}(20;\,0{,}10;\,5) = 1 - 0{,}9887 \approx 0{,}011P(X≥6)=1−binomcdf(20;0,10;5)=1−0,9887≈0,011, en 0,011<0,050{,}011 < 0{,}050,011<0,05.

    6≥5  ⇒  verwerp H0;P(X≥6)≈0,011<0,056 \ge 5 \;\Rightarrow\; \text{verwerp } H_0; \qquad P(X \ge 6) \approx 0{,}011 < 0{,}056≥5⇒verwerp H0​;P(X≥6)≈0,011<0,05

Resultaat: Het kritieke gebied is X≥5X \ge 5X≥5. Met 666 waargenomen defecte items (p-waarde ≈0,011\approx 0{,}011≈0,011) verwerp je H0H_0H0​: op 5%5\%5%-niveau is er voldoende bewijs dat méér dan 10%10\%10% van de items defect is.

Eindexamen-focus

  • Voer op het schoolexamen (SE) een eenzijdige binomiale toets volledig uit: formuleer H0H_0H0​ en H1H_1H1​, bepaal bij significantieniveau α\alphaα het kritieke gebied met binomcdf en trek de conclusie of H0H_0H0​ wel of niet wordt verworpen.
  • Een vraag kan je het kritieke gebied of de grenswaarde ggg laten bepalen, of bij een gegeven uitkomst de p-waarde laten berekenen en daarmee beslissen.
  • Je moet de conclusie correct en voorzichtig formuleren (voldoende/onvoldoende bewijs op α\alphaα-niveau), niet „H0H_0H0​ is bewezen of weerlegd”.

Veelgemaakte fouten

  • Bij het verwerpen van H0H_0H0​ concluderen dat H1H_1H1​ bewezen is, of bij het niet-verwerpen concluderen dat H0H_0H0​ waar is; een toets levert nooit zekerheid, alleen voldoende of onvoldoende bewijs op α\alphaα-niveau.
  • P(X≥g)P(X \ge g)P(X≥g) verwarren met P(X≤g)P(X \le g)P(X≤g) of P(X>g)P(X > g)P(X>g); de rekenmachine geeft binomcdf =P(X≤k)= P(X \le k)=P(X≤k), dus voor de bovenstaart gebruik je P(X≥g)=1−P(X≤g−1)P(X \ge g) = 1 - P(X \le g-1)P(X≥g)=1−P(X≤g−1).
  • De grenswaarde ggg niet meetellen in het kritieke gebied, of een verkeerde ggg kiezen door de eis P(X≥g)≤αP(X \ge g) \le \alphaP(X≥g)≤α verkeerd toe te passen.

Actieve herhaling

Een fabrikant beweert dat hoogstens 15% van zijn lampen binnen 1000 branduren kapotgaat. Een testlab onderzoekt een aselecte steekproef van 25 lampen. Stel H0H_0H0​ en H1H_1H1​ op, bepaal bij α=0,05\alpha = 0{,}05α=0,05 het kritieke gebied met binomcdf en geef aan vanaf hoeveel kapotte lampen je de bewering verwerpt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma wiskunde D (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Toetsen met de normale verdeling#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Verwerpingsgebied bij een linkszijdige toets

Verwerpingsgebied bij een linkszijdige toetsSchaubild von verdeling onder H0, Hochpunkt bei (0, 1), y-Achsenabschnitt bei y = 1, im Bereich x von -4 bis 4−4−3−2−112340.20.40.60.81grens −1,645z = −2,25verdeling onderH0dichtheidz
Afb. 4Standaardnormale verdeling van z onder H0. Bij significantieniveau 0,05 ligt het verwerpingsgebied links van de grens z = -1,645 (gearceerd). De waargenomen waarde z = -2,25 valt in dat gebied, dus H0 wordt verworpen.

Kernpunten

Bij grote steekproeven of bij het toetsen van een gemiddelde gebruik je niet de binomiale verdeling, maar de normale verdeling. De reden is de centrale limietstelling: het gemiddelde x‾\overline{x}x van een steekproef is bij voldoende grote nnn bij benadering normaal verdeeld, ook als de afzonderlijke metingen dat niet zijn. Toets je een gemiddelde, dan is onder H0H_0H0​ het steekproefgemiddelde x‾\overline{x}x normaal verdeeld met als verwachting de waarde μ0\mu_0μ0​ uit H0H_0H0​ en met standaardafwijking σn\frac{\sigma}{\sqrt{n}}n​σ​ — let op, dat is de spreiding van het gemiddelde, niet van de losse metingen, en die is door het delen door n\sqrt{n}n​ kleiner. Toets je een proportie, dan is de steekproefproportie p^\hat{p}p^​ bij grote nnn ook bij benadering normaal verdeeld rond p0p_0p0​. In beide gevallen reken je de toetsbeslissing uit met de oppervlakte onder de normaalkromme, precies zoals je bij de kansverdelingen hebt geleerd. De normale toets is dus de doorlopende tegenhanger van de binomiale toets uit de vorige paragraaf.
Om de waarneming te beoordelen, herleid je haar tot een standaardscore, de toetsingsgrootheid z=x‾−μ0σ/nz = \frac{\overline{x} - \mu_0}{\sigma / \sqrt{n}}z=σ/n​x−μ0​​. In woorden: hoeveel standaardafwijkingen van het gemiddelde ligt het waargenomen steekproefgemiddelde van de waarde af die H0H_0H0​ voorspelt? Een zzz dicht bij 000 betekent dat je waarneming goed bij H0H_0H0​ past; een sterk negatieve of sterk positieve zzz betekent dat ze er ver vanaf ligt en dus verdacht is. Door te standaardiseren reken je elk probleem om naar de standaardnormale verdeling met gemiddelde 000 en standaardafwijking 111, zodat je steeds dezelfde grenswaarden en dezelfde rekenmachinefunctie kunt gebruiken. In het voorbeeld hieronder zijn zakken afgesteld op μ0=500\mu_0 = 500μ0​=500 g met σ=12\sigma = 12σ=12 g; een steekproef van n=36n = 36n=36 heeft gemiddelde 495,5495{,}5495,5 g, en dan is z=495,5−50012/36=−2,25z = \frac{495{,}5 - 500}{12/\sqrt{36}} = -2{,}25z=12/36​495,5−500​=−2,25. Het waargenomen gemiddelde ligt dus 2,252{,}252,25 standaardafwijkingen ónder de afstelwaarde — flink aan de lage kant.
De p-waarde maakt „flink aan de lage kant” precies. De p-waarde is de kans, berekend ónder H0H_0H0​, op een uitkomst die minstens zo extreem is als de waargenomene, in de richting van H1H_1H1​. Bij de linkszijdige zakkentoets (H1:μ<500H_1: \mu < 500H1​:μ<500) is dat de oppervlakte links van z=−2,25z = -2{,}25z=−2,25 onder de standaardnormale kromme: P(Z≤−2,25)≈0,012P(Z \le -2{,}25) \approx 0{,}012P(Z≤−2,25)≈0,012. Je leest dit af met normalcdf op de rekenmachine — direct als P(x‾≤495,5)P(\overline{x} \le 495{,}5)P(x≤495,5) met normalcdf(−1099; 495,5; 500; 2)(-10^{99};\,495{,}5;\,500;\,2)(−1099;495,5;500;2), of na standaardiseren als P(Z≤−2,25)P(Z \le -2{,}25)P(Z≤−2,25). Een kleine p-waarde betekent: als H0H_0H0​ écht klopte, zou je zo'n extreme uitkomst maar zelden zien; dat de uitkomst er tóch is, pleit dus tégen H0H_0H0​. Je vergelijkt de p-waarde met het significantieniveau: is p<αp < \alphap<α, dan verwerp je H0H_0H0​. Hier is 0,012<0,050{,}012 < 0{,}050,012<0,05, dus verwerp je H0H_0H0​. De p-waarde is daarmee het scharnierpunt van de toets: één getal dat zegt hoe goed of slecht de data bij de nulhypothese passen.
Naast de p-waarde kun je dezelfde beslissing nemen met het verwerpingsgebied. Daarvoor bepaal je vóóraf, uit het significantieniveau, een grenswaarde op de zzz-as. Bij een linkszijdige toets met α=0,05\alpha = 0{,}05α=0,05 is die grens z∗=−1,645z^{*} = -1{,}645z∗=−1,645, te vinden met invNorm(0,05)(0{,}05)(0,05); je verwerpt H0H_0H0​ als de toetsingsgrootheid links van die grens valt, dus als z≤−1,645z \le -1{,}645z≤−1,645. De figuur hieronder toont dit: de gearceerde linkerstaart onder de normaalkromme is het verwerpingsgebied, en de grenslijn ligt bij −1,645-1{,}645−1,645. De waargenomen z=−2,25z = -2{,}25z=−2,25 ligt nog verder naar links en valt dus binnen het gearceerde gebied, zodat je H0H_0H0​ verwerpt. Het verwerpingsgebied en de p-waarde geven altijd dezelfde uitkomst: ligt zzz in het gebied, dan is de p-waarde automatisch kleiner dan α\alphaα, en omgekeerd. Het zijn twee manieren om naar dezelfde grens te kijken — de één vanuit de oppervlakte (α\alphaα), de ander vanuit de waargenomen kans (ppp). Je mag op het SE met beide methoden werken, als je maar één keuze consequent uitwerkt.
Een toets is pas af als de conclusie correct is geformuleerd, en daar gaan veel punten verloren. Noem eerst de statistische beslissing — H0H_0H0​ verworpen of niet, op niveau α\alphaα — en vertaal die daarna naar de context van de opgave. Bij de zakken luidt de conclusie: „op 5%5\%5%-niveau is er voldoende bewijs dat de zakken gemiddeld te licht zijn (minder dan 500500500 g)”. Vermijd drie valkuilen. Ten eerste: een verworpen H0H_0H0​ betekent niet dat H1H_1H1​ bewézen is, alleen dat de data er sterk op wijzen — en een niet-verworpen H0H_0H0​ is geen bewijs dat H0H_0H0​ klopt. Ten tweede: statistische significantie is niet hetzelfde als praktische betekenis; een piepklein, onbelangrijk verschil kan bij een grote steekproef toch significant uitvallen. Ten derde: gebruik de juiste staart — bij H1:μ<μ0H_1: \mu < \mu_0H1​:μ<μ0​ kijk je naar de linkerstaart, niet de rechter. De normale toets volgt verder exact dezelfde logica als de binomiale toets: hypothesen, een significantieniveau, een grens en een onderbouwde, voorzichtige conclusie.
z=x‾−μ0σ/nz = \frac{\overline{x} - \mu_0}{\sigma / \sqrt{n}}z=σ/n​x−μ0​​

toetsingsgrootheid (gemiddelde)

De toetsingsgrootheid zzz zegt hoeveel standaardafwijkingen het steekproefgemiddelde x‾\overline{x}x van de nulwaarde μ0\mu_0μ0​ af ligt. De noemer is de standaardafwijking van het gemiddelde, σ/n\sigma/\sqrt{n}σ/n​, niet die van de losse metingen.

verwerp H0 als z≤−1,645   of p<α\text{verwerp } H_0 \text{ als } z \le -1{,}645 \;\text{ of } p < \alphaverwerp H0​ als z≤−1,645 of p<α

verwerpingsregel (linkszijdig, α= 0,05)

Bij een linkszijdige toets met α=0,05\alpha = 0{,}05α=0,05 ligt de grens van het verwerpingsgebied bij z∗=−1,645z^{*} = -1{,}645z∗=−1,645 (via invNorm(0,05)(0{,}05)(0,05)). Verwerpingsgebied en p-waarde geven dezelfde beslissing: ligt zzz in het gebied, dan is p<αp < \alphap<α.

Uitgewerkt voorbeeld

Een gemiddelde toetsen met de normale verdeling (p-waarde en conclusie)

Een machine vult zakken met een afstelwaarde μ0=500\mu_0 = 500μ0​=500 g; de standaardafwijking is bekend, σ=12\sigma = 12σ=12 g. Een consumentenorganisatie vermoedt dat de zakken te licht zijn en meet een aselecte steekproef van n=36n = 36n=36 zakken met gemiddelde x‾=495,5\overline{x} = 495{,}5x=495,5 g. Toets op significantieniveau α=0,05\alpha = 0{,}05α=0,05.

  1. 01Stap 1 — Hypothesen

    De organisatie vermoedt te lichte zakken, dus toets je linkszijdig: H0:μ=500H_0: \mu = 500H0​:μ=500 tegen H1:μ<500H_1: \mu < 500H1​:μ<500. Het significantieniveau is α=0,05\alpha = 0{,}05α=0,05.

    H0:μ=500H1:μ<500H_0: \mu = 500 \qquad H_1: \mu < 500H0​:μ=500H1​:μ<500
  2. 02Stap 2 — Verdeling van het steekproefgemiddelde

    Onder H0H_0H0​ is x‾\overline{x}x normaal verdeeld rond 500500500 met standaardafwijking σn\frac{\sigma}{\sqrt{n}}n​σ​. Reken die eerst uit:

    σn=1236=126=2\frac{\sigma}{\sqrt{n}} = \frac{12}{\sqrt{36}} = \frac{12}{6} = 2n​σ​=36​12​=612​=2
  3. 03Stap 3 — Toetsingsgrootheid en p-waarde

    Standaardiseer de waarneming en bepaal de linkerstaartkans met normalcdf. Direct met de rekenmachine: P(x‾≤495,5)=normalcdf(−1099; 495,5; 500; 2)P(\overline{x} \le 495{,}5) = \text{normalcdf}(-10^{99};\,495{,}5;\,500;\,2)P(x≤495,5)=normalcdf(−1099;495,5;500;2).

    z=495,5−5002=−2,25,P(Z≤−2,25)≈0,012z = \frac{495{,}5 - 500}{2} = -2{,}25, \qquad P(Z \le -2{,}25) \approx 0{,}012z=2495,5−500​=−2,25,P(Z≤−2,25)≈0,012
  4. 04Stap 4 — Beslissing en conclusie

    De p-waarde 0,0120{,}0120,012 is kleiner dan α=0,05\alpha = 0{,}05α=0,05, dus verwerp je H0H_0H0​. Hetzelfde volgt uit het verwerpingsgebied: de grens is z∗=−1,645z^{*} = -1{,}645z∗=−1,645 (via invNorm(0,05)(0{,}05)(0,05)) en z=−2,25≤−1,645z = -2{,}25 \le -1{,}645z=−2,25≤−1,645. Conclusie in context: op 5%5\%5%-niveau is er voldoende bewijs dat de zakken gemiddeld te licht zijn.

    0,012<0,05  ⇒  verwerp H00{,}012 < 0{,}05 \;\Rightarrow\; \text{verwerp } H_00,012<0,05⇒verwerp H0​

Resultaat: De toetsingsgrootheid is z=−2,25z = -2{,}25z=−2,25 met p-waarde ≈0,012\approx 0{,}012≈0,012. Omdat 0,012<0,050{,}012 < 0{,}050,012<0,05 (en z≤−1,645z \le -1{,}645z≤−1,645), wordt H0H_0H0​ verworpen: op 5%5\%5%-niveau is er voldoende bewijs dat de zakken gemiddeld minder dan 500500500 g bevatten.

Eindexamen-focus

  • Toets op het schoolexamen (SE) een gemiddelde (of proportie) met de normale benadering: bereken de toetsingsgrootheid zzz en de p-waarde, vergelijk met α\alphaα of met het verwerpingsgebied, en formuleer de conclusie in de context.
  • Een vraag laat je de grenswaarde van het verwerpingsgebied bepalen met invNorm en beoordelen of de waargenomen toetsingsgrootheid daarin valt.
  • Je moet de juiste staart kiezen bij de richting van H1H_1H1​ en de standaardafwijking van het gemiddelde (σ/n\sigma/\sqrt{n}σ/n​) gebruiken, niet die van de losse metingen.

Veelgemaakte fouten

  • De standaardafwijking van de losse waarnemingen (σ\sigmaσ) gebruiken waar de standaardafwijking van het gemiddelde (σ/n\sigma/\sqrt{n}σ/n​) hoort; vergeten te delen door n\sqrt{n}n​.
  • De p-waarde aan de verkeerde kant berekenen: bij H1:μ<μ0H_1: \mu < \mu_0H1​:μ<μ0​ hoort de linkerstaart P(Z≤z)P(Z \le z)P(Z≤z), niet de rechterstaart.
  • De conclusie alleen in z- of p-termen laten staan („p<0,05p < 0{,}05p<0,05”) zonder hem te vertalen naar de context van de opgave.

Actieve herhaling

De vulmachine van een frisdrankfabriek is afgesteld op μ0=330\mu_0 = 330μ0​=330 ml met σ=3\sigma = 3σ=3 ml. Een aselecte steekproef van n=25n = 25n=25 blikjes heeft een gemiddelde van 328,8328{,}8328,8 ml. Toets op significantieniveau 0,050{,}050,05 of de blikjes gemiddeld te weinig bevatten: stel H0H_0H0​ en H1H_1H1​ op, bereken zzz en de p-waarde en formuleer de conclusie in de context.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma wiskunde D (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Correlatie en het spreidingsdiagram◐
    • 02De regressielijn en de kleinste-kwadratenmethode◐
    • 03Hypothesetoetsen met de binomiale verdeling◐
    • 04Toetsen met de normale verdeling●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Toepassingen van statistische verwerkingsmethoden (toetsen, correlatie en regressie)

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~31
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma wiskunde D (HAVO)

Vorig onderwerp

Kansverdelingen (binomiaal en normaal)

Volgend onderwerp

Profielspecifieke verdieping statistiek en kansrekening

EuraStudy·Samenvattingen T·06·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.