EuraStudy
Samenvattingen/Wiskunde D/Oppervlakte en inhoud van ruimtefiguren
Samenvattingen · Wiskunde DNL · HAVO

Oppervlakte en inhoud van ruimtefiguren

In dit onderwerp uit domein C (Ruimtemeetkunde) bereken je de oppervlakte en de inhoud van de belangrijkste ruimtefiguren: de balk en het prisma, de cilinder, de kegel en de piramide, en de bol. Je leert de formules niet alleen toepassen maar ook afleiden — waarom de inhoud van een kegel een derde van die van de omhullende cilinder is, waar het manteloppervlak 2πrh2\pi r h2πrh vandaan komt en hoe Archimedes aan 43πr3\tfrac{4}{3}\pi r^334​πr3 kwam. Ten slotte combineer je lichamen tot samengestelde figuren en gebruik je de schaalfactor om te zien hoe lengte, oppervlakte en inhoud verschillend meeschalen.

4 Onderdelen·~27 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0999 / 13
Examenprofiel
De inhoud van een prisma, balk en cilinder berekenen als grondvlak maal hoogte, en de oppervlakte bepalen als de som van de grensvlakken.De inhoud van een kegel en piramide berekenen met de factor een derde, en de schuine zijde en het manteloppervlak van een kegel bepalen.De inhoud en oppervlakte van een bol berekenen en het verband tussen straal, oppervlakte en inhoud beredeneren.Samengestelde lichamen berekenen door inhouden op te tellen of af te trekken, en met de schaalfactor k werken (lengte maal k, oppervlakte maal k², inhoud maal k³).
Operatoren:berekenbepaalleid afberedeneerinterpreteer

basisniveau

Zorg dat je de inhouds- en oppervlakteformules van balk, cilinder, kegel, piramide en bol foutloos kunt toepassen met het formuleblad, met de juiste straal (niet de diameter) en de juiste eenheid.

verhoogd niveau

Leid de formules af waar gevraagd (de factor een derde, het manteloppervlak, de schaalregel), reken zo lang mogelijk exact in π, en combineer lichamen tot samengestelde figuren en schaalvragen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Oppervlakte en inhoud van ruimtefiguren
    • 01Inhoud en oppervlakte van prisma, balk en cilinder○
    • 02Inhoud en manteloppervlak van kegel en piramide◐
    • 03Inhoud en oppervlakte van de bol◐
    • 04Samengestelde lichamen en de schaalfactor●
§ 01

Inhoud en oppervlakte van prisma, balk en cilinder#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Uitgerolde mantel van een cilinder

Uitgerolde mantel van een cilinderGeometrische Zeichnung, h, 2πr, mantelx1x2mantelh2πr
Afb. 1De mantel van een cilinder opengeknipt en platgerold: een rechthoek met hoogte h en breedte 2·π·r (de omtrek van de grondcirkel), met oppervlakte 2·π·r·h.

Kernpunten

De inhoud van een ruimtefiguur geeft aan hoeveel ruimte het lichaam inneemt; je meet hem in kubieke eenheden zoals cm3\text{cm}^3cm3 of m3\text{m}^3m3. Voor een hele familie lichamen — de prisma's — geldt één eenvoudige regel: de inhoud is het grondvlak maal de hoogte, V=G⋅hV = G \cdot hV=G⋅h. Een prisma is een lichaam met twee evenwijdige, congruente grondvlakken die door rechthoeken verbonden zijn; denk aan een balk, een driehoekig prisma of een zeshoekige zuil. Je kunt je het lichaam voorstellen als een stapel dunne, even grote plakjes: elk plakje heeft oppervlakte GGG en samen vormen ze een hoogte hhh, dus het volume is G⋅hG \cdot hG⋅h. Bij een balk is het grondvlak een rechthoek met lengte lll en breedte bbb, zodat G=l⋅bG = l \cdot bG=l⋅b en de bekende formule V=l⋅b⋅hV = l \cdot b \cdot hV=l⋅b⋅h ontstaat. Een kubus met ribbe aaa is dan het bijzondere geval V=a3V = a^3V=a3.
Een cilinder is in feite een ronde prisma: het grondvlak is geen veelhoek maar een cirkel. Dezelfde stapelredenering werkt onverkort — je stapelt cirkelvormige schijfjes met straal rrr op elkaar tot een hoogte hhh. Omdat de oppervlakte van een cirkel G=πr2G = \pi r^2G=πr2 is, wordt de inhoud van de cilinder V=G⋅h=πr2hV = G \cdot h = \pi r^2 hV=G⋅h=πr2h. Dat de formule voor een prisma en voor een cilinder dezelfde vorm V=G⋅hV = G \cdot hV=G⋅h heeft, is geen toeval: het is het principe van Cavalieri, dat zegt dat twee lichamen met op elke hoogte even grote doorsneden ook dezelfde inhoud hebben. Reken altijd met de straal, niet met de diameter: krijg je een diameter ddd, dan is r=12dr = \tfrac{1}{2}dr=21​d. Doordat de straal gekwadrateerd wordt, verviervoudigt de inhoud van een twee keer zo dikke cilinder. Houd π\piπ zo lang mogelijk staan en rond pas in de laatste stap af.
De oppervlakte van een ruimtefiguur is de totale buitenkant: de som van de oppervlakten van alle grensvlakken. Bij een balk zijn dat zes rechthoeken die paarsgewijs gelijk zijn — voor en achter (l⋅hl \cdot hl⋅h), links en rechts (b⋅hb \cdot hb⋅h) en boven en onder (l⋅bl \cdot bl⋅b) — zodat de totale oppervlakte A=2(lb+bh+lh)A = 2(lb + bh + lh)A=2(lb+bh+lh) wordt. De truc bij elk lichaam is hetzelfde: maak in gedachten een uitslag, leg alle vlakken plat naast elkaar, bereken hun oppervlakten en tel ze op. Bij een cilinder bestaat de buitenkant uit drie stukken: een cirkelvormig deksel en een cirkelvormige bodem, elk met oppervlakte πr2\pi r^2πr2, plus het gebogen zijvlak — de mantel. Samen leveren deksel en bodem 2πr22\pi r^22πr2; in de volgende alinea zien we hoe je de mantel berekent. Let goed op de gevraagde eenheid: oppervlakte in cm2\text{cm}^2cm2, inhoud in cm3\text{cm}^3cm3.
Het manteloppervlak van een cilinder is verrassend eenvoudig zodra je de mantel openknipt en uitrolt. Knip het gebogen zijvlak langs één verticale lijn door en rol het plat: je houdt een gewone rechthoek over. De hoogte van die rechthoek is de hoogte hhh van de cilinder, en de breedte is precies de omtrek van de grondcirkel, want die rand wordt nu een rechte zijde. De omtrek van een cirkel met straal rrr is 2πr2\pi r2πr, dus de mantel heeft oppervlakte Amantel=2πr⋅hA_{\text{mantel}} = 2\pi r \cdot hAmantel​=2πr⋅h. Tel je daar deksel en bodem bij op, dan is de totale oppervlakte van een gesloten cilinder A=2πr2+2πrh=2πr(r+h)A = 2\pi r^2 + 2\pi r h = 2\pi r(r + h)A=2πr2+2πrh=2πr(r+h). Bij een open lichaam — een beker of een buis zonder deksel — laat je de overeenkomstige cirkel(s) weg; lees daarom altijd nauwkeurig of het lichaam open of gesloten is. Deze uitrol-truc komt in de volgende paragraaf terug bij de kegel.
Deze twee lichamen — het prisma/de balk en de cilinder — vormen het fundament van de hele ruimtemeetkunde: zo goed als elk samengesteld voorwerp dat je later tegenkomt is opgebouwd uit, of begrensd door, vlakke veelhoeken en cilindervlakken. In toepassingen reken je er voortdurend mee: het volume van een verpakking of een tank, de hoeveelheid verf voor een muur, het materiaal voor een blik. Werk daarbij netjes met de formules en blijf zo lang mogelijk exact. Een inhoud als 160π160\pi160π is een exact antwoord; pas als de context om een getal vraagt — bijvoorbeeld het aantal liters — vervang je π\piπ door een benadering en rond je af op de gevraagde nauwkeurigheid. In de volgende paragrafen vervang je het platte grondvlak door een punt: bij de kegel en de piramide loopt het lichaam in een top samen, en dan duikt onverwacht de factor 13\tfrac{1}{3}31​ op.
V=G⋅h=πr2hV = G \cdot h = \pi r^2 hV=G⋅h=πr2h

inhoud van een prisma en een cilinder

De inhoud is altijd het grondvlak GGG maal de hoogte hhh; bij een cilinder is G=πr2G = \pi r^2G=πr2, dus V=πr2hV = \pi r^2 hV=πr2h.

Acilinder=2πr2+2πrh=2πr(r+h)A_{\text{cilinder}} = 2\pi r^2 + 2\pi r h = 2\pi r(r + h)Acilinder​=2πr2+2πrh=2πr(r+h)

oppervlakte van een gesloten cilinder

Deksel en bodem leveren 2πr22\pi r^22πr2, de uitgerolde mantel 2πrh2\pi r h2πrh; samen 2πr(r+h)2\pi r(r+h)2πr(r+h).

Uitgewerkt voorbeeld

Inhoud en oppervlakte van een cilinder

Een gesloten cilinder heeft een straal r=4r = 4r=4 cm en een hoogte h=10h = 10h=10 cm. Bereken de inhoud en de totale oppervlakte, exact in π\piπ en afgerond op gehele getallen.

  1. 01Stap 1 — Bereken de inhoud

    Vul r=4r = 4r=4 en h=10h = 10h=10 in de inhoudsformule V=πr2hV = \pi r^2 hV=πr2h in.

    V=πr2h=π⋅42⋅10=160π≈503 cm3V = \pi r^2 h = \pi \cdot 4^2 \cdot 10 = 160\pi \approx 503 \text{ cm}^3V=πr2h=π⋅42⋅10=160π≈503 cm3
  2. 02Stap 2 — Bereken de mantel en de twee cirkels

    De mantel is een uitgerolde rechthoek 2πrh2\pi r h2πrh; deksel en bodem leveren samen 2πr22\pi r^22πr2.

    Amantel=2π⋅4⋅10=80π,2πr2=2π⋅16=32πA_{\text{mantel}} = 2\pi \cdot 4 \cdot 10 = 80\pi, \qquad 2\pi r^2 = 2\pi \cdot 16 = 32\piAmantel​=2π⋅4⋅10=80π,2πr2=2π⋅16=32π
  3. 03Stap 3 — Tel op en rond af

    Tel de drie oppervlakten op tot de totale oppervlakte en rond pas daarna af.

    A=80π+32π=112π≈352 cm2A = 80\pi + 32\pi = 112\pi \approx 352 \text{ cm}^2A=80π+32π=112π≈352 cm2

Resultaat: Resultaat: de inhoud is 160π≈503 cm3160\pi \approx 503\ \text{cm}^3160π≈503 cm3 en de totale oppervlakte 112π≈352 cm2112\pi \approx 352\ \text{cm}^2112π≈352 cm2. Door eerst exact in π\piπ te rekenen blijven de tussenstappen (80π80\pi80π en 32π32\pi32π) overzichtelijk; pas in de allerlaatste stap rond je af.

Eindexamen-focus

  • Je moet de inhoud van een balk, prisma en cilinder vlot kunnen berekenen met V=G⋅hV = G \cdot hV=G⋅h en de totale oppervlakte als som van de grensvlakken, telkens met de juiste eenheid (cm2\text{cm}^2cm2 voor oppervlakte, cm3\text{cm}^3cm3 voor inhoud).
  • Het schoolexamen (SE) verwacht dat je het manteloppervlak van een cilinder herkent als een uitgerolde rechthoek 2πrh2\pi r h2πrh en dat je exact (in π\piπ) rekent en pas op het eind afrondt.

Veelgemaakte fouten

  • Rekenen met de diameter in plaats van de straal: in V=πr2hV = \pi r^2 hV=πr2h en A=2πr(r+h)A = 2\pi r(r+h)A=2πr(r+h) hoort de straal r=12dr = \tfrac{1}{2}dr=21​d, niet de diameter.
  • Oppervlakte en inhoud verwarren of de verkeerde eenheid geven (cm2\text{cm}^2cm2 versus cm3\text{cm}^3cm3); oppervlakte is een som van vlakken, inhoud een product van drie lengtes.
  • Bij een open lichaam (beker, buis) toch deksel of bodem meetellen, of bij de cilinder juist de mantel 2πrh2\pi r h2πrh vergeten.

Actieve herhaling

Een gesloten cilindervormig blik heeft een straal van 555 cm en een hoogte van 121212 cm. Bereken de inhoud en de totale oppervlakte, eerst exact in π\piπ en daarna afgerond op gehele getallen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma wiskunde D (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Inhoud en manteloppervlak van kegel en piramide#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Asdoorsnede van een kegel

Asdoorsnede van een kegelGeometrische Zeichnung, top, M, h, r, s, asdoorsnedetopMx1x2asdoorsnedehrs
Afb. 2De asdoorsnede (verticale doorsnede door de top) van een kegel: een gelijkbenige driehoek met hoogte h, halve basis r en schuine zijde s. Uit de rechthoekige driehoek T-M-R volgt s = √(r²+h²).

Kernpunten

De kegel en de piramide horen bij elkaar: het zijn lichamen die vanuit een vlak grondvlak in één punt — de top — samenlopen. Bij een piramide is het grondvlak een veelhoek (vaak een vierkant of een driehoek) en lopen de zijvlakken als driehoeken naar de top; bij een kegel is het grondvlak een cirkel en is het zijvlak een gebogen mantel. Voor allebei geldt dezelfde inhoudsformule: V=13⋅G⋅hV = \tfrac{1}{3} \cdot G \cdot hV=31​⋅G⋅h, waarin GGG het grondvlak is en hhh de hoogte — de loodrechte afstand van de top tot het grondvlak, dus niet de schuine zijde. Voor een kegel met grondcirkel πr2\pi r^2πr2 wordt dat V=13πr2hV = \tfrac{1}{3}\pi r^2 hV=31​πr2h. Vergelijk dit met de cilinder of het prisma uit de vorige paragraaf, waar V=G⋅hV = G \cdot hV=G⋅h: een kegel en een cilinder met hetzelfde grondvlak en dezelfde hoogte verschillen precies een factor 333. De top kost je dus twee derde van de inhoud.
Waar komt die factor 13\tfrac{1}{3}31​ vandaan? Een mooie verklaring werkt met een kubus. Verbind het middelpunt van een kubus met de vier hoekpunten van één grensvlak: je krijgt een piramide met dat grensvlak als grondvlak en het kubusmidden als top. Op deze manier valt de kubus uiteen in zes van zulke piramides, één voor elk grensvlak, die samen precies de kubus vullen. Elke piramide heeft dus inhoud 16\tfrac{1}{6}61​ van de kubus. Omdat de hoogte van zo'n piramide de halve ribbe is, klopt dit met de formule: 13⋅a2⋅12a=16a3\tfrac{1}{3} \cdot a^2 \cdot \tfrac{1}{2}a = \tfrac{1}{6}a^331​⋅a2⋅21​a=61​a3. Algemener volgt het resultaat uit het principe van Cavalieri: op hoogte xxx boven het grondvlak is de doorsnede van een kegel of piramide een geschaalde kopie van het grondvlak, en die geschaalde oppervlakten samen leveren precies een derde van G⋅hG \cdot hG⋅h. Je hoeft de afleiding niet uit het hoofd te kennen, maar het idee — een top kost twee derde — maakt de formule onthoudbaar.
Bij een kegel moet je naast de rechte hoogte hhh vaak de schuine zijde sss kennen: de afstand van de top tot een punt op de rand van de grondcirkel. Die twee zijn niet hetzelfde — hhh staat loodrecht op het grondvlak, sss loopt schuin langs de mantel. Je vindt sss met de stelling van Pythagoras. Teken de rechthoekige driehoek met als rechthoekszijden de hoogte hhh (van de top recht omlaag naar het middelpunt MMM) en de straal rrr (van MMM naar de rand); de schuine zijde van die driehoek is juist sss. Dus s2=r2+h2s^2 = r^2 + h^2s2=r2+h2, oftewel s=r2+h2s = \sqrt{r^2 + h^2}s=r2+h2​. Andersom vind je hiermee h=s2−r2h = \sqrt{s^2 - r^2}h=s2−r2​ als je sss en rrr kent. Met r=6r = 6r=6 en h=8h = 8h=8 is bijvoorbeeld s=36+64=100=10s = \sqrt{36 + 64} = \sqrt{100} = 10s=36+64​=100​=10. Deze schuine zijde heb je meteen nodig voor het manteloppervlak.
Het manteloppervlak van een kegel rol je — net als bij de cilinder — open. Knip de mantel langs één schuine lijn door en leg hem plat: nu krijg je geen rechthoek maar een cirkelsector (een taartpunt) van een cirkel met straal sss, want elk punt op de mantel ligt op afstand sss van de top. De boog van die sector is even lang als de omtrek van de grondcirkel, dus 2πr2\pi r2πr. Een volledige cirkel met straal sss heeft oppervlakte πs2\pi s^2πs2 en omtrek 2πs2\pi s2πs; onze sector is daarvan de fractie 2πr2πs=rs\tfrac{2\pi r}{2\pi s} = \tfrac{r}{s}2πs2πr​=sr​. Het manteloppervlak is dus Amantel=rs⋅πs2=πrsA_{\text{mantel}} = \tfrac{r}{s} \cdot \pi s^2 = \pi r sAmantel​=sr​⋅πs2=πrs. Wil je de totale oppervlakte van een dichte kegel, tel dan de grondcirkel erbij op: A=πr2+πrs=πr(r+s)A = \pi r^2 + \pi r s = \pi r(r + s)A=πr2+πrs=πr(r+s). Let op het verschil: in de inhoud staat de hoogte hhh, in het manteloppervlak de schuine zijde sss.
Kegels en piramides duiken overal op: een ijshoorntje, een trechter, een puntdak, de grote piramides, een hoop zand. In zulke toepassingen reken je inhouden (hoeveel past erin?) en oppervlakten (hoeveel materiaal kost de buitenkant?), en je moet daarbij scherp houden welke maat gegeven is — de hoogte of de schuine zijde. Vaak is een opgave een keten: eerst sss uit rrr en hhh met Pythagoras, dan het manteloppervlak met πrs\pi r sπrs, of omgekeerd hhh uit sss en rrr voor de inhoud. Deze combinatie van Pythagoras en oppervlakteformules is precies wat de ruimtemeetkunde van wiskunde D kenmerkt. In de volgende paragraaf maken we de overgang compleet: van een lichaam met een top naar een lichaam zonder enige hoek of rand — de bol, waar zowel de inhoud als de oppervlakte met π\piπ en de straal worden uitgedrukt.
V=13⋅G⋅h=13πr2hV = \tfrac{1}{3} \cdot G \cdot h = \tfrac{1}{3}\pi r^2 hV=31​⋅G⋅h=31​πr2h

inhoud van een kegel en piramide

De inhoud is een derde van grondvlak maal hoogte; bij een kegel is G=πr2G = \pi r^2G=πr2. Gebruik de loodrechte hoogte hhh.

s=r2+h2,Amantel=πrss = \sqrt{r^2 + h^2}, \qquad A_{\text{mantel}} = \pi r ss=r2+h2​,Amantel​=πrs

schuine zijde en manteloppervlak van een kegel

De schuine zijde volgt uit Pythagoras met rrr en hhh; het manteloppervlak is dan πrs\pi r sπrs.

Uitgewerkt voorbeeld

Inhoud en manteloppervlak van een kegel

Een kegel heeft een straal r=6r = 6r=6 cm en een hoogte h=8h = 8h=8 cm. Bereken de schuine zijde sss, het manteloppervlak en de inhoud, exact in π\piπ en afgerond op gehele getallen.

  1. 01Stap 1 — Bepaal de schuine zijde met Pythagoras

    De hoogte hhh en de straal rrr zijn de rechthoekszijden; de schuine zijde sss volgt uit s=r2+h2s = \sqrt{r^2+h^2}s=r2+h2​.

    s=62+82=36+64=100=10 cms = \sqrt{6^2 + 8^2} = \sqrt{36 + 64} = \sqrt{100} = 10 \text{ cm}s=62+82​=36+64​=100​=10 cm
  2. 02Stap 2 — Bereken het manteloppervlak

    Vul r=6r = 6r=6 en s=10s = 10s=10 in Amantel=πrsA_{\text{mantel}} = \pi r sAmantel​=πrs in.

    Amantel=π⋅6⋅10=60π≈188 cm2A_{\text{mantel}} = \pi \cdot 6 \cdot 10 = 60\pi \approx 188 \text{ cm}^2Amantel​=π⋅6⋅10=60π≈188 cm2
  3. 03Stap 3 — Bereken de inhoud

    Gebruik de loodrechte hoogte h=8h = 8h=8 (niet sss) in V=13πr2hV = \tfrac{1}{3}\pi r^2 hV=31​πr2h.

    V=13π⋅62⋅8=13π⋅288=96π≈302 cm3V = \tfrac{1}{3}\pi \cdot 6^2 \cdot 8 = \tfrac{1}{3}\pi \cdot 288 = 96\pi \approx 302 \text{ cm}^3V=31​π⋅62⋅8=31​π⋅288=96π≈302 cm3

Resultaat: Resultaat: s=10s = 10s=10 cm, het manteloppervlak is 60π≈188 cm260\pi \approx 188\ \text{cm}^260π≈188 cm2 en de inhoud 96π≈302 cm396\pi \approx 302\ \text{cm}^396π≈302 cm3. Merk op dat het manteloppervlak met de schuine zijde s=10s = 10s=10 wordt berekend, terwijl de inhoud de loodrechte hoogte h=8h = 8h=8 gebruikt — verwissel die twee niet.

Eindexamen-focus

  • Je moet de inhoud van een kegel en een piramide berekenen met V=13GhV = \tfrac{1}{3} G hV=31​Gh en daarbij de loodrechte hoogte hhh gebruiken — niet de schuine zijde.
  • Het schoolexamen (SE) verwacht dat je de schuine zijde van een kegel met Pythagoras bepaalt (s=r2+h2s = \sqrt{r^2 + h^2}s=r2+h2​) en daarmee het manteloppervlak πrs\pi r sπrs berekent.

Veelgemaakte fouten

  • De schuine zijde sss gebruiken waar de hoogte hhh hoort (of andersom): in de inhoud 13πr2h\tfrac{1}{3}\pi r^2 h31​πr2h staat de loodrechte hoogte, in het manteloppervlak πrs\pi r sπrs de schuine zijde.
  • De factor 13\tfrac{1}{3}31​ vergeten en de kegel als een cilinder behandelen, waardoor het antwoord drie keer te groot wordt.
  • Bij de oppervlakte de grondcirkel πr2\pi r^2πr2 er wel of juist niet bij optellen zonder te lezen of een dichte of open kegel gevraagd is.

Actieve herhaling

Een kegel heeft een straal van 999 cm en een hoogte van 121212 cm. Bereken eerst de schuine zijde sss, daarna het manteloppervlak πrs\pi r sπrs en ten slotte de inhoud, telkens exact in π\piπ waar mogelijk.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma wiskunde D (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Inhoud en oppervlakte van de bol#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Oppervlakte en inhoud van een bol schalen verschillend

Oppervlakte (r²) en inhoud (r³) groeien verschillendKolomdiagram: keer zo groot naar schaalfactor k, Gegevens: oppervlakte × k² · k=1: 1; oppervlakte × k² · k=2: 4; oppervlakte × k² · k=3: 9; inhoud × k³ · k=1: 1; inhoud × k³ · k=2: 8; inhoud × k³ · k=3: 270510152025k = 1k = 2k = 31148927keer zo grootschaalfactor koppervlakte × k²inhoud × k³
Afb. 3Bij een schaalfactor k groeit de oppervlakte van een bol met k² (4·π·r² gebruikt r²) en de inhoud met k³ (4⁄3·π·r³ gebruikt r³): verdubbel je de straal (k=2), dan wordt de oppervlakte 4 keer en de inhoud 8 keer zo groot.

Kernpunten

Een bol is de verzameling van alle punten in de ruimte die op een vaste afstand — de straal rrr — van een vast middelpunt MMM liggen; het is het driedimensionale broertje van de cirkel. De bol is het meest symmetrische lichaam dat er bestaat: hij heeft geen hoeken, geen ribben en geen vlakke kanten, en ziet er vanuit elke richting hetzelfde uit. Twee formules beschrijven hem volledig, en allebei hangen ze alleen van de straal af. De inhoud is V=43πr3V = \tfrac{4}{3}\pi r^3V=34​πr3 en de oppervlakte is A=4πr2A = 4\pi r^2A=4πr2. Anders dan bij de cilinder of de kegel is er geen hoogte of grondvlak om te kiezen: zodra je rrr kent, liggen zowel de inhoud als de oppervlakte vast. Let op de machten: in de inhoud staat r3r^3r3 (een ruimtemaat, in cm3\text{cm}^3cm3) en in de oppervlakte r2r^2r2 (een vlaktemaat, in cm2\text{cm}^2cm2). Die machten — 333 voor inhoud, 222 voor oppervlakte — vormen de rode draad van dit hele onderwerp.
De inhoudsformule V=43πr3V = \tfrac{4}{3}\pi r^3V=34​πr3 is bepaald niet vanzelfsprekend; ze gaat terug op Archimedes, die haar als zijn mooiste resultaat beschouwde. Hij vergeleek de bol met de kleinste cilinder waar de bol precies in past: een cilinder met straal rrr en hoogte 2r2r2r (zo hoog als de bol breed is). Die omhullende cilinder heeft inhoud πr2⋅2r=2πr3\pi r^2 \cdot 2r = 2\pi r^3πr2⋅2r=2πr3. Archimedes toonde aan dat de bol precies twee derde van die cilinder vult, dus Vbol=23⋅2πr3=43πr3V_{\text{bol}} = \tfrac{2}{3} \cdot 2\pi r^3 = \tfrac{4}{3}\pi r^3Vbol​=32​⋅2πr3=34​πr3 — en daar staat de formule. De verhouding bol staat tot cilinder als 2:32 : 32:3 is zo elegant dat Archimedes een bol-in-cilinder op zijn grafsteen liet beitelen. Je hoeft het bewijs niet te reproduceren, maar onthoud het beeld: een bol is twee derde van zijn omhullende cilinder. Zo controleer je ook snel of een uitkomst de juiste orde van grootte heeft.
De oppervlakte A=4πr2A = 4\pi r^2A=4πr2 hangt fraai samen met de inhoud. Stel je de bol opgebouwd voor uit ontelbaar veel piepkleine piramides, elk met hun top in het middelpunt MMM en hun grondvlakje op het boloppervlak. Elke piramide heeft hoogte rrr (van het oppervlak naar het middelpunt), dus volgens V=13GhV = \tfrac{1}{3} G hV=31​Gh is de totale bolinhoud V=13⋅A⋅rV = \tfrac{1}{3} \cdot A \cdot rV=31​⋅A⋅r, waarbij AAA de som van alle grondvlakjes — het hele boloppervlak — is. Vul je hierin de bekende inhoud 43πr3\tfrac{4}{3}\pi r^334​πr3 in, dan krijg je 13Ar=43πr3\tfrac{1}{3} A r = \tfrac{4}{3}\pi r^331​Ar=34​πr3, en delen door 13r\tfrac{1}{3}r31​r geeft A=4πr2A = 4\pi r^2A=4πr2. De oppervlakte is dus precies vier keer de oppervlakte van een grootcirkel πr2\pi r^2πr2 (een doorsnede door het midden). Deze redenering verbindt de twee bolformules met de piramideformule uit de vorige paragraaf — een mooi voorbeeld van hoe de onderdelen van dit onderwerp in elkaar grijpen.
Omdat de inhoud met r3r^3r3 en de oppervlakte met r2r^2r2 gaat, reageren ze heel verschillend op een verandering van de straal. Maak je de straal twee keer zo groot, dan wordt de oppervlakte 22=42^2 = 422=4 keer zo groot, maar de inhoud 23=82^3 = 823=8 keer zo groot. Een bol met dubbele straal heeft dus acht keer zo veel inhoud bij slechts vier keer zo veel oppervlakte. Dit verklaart talloze verschijnselen: grote zeepbellen en planeten zijn relatief zuinig met oppervlakte ten opzichte van hun inhoud, terwijl kleine druppels juist veel oppervlakte per volume hebben. Algemener: vermenigvuldig je de straal met een factor kkk, dan gaat de oppervlakte maal k2k^2k2 en de inhoud maal k3k^3k3. Je kunt dit ook omkeren: ken je de inhoud en wil je de straal, dan maak je de formule vrij tot r=3V4π3r = \sqrt[3]{\dfrac{3V}{4\pi}}r=34π3V​​. Deze k2k^2k2- en k3k^3k3-gedachte werken we in de laatste paragraaf algemeen uit voor alle lichamen.
De bol is onmisbaar zodra ronde voorwerpen in het spel zijn: knikkers en ballen, druppels en luchtbellen, planeten en sterren, bolvormige tanks en koepels. In berekeningen krijg je vaak een omgekeerde vraag — bepaal de straal uit een gegeven inhoud of oppervlakte — en dan moet je de formule herleiden en een derde- of tweedemachtswortel trekken. Houd ook hier het exact rekenen aan: een inhoud als 288π288\pi288π of een oppervlakte als 144π144\pi144π is een net, exact antwoord dat je pas afrondt als de context erom vraagt. In de slotparagraaf brengen we alles samen: we plakken een halve bol op een cilinder tot een samengesteld lichaam en tellen de inhouden op, en we maken de schaalregel — lengte maal kkk, oppervlakte maal k2k^2k2, inhoud maal k3k^3k3 — die je hierboven bij de bol al zag, helemaal algemeen en sluitend.
V=43πr3V = \tfrac{4}{3}\pi r^3V=34​πr3

inhoud van een bol

De inhoud hangt alleen van de straal af en groeit met de derde macht ervan.

A=4πr2A = 4\pi r^2A=4πr2

oppervlakte van een bol

De oppervlakte is vier keer die van een grootcirkel πr2\pi r^2πr2 en groeit met het kwadraat van de straal.

Uitgewerkt voorbeeld

Inhoud en oppervlakte van een bol

Een bol heeft een straal r=6r = 6r=6 cm. Bereken de inhoud en de oppervlakte, exact in π\piπ en afgerond op gehele getallen.

  1. 01Stap 1 — Bereken de inhoud

    Vul r=6r = 6r=6 in V=43πr3V = \tfrac{4}{3}\pi r^3V=34​πr3 in; werk eerst r3r^3r3 uit.

    V=43π⋅63=43π⋅216=288π≈905 cm3V = \tfrac{4}{3}\pi \cdot 6^3 = \tfrac{4}{3}\pi \cdot 216 = 288\pi \approx 905 \text{ cm}^3V=34​π⋅63=34​π⋅216=288π≈905 cm3
  2. 02Stap 2 — Bereken de oppervlakte

    Vul r=6r = 6r=6 in A=4πr2A = 4\pi r^2A=4πr2 in; gebruik r2r^2r2, niet r3r^3r3.

    A=4π⋅62=4π⋅36=144π≈452 cm2A = 4\pi \cdot 6^2 = 4\pi \cdot 36 = 144\pi \approx 452 \text{ cm}^2A=4π⋅62=4π⋅36=144π≈452 cm2
  3. 03Stap 3 — Vergelijk de machten en eenheden

    Controleer de eenheden en de machten: de inhoud groeit met r3r^3r3 en staat in cm3\text{cm}^3cm3, de oppervlakte met r2r^2r2 en staat in cm2\text{cm}^2cm2.

    V=288π cm3,A=144π cm2V = 288\pi \text{ cm}^3, \qquad A = 144\pi \text{ cm}^2V=288π cm3,A=144π cm2

Resultaat: Resultaat: de inhoud is 288π≈905 cm3288\pi \approx 905\ \text{cm}^3288π≈905 cm3 en de oppervlakte 144π≈452 cm2144\pi \approx 452\ \text{cm}^2144π≈452 cm2. De inhoud gebruikt r3=216r^3 = 216r3=216 en de oppervlakte r2=36r^2 = 36r2=36; verwissel die twee machten niet, want dat is de meest gemaakte fout bij de bol.

Eindexamen-focus

  • Je moet de inhoud V=43πr3V = \tfrac{4}{3}\pi r^3V=34​πr3 en de oppervlakte A=4πr2A = 4\pi r^2A=4πr2 van een bol berekenen, en de formules herleiden om uit een gegeven inhoud of oppervlakte de straal te bepalen.
  • Het schoolexamen (SE) verwacht dat je het verband tussen straal en inhoud/oppervlakte beredeneert: oppervlakte gaat met r2r^2r2, inhoud met r3r^3r3, dus een kkk keer grotere straal geeft k2k^2k2 keer de oppervlakte en k3k^3k3 keer de inhoud.

Veelgemaakte fouten

  • De machten verwisselen: de inhoud gebruikt r3r^3r3 (43πr3\tfrac{4}{3}\pi r^334​πr3), de oppervlakte gebruikt r2r^2r2 (4πr24\pi r^24πr2).
  • De factor 43\tfrac{4}{3}34​ of de 444 vergeten, of 43πr3\tfrac{4}{3}\pi r^334​πr3 verwarren met de cilinderinhoud πr2h\pi r^2 hπr2h.
  • Bij het herleiden naar de straal de juiste wortel vergeten: uit V=43πr3V = \tfrac{4}{3}\pi r^3V=34​πr3 volgt r=3V4π3r = \sqrt[3]{\tfrac{3V}{4\pi}}r=34π3V​​, een derdemachtswortel.

Actieve herhaling

Een bol heeft een straal van 555 cm. Bereken de inhoud en de oppervlakte, exact in π\piπ en afgerond op gehele getallen. Hoeveel keer zo groot wordt de inhoud als je de straal verdubbelt?

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma wiskunde D (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Samengestelde lichamen en de schaalfactor#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Formules voor oppervlakte en inhoud

Formuleoverzicht ruimtefigurenTabel met 3 kolommen en 5 rijen, Gegevens: lichaam · inhoud · oppervlakte; balk · l·b·h · 2·(l·b+b·h+l·h); cilinder · π·r²·h · 2·π·r·(r+h); kegel · 1⁄3·π·r²·h · π·r·(r+s); piramide · 1⁄3·G·h · G + zijvlakken; bol · 4⁄3·π·r³ · 4·π·r²LICHAAMINHOUDOPPERVLAKTEbalkl·b·h2·(l·b+b·h+l·h)cilinderπ·r²·h2·π·r·(r+h)kegel1⁄3·π·r²·hπ·r·(r+s)piramide1⁄3·G·hG + zijvlakkenbol4⁄3·π·r³4·π·r²Inhouds-en oppervlakteformules per lichaam; G = grondvlak, s= √(r²+h²).
Afb. 4Overzicht van de inhouds- en oppervlakteformules per lichaam. Hierbij is G het grondvlak en s = √(r²+h²) de schuine zijde van de kegel.

Kernpunten

Veel voorwerpen uit de praktijk zijn geen enkel net lichaam, maar samengesteld: ze ontstaan door bekende lichamen aan elkaar te plakken of uit elkaar weg te halen. Een graansilo is een cilinder met een halve bol als dak; een potlood is een lange cilinder met een kegel aan het uiteinde; een buis is een dikke cilinder waaruit een dunnere cilinder is weggehaald. De aanpak is altijd dezelfde: knip het samengestelde lichaam in gedachten in stukken waarvan je de inhoud (of oppervlakte) wél kent, reken elk stuk apart uit, en tel de inhouden op of trek ze af. Voor de silo geldt bijvoorbeeld Vtotaal=Vcilinder+Vhalve bolV_{\text{totaal}} = V_{\text{cilinder}} + V_{\text{halve bol}}Vtotaal​=Vcilinder​+Vhalve bol​, terwijl voor de buis V=Vbuiten−VbinnenV = V_{\text{buiten}} - V_{\text{binnen}}V=Vbuiten​−Vbinnen​. Een halve bol heeft uiteraard de halve inhoud van een hele bol, dus 12⋅43πr3=23πr3\tfrac{1}{2} \cdot \tfrac{4}{3}\pi r^3 = \tfrac{2}{3}\pi r^321​⋅34​πr3=32​πr3. Het enige wat telt is dat je de juiste stukken kiest en let op gemeenschappelijke maten — de straal van de halve bol is gelijk aan die van de cilinder eronder.
Bij de oppervlakte van een samengesteld lichaam moet je voorzichtiger zijn dan bij de inhoud. Inhouden mag je zonder meer optellen, maar oppervlakten niet, want op de naad waar twee lichamen elkaar raken verdwijnt een stuk buitenkant naar binnen. Bij de silo — een cilinder met een halve bol erop — telt het cirkelvormige deksel van de cilinder niet mee, want daar zit immers de halve bol op, en de platte onderkant van de halve bol evenmin. De buitenkant bestaat dus uit: de mantel van de cilinder (2πrh2\pi r h2πrh), de bodem van de cilinder (πr2\pi r^2πr2) en het gebogen oppervlak van de halve bol (12⋅4πr2=2πr2\tfrac{1}{2} \cdot 4\pi r^2 = 2\pi r^221​⋅4πr2=2πr2). Tel dus alleen de vlakken op die echt aan de buitenkant liggen. Maak desnoods een schets en arceer wat je ziet; zo voorkom je dat je verborgen, dichtgeplakte vlakken meerekent. Deze houding — kijk goed wat buiten ligt — onderscheidt een nette oppervlakteberekening van een simpele inhoudsoptelling.
De tweede grote techniek van deze paragraaf is de schaalfactor. Vergroot of verklein je een lichaam gelijkvormig — dat wil zeggen: in alle richtingen met dezelfde factor — dan noemen we die factor de schaalfactor kkk. Alle lengtematen worden dan met kkk vermenigvuldigd: de hoogte, de straal, elke ribbe, maar ook de omtrek en de schuine zijde. Bouw je bijvoorbeeld een maquette op schaal 1:501 : 501:50, dan is elke lengte in werkelijkheid 505050 keer zo groot, dus k=50k = 50k=50 van maquette naar echt. Het is verleidelijk om te denken dat dan ook de oppervlakte en de inhoud met kkk meegroeien, maar dat klopt niet: een oppervlakte is opgebouwd uit twee lengtes en een inhoud uit drie, en daardoor groeien zij met hogere machten van kkk. Juist deze valkuil — de gewone intuïtie klopt niet — maakt schaalvragen een geliefd examenonderwerp, en daarom leiden we de juiste regels in de volgende alinea zorgvuldig af.
Waarom gaat de oppervlakte met k2k^2k2 en de inhoud met k3k^3k3? Neem als voorbeeld een balk l×b×hl \times b \times hl×b×h en vergroot elke ribbe met factor kkk, tot kl×kb×khkl \times kb \times khkl×kb×kh. De nieuwe inhoud is kl⋅kb⋅kh=k3⋅(l⋅b⋅h)=k3Vkl \cdot kb \cdot kh = k^3 \cdot (l \cdot b \cdot h) = k^3 Vkl⋅kb⋅kh=k3⋅(l⋅b⋅h)=k3V — er komen drie factoren kkk vrij, één per dimensie. Elk grensvlak, zoals het vlak l×bl \times bl×b, wordt kl⋅kb=k2(l⋅b)kl \cdot kb = k^2 (l \cdot b)kl⋅kb=k2(l⋅b), dus de hele oppervlakte gaat maal k2k^2k2. Dit geldt niet alleen voor de balk: elk lichaam kun je je opgebouwd denken uit heel veel piepkleine kubusjes, en elk kubusje krijgt bij vergroting inhoud maal k3k^3k3, dus het hele lichaam ook. Samengevat: lengte maal kkk, oppervlakte maal k2k^2k2, inhoud maal k3k^3k3. Een doos die in elke richting twee keer zo groot wordt (k=2k = 2k=2) heeft dus 444 keer zo veel oppervlakte en 888 keer zo veel inhoud. Dit is precies het r2r^2r2- en r3r^3r3-patroon dat je bij de bol al tegenkwam, nu algemeen bewezen.
Met de schaalregel beantwoord je twee soorten vragen. Vooruit: gegeven een lichaam en een schaalfactor kkk, bereken de nieuwe oppervlakte of inhoud door met k2k^2k2 of k3k^3k3 te vermenigvuldigen. Achteruit: gegeven de verhouding van twee oppervlakten of inhouden, vind de schaalfactor door een tweede- of derdemachtswortel te trekken. Weet je bijvoorbeeld dat de inhoud 272727 keer zo groot is geworden, dan is k=273=3k = \sqrt[3]{27} = 3k=327​=3, en dus zijn alle lengtes verdriedubbeld en de oppervlakte 32=93^2 = 932=9 keer zo groot. Deze redenering komt terug bij gelijkvormige figuren, bij maquettes en schaalmodellen en bij het vergelijken van voorwerpen van verschillende grootte. Samen met het optellen en aftrekken van inhouden uit de eerste alinea's heb je nu het volledige gereedschap voor de ruimtemeetkunde van dit domein: je herkent de bouwstenen — balk, prisma, cilinder, kegel, piramide en bol — rekent ze los uit, en combineert of schaalt ze tot het antwoord op een samengestelde vraag.
Vsamengesteld=V1+V2+⋯ofV1−V2V_{\text{samengesteld}} = V_1 + V_2 + \cdots \quad\text{of}\quad V_1 - V_2Vsamengesteld​=V1​+V2​+⋯ofV1​−V2​

inhoud van een samengesteld lichaam

Splits het lichaam in bekende delen en tel de inhouden op (aangeplakt) of trek ze af (uitgehold).

lengte×k,oppervlakte×k2,inhoud×k3\text{lengte} \times k, \qquad \text{oppervlakte} \times k^2, \qquad \text{inhoud} \times k^3lengte×k,oppervlakte×k2,inhoud×k3

schalen met factor k

Bij een gelijkvormige vergroting met factor kkk gaan lengtes maal kkk, oppervlakten maal k2k^2k2 en inhouden maal k3k^3k3.

Uitgewerkt voorbeeld

Inhoud van een samengesteld lichaam (silo)

Een silo bestaat uit een cilinder met straal 333 m en hoogte 101010 m, met daarbovenop een halve bol met straal 333 m. Bereken de totale inhoud, exact in π\piπ en afgerond op gehele getallen.

  1. 01Stap 1 — Inhoud van de cilinder

    Gebruik V=πr2hV = \pi r^2 hV=πr2h met r=3r = 3r=3 en h=10h = 10h=10.

    Vcilinder=π⋅32⋅10=90π m3V_{\text{cilinder}} = \pi \cdot 3^2 \cdot 10 = 90\pi \text{ m}^3Vcilinder​=π⋅32⋅10=90π m3
  2. 02Stap 2 — Inhoud van de halve bol

    Een halve bol is de helft van 43πr3\tfrac{4}{3}\pi r^334​πr3, dus 23πr3\tfrac{2}{3}\pi r^332​πr3, met r=3r = 3r=3.

    Vhalve bol=23π⋅33=23π⋅27=18π m3V_{\text{halve bol}} = \tfrac{2}{3}\pi \cdot 3^3 = \tfrac{2}{3}\pi \cdot 27 = 18\pi \text{ m}^3Vhalve bol​=32​π⋅33=32​π⋅27=18π m3
  3. 03Stap 3 — Tel de inhouden op en rond af

    De totale inhoud is de som van de cilinder en de halve bol.

    V=90π+18π=108π≈339 m3V = 90\pi + 18\pi = 108\pi \approx 339 \text{ m}^3V=90π+18π=108π≈339 m3

Resultaat: Resultaat: de silo heeft een inhoud van 108π≈339 m3108\pi \approx 339\ \text{m}^3108π≈339 m3. Door cilinder en halve bol apart te berekenen en de exacte vormen 90π90\pi90π en 18π18\pi18π pas op het eind op te tellen, blijft de berekening overzichtelijk en foutarm.

Uitgewerkt voorbeeld

Een schaalvraag met k² en k³

Twee bollen hebben stralen van 444 cm en 121212 cm. (a) Hoeveel keer zo groot is de oppervlakte van de grote bol? (b) Hoeveel keer zo groot is de inhoud?

  1. 01Stap 1 — Bepaal de schaalfactor

    De schaalfactor is de verhouding van de lengtes (hier de stralen).

    k=124=3k = \frac{12}{4} = 3k=412​=3
  2. 02Stap 2 — Oppervlakte gaat met k²

    Oppervlakte schaalt met het kwadraat van de schaalfactor.

    k2=32=9k^2 = 3^2 = 9k2=32=9
  3. 03Stap 3 — Inhoud gaat met k³

    Inhoud schaalt met de derde macht van de schaalfactor.

    k3=33=27k^3 = 3^3 = 27k3=33=27

Resultaat: Resultaat: de oppervlakte van de grote bol is 999 keer zo groot en de inhoud 272727 keer zo groot. Controle met de formules: 4π⋅1224π⋅42=14416=9\dfrac{4\pi \cdot 12^2}{4\pi \cdot 4^2} = \dfrac{144}{16} = 94π⋅424π⋅122​=16144​=9 en 43π⋅12343π⋅43=172864=27\dfrac{\tfrac{4}{3}\pi \cdot 12^3}{\tfrac{4}{3}\pi \cdot 4^3} = \dfrac{1728}{64} = 2734​π⋅4334​π⋅123​=641728​=27 — precies k2k^2k2 en k3k^3k3.

Eindexamen-focus

  • Je moet de inhoud van een samengesteld lichaam berekenen door het in bekende lichamen (cilinder, kegel, halve bol …) te splitsen en de inhouden op te tellen of af te trekken.
  • Het schoolexamen (SE) verwacht dat je met de schaalfactor kkk rekent — lengte maal kkk, oppervlakte maal k2k^2k2, inhoud maal k3k^3k3 — en dat je omgekeerd kkk uit een gegeven oppervlakte- of inhoudsverhouding bepaalt met een wortel.

Veelgemaakte fouten

  • Bij een schaalvraag de oppervlakte of inhoud met kkk in plaats van met k2k^2k2 of k3k^3k3 vermenigvuldigen; alleen lengtes gaan met kkk.
  • Bij de oppervlakte van een samengesteld lichaam de verborgen, dichtgeplakte vlakken (de naad) toch meetellen.
  • Een halve bol als een hele bol rekenen: de inhoud van een halve bol is 23πr3\tfrac{2}{3}\pi r^332​πr3, de helft van 43πr3\tfrac{4}{3}\pi r^334​πr3.

Actieve herhaling

Een silo bestaat uit een cilinder met straal 222 m en hoogte 666 m, met daarbovenop een halve bol met straal 222 m. Bereken de totale inhoud, exact in π\piπ en afgerond op één decimaal. Een tweede silo is een schaalmodel met schaalfactor k=3k = 3k=3: hoeveel keer zo groot is zijn inhoud?

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma wiskunde D (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Inhoud en oppervlakte van prisma, balk en cilinder○
    • 02Inhoud en manteloppervlak van kegel en piramide◐
    • 03Inhoud en oppervlakte van de bol◐
    • 04Samengestelde lichamen en de schaalfactor●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Oppervlakte en inhoud van ruimtefiguren

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~27
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma wiskunde D (HAVO)

Vorig onderwerp

Coördinaten en vectoren in 2D en 3D

Volgend onderwerp

Aanzichten, uitslagen en doorsneden van ruimtelijke objecten

EuraStudy·Samenvattingen T·09·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.