EuraStudy
Samenvattingen/Wiskunde D/Onderlinge ligging van punten, lijnen en vlakken
Samenvattingen · Wiskunde DNL · HAVO

Onderlinge ligging van punten, lijnen en vlakken

In dit onderwerp onderzoek je hoe punten, lijnen en vlakken in de ruimte ten opzichte van elkaar liggen. Je leert beslissen of twee lijnen snijden, evenwijdig zijn of kruisen, hoe een lijn ten opzichte van een vlak ligt en hoe twee vlakken elkaar in een snijlijn ontmoeten. Met het inproduct bereken je ten slotte hoeken tussen lijnen en vlakken en de afstand van een punt tot een vlak. Het onderwerp hoort bij domein C (Ruimtemeetkunde) en bouwt voort op coördinaten, vectoren, de parametervoorstelling en het inproduct.

4 Onderdelen·~28 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·111111 / 13
Examenprofiel
De onderlinge ligging van punten, lijnen en vlakken in de ruimte bepalen met richtingsvectoren, normaalvectoren en stelsels.Beslissen of twee lijnen snijden, evenwijdig zijn of kruisen, en bij snijdende lijnen het snijpunt berekenen.De ligging van een lijn ten opzichte van een vlak en van twee vlakken onderling bepalen met het inproduct \vec{r}·\vec{n}.Hoeken tussen lijnen en vlakken en de afstand van een punt tot een vlak berekenen met het inproduct.
Operatoren:bepaalberekentoon aanberedeneerinterpreteer

basisniveau

Zorg dat je vlot een punt kunt invullen in een parametervoorstelling of een vlakvergelijking en zo kunt nagaan of het erop of erin ligt; dat invullen is de bouwsteen onder alle liggingsvragen.

verhoogd niveau

Werk de classificatie snijdend–evenwijdig–kruisend systematisch af met richtings- en normaalvectoren, en reken hoeken en afstanden exact door met het inproduct voordat je afrondt.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Onderlinge ligging van punten, lijnen en vlakken
    • 01Punten, lijnen en vlakken: incidentie en bepaaldheid○
    • 02Onderlinge ligging van twee lijnen◐
    • 03Lijn en vlak, en twee vlakken onderling◐
    • 04Afstanden en hoeken in de ruimte●
§ 01

Punten, lijnen en vlakken: incidentie en bepaaldheid#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Een punt, een lijn en een vlak in de ruimte

Punt, lijn en vlakGeometrische Zeichnung (3D), A, B, C, P, VABCPVx1x2x3l
Afb. 1Drie niet-collineaire punten AAA, BBB en CCC leggen het vlak VVV vast; het punt PPP en een richting bepalen de lijn lll. Twee punten leggen een lijn vast, drie niet-collineaire punten een vlak.

Kernpunten

In de ruimtemeetkunde beschrijf je een punt met drie coördinaten: P=(x,y,z)P = (x, y, z)P=(x,y,z) ten opzichte van een assenstelsel met drie onderling loodrechte assen x1x_1x1​, x2x_2x2​ en x3x_3x3​. De centrale vraag van dit onderwerp is de onderlinge ligging: hoe liggen punten, lijnen en vlakken ten opzichte van elkaar? De eenvoudigste vorm daarvan is incidentie — ligt een punt op een lijn, of in een vlak? Voordat je ingewikkelder vragen kunt beantwoorden, zoals of twee lijnen snijden of een lijn een vlak doorboort, moet je vlot kunnen nagaan of een gegeven punt op een gegeven lijn of in een gegeven vlak ligt. Dat doe je telkens op dezelfde manier: je vult de coördinaten van het punt in en controleert of aan de voorwaarde wordt voldaan. Dit hele onderwerp leunt op coördinaten, vectoren en het inproduct uit domein C, dus zorg dat je het optellen van vectoren en het inproduct paraat hebt.
Twee verschillende punten leggen samen precies één lijn vast: door AAA en BBB gaat één rechte lijn. Die lijn beschrijf je met een parametervoorstelling x⃗=a⃗+λr⃗\vec{x} = \vec{a} + \lambda\vec{r}x=a+λr, waarbij a⃗\vec{a}a de plaatsvector van een vast punt op de lijn is (bijvoorbeeld AAA) en r⃗\vec{r}r een richtingsvector die de richting aangeeft (bijvoorbeeld r⃗=AB⃗=b⃗−a⃗\vec{r} = \vec{AB} = \vec{b} - \vec{a}r=AB=b−a). De parameter λ\lambdaλ loopt over alle reële getallen; elke waarde van λ\lambdaλ levert precies één punt van de lijn. Voor een vlak heb je drie punten nodig die niet op één lijn liggen — drie niet-collineaire punten AAA, BBB en CCC leggen samen precies één vlak vast. Liggen de drie punten wél op één lijn (collineair), dan bepalen ze geen vlak maar opnieuw alleen die ene lijn. Dit verklaart waarom een kruk met drie poten nooit wiebelt: drie steunpunten leggen het draagvlak eenduidig vast, een vierde poot kan er net naast vallen.
Om na te gaan of een punt PPP op een lijn l:x⃗=a⃗+λr⃗l: \vec{x} = \vec{a} + \lambda\vec{r}l:x=a+λr ligt, zoek je één waarde van λ\lambdaλ die alle drie de coördinaten van PPP tegelijk oplevert. Je stelt dus per coördinaat een vergelijking op. Neem l:(x,y,z)=(1,2,0)+λ(2,−1,3)l: (x, y, z) = (1, 2, 0) + \lambda(2, -1, 3)l:(x,y,z)=(1,2,0)+λ(2,−1,3) en P=(5,0,6)P = (5, 0, 6)P=(5,0,6). Uit de eerste coördinaat volgt 1+2λ=51 + 2\lambda = 51+2λ=5, dus λ=2\lambda = 2λ=2. Die waarde moet óók kloppen voor de andere twee: 2−λ=2−2=02 - \lambda = 2 - 2 = 02−λ=2−2=0 en 3λ=63\lambda = 63λ=6, en dat klopt allebei. Omdat dezelfde λ=2\lambda = 2λ=2 alle drie de coördinaten geeft, ligt PPP op lll. Vind je verschillende waarden van λ\lambdaλ — bijvoorbeeld λ=2\lambda = 2λ=2 uit de xxx-coördinaat maar λ=1\lambda = 1λ=1 uit de zzz-coördinaat — dan is er geen enkele λ\lambdaλ die alles tegelijk laat kloppen en ligt het punt niet op de lijn. Het is dus niet genoeg dat één coördinaat klopt; alle drie moeten bij dezelfde λ\lambdaλ horen.
Een vlak beschrijf je in de ruimte het handigst met een vergelijking van de vorm ax+by+cz=dax + by + cz = dax+by+cz=d. De getallen aaa, bbb en ccc vormen samen de normaalvector n⃗=(a,b,c)\vec{n} = (a, b, c)n=(a,b,c): de vector die loodrecht op het vlak staat. Die normaalvector is de sleutel tot bijna alle latere berekeningen — hij legt de stand van het vlak vast, en met het inproduct vergelijk je hem straks met richtingsvectoren en met andere normaalvectoren. Een punt P=(xP,yP,zP)P = (x_P, y_P, z_P)P=(xP​,yP​,zP​) ligt in het vlak precies wanneer zijn coördinaten aan de vergelijking voldoen, dus wanneer axP+byP+czP=da x_P + b y_P + c z_P = daxP​+byP​+czP​=d. Voor het vlak V:2x+y−z=4V: 2x + y - z = 4V:2x+y−z=4 en het punt P=(5,0,6)P = (5, 0, 6)P=(5,0,6) reken je na: 2⋅5+0−6=42\cdot 5 + 0 - 6 = 42⋅5+0−6=4, wat klopt, dus PPP ligt in VVV. Het getal ddd vind je door de coördinaten van één bekend punt in te vullen; de normaalvector mag je met elk getal ongelijk aan 000 vermenigvuldigen zonder dat het vlak verandert, want 2x+y−z=42x + y - z = 42x+y−z=4 en 4x+2y−2z=84x + 2y - 2z = 84x+2y−2z=8 stellen hetzelfde vlak voor.
De rode draad onder dit onderwerp is steeds dezelfde controle: invullen en kijken of het klopt. Bij een lijn vul je de coördinaten in de parametervoorstelling in en zoek je één passende λ\lambdaλ; bij een vlak vul je ze in de vergelijking ax+by+cz=dax + by + cz = dax+by+cz=d in. Dit eenvoudige gereedschap draagt alle vervolgvragen. Snijden twee lijnen elkaar? Dan zoek je een punt dat op beide ligt. Snijdt een lijn een vlak? Dan zoek je het punt van de lijn dat aan de vlakvergelijking voldoet. Ligt een lijn helemaal in een vlak? Dan moet élk punt van de lijn aan de vergelijking voldoen. Door incidentie goed te beheersen, herken je deze problemen straks als variaties op één thema en kun je je concentreren op het opstellen en oplossen van de bijbehorende stelsels, in plaats van op de techniek van het invullen zelf.
x⃗=a⃗+λr⃗\vec{x} = \vec{a} + \lambda\vec{r}x=a+λr

parametervoorstelling van een lijn

Een lijn door het punt met plaatsvector a⃗\vec{a}a en richtingsvector r⃗\vec{r}r; elke waarde van de parameter λ\lambdaλ geeft precies één punt van de lijn.

ax+by+cz=dmetn⃗=(a,b,c)ax + by + cz = d \quad\text{met}\quad \vec{n} = (a, b, c)ax+by+cz=dmetn=(a,b,c)

vergelijking van een vlak

De coëfficiënten aaa, bbb en ccc vormen de normaalvector n⃗\vec{n}n, die loodrecht op het vlak staat; ddd volgt door een punt van het vlak in te vullen.

Uitgewerkt voorbeeld

Ligt een punt op een lijn én in een vlak?

Gegeven zijn de lijn l:(x,y,z)=(1,2,0)+λ(2,−1,3)l: (x, y, z) = (1, 2, 0) + \lambda(2, -1, 3)l:(x,y,z)=(1,2,0)+λ(2,−1,3) en het vlak V:2x+y−z=4V: 2x + y - z = 4V:2x+y−z=4. Onderzoek of het punt P=(5,0,6)P = (5, 0, 6)P=(5,0,6) op lll ligt en of het in VVV ligt.

  1. 01Stap 1 — Zoek de parameter uit de eerste coördinaat

    Stel de x-coördinaat van de lijn gelijk aan die van P en los λ op.

    1+2λ=5 ⇒ λ=21 + 2\lambda = 5 \ \Rightarrow\ \lambda = 21+2λ=5 ⇒ λ=2
  2. 02Stap 2 — Controleer de andere twee coördinaten

    Vul λ = 2 in bij de y- en z-coördinaat. Je vindt 0 en 6, precies de y- en z-coördinaat van P, dus P ligt op l.

    y: 2−2=0z: 3⋅2=6y:\ 2 - 2 = 0 \qquad z:\ 3 \cdot 2 = 6y: 2−2=0z: 3⋅2=6
  3. 03Stap 3 — Vul P in de vlakvergelijking in

    Een punt ligt in V als zijn coördinaten aan 2x + y − z = 4 voldoen.

    2⋅5+0−6=10−6=42 \cdot 5 + 0 - 6 = 10 - 6 = 42⋅5+0−6=10−6=4

Resultaat: Omdat dezelfde λ=2\lambda = 2λ=2 alle drie de coördinaten van PPP oplevert, ligt PPP op lll; en omdat 2⋅5+0−6=42 \cdot 5 + 0 - 6 = 42⋅5+0−6=4 klopt, ligt PPP ook in VVV. Het punt P=(5,0,6)P = (5, 0, 6)P=(5,0,6) ligt dus zowel op de lijn als in het vlak — het is precies het snijpunt van lll en VVV.

Eindexamen-focus

  • Je moet kunnen nagaan of een punt op een lijn ligt door één λ\lambdaλ te zoeken die alle drie de coördinaten tegelijk geeft, en of een punt in een vlak ligt door de coördinaten in ax+by+cz=dax + by + cz = dax+by+cz=d in te vullen.
  • Het schoolexamen (SE) verwacht dat je uit de vergelijking ax+by+cz=dax + by + cz = dax+by+cz=d direct de normaalvector n⃗=(a,b,c)\vec{n} = (a, b, c)n=(a,b,c) afleest, en omgekeerd uit een normaalvector en een punt de vergelijking van het vlak opstelt.

Veelgemaakte fouten

  • Concluderen dat een punt op een lijn ligt omdat één coördinaat klopt; alle drie de coördinaten moeten bij dezelfde waarde van λ\lambdaλ horen.
  • De normaalvector verwarren met een richtingsvector van het vlak: n⃗=(a,b,c)\vec{n} = (a, b, c)n=(a,b,c) staat juist loodrecht op het vlak, niet erin.
  • Bij het opstellen van de vlakvergelijking vergeten ddd te berekenen en d=0d = 0d=0 aannemen, terwijl het vlak niet door de oorsprong gaat.

Actieve herhaling

Gegeven zijn de lijn l:(x,y,z)=(2,−1,1)+λ(1,3,−2)l: (x, y, z) = (2, -1, 1) + \lambda(1, 3, -2)l:(x,y,z)=(2,−1,1)+λ(1,3,−2) en het vlak V:x+y+z=4V: x + y + z = 4V:x+y+z=4. Ga na of het punt P=(4,5,−3)P = (4, 5, -3)P=(4,5,−3) op lll ligt en of het in VVV ligt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma wiskunde D (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Onderlinge ligging van twee lijnen#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Twee kruisende lijnen

Twee kruisende lijnenGeometrische Zeichnung (3D), P, QPQx1x2x3lm
Afb. 2De lijnen lll en mmm hebben verschillende richtingen en liggen op verschillende hoogtes (z=0z = 0z=0 en z=3z = 3z=3): ze snijden elkaar niet en lopen niet evenwijdig — ze kruisen.

Kernpunten

Twee lijnen in de ruimte kunnen op drie manieren ten opzichte van elkaar liggen, en dat is er één meer dan in het platte vlak. Snijdend: de lijnen hebben precies één punt gemeen, het snijpunt. Evenwijdig: de lijnen hebben dezelfde richting; ze hebben dan ofwel geen enkel punt gemeen (echt evenwijdig), ofwel ze vallen helemaal samen. Kruisend: de lijnen hebben geen punt gemeen én lopen ook niet evenwijdig — ze schieten in de ruimte langs elkaar heen zonder elkaar te raken, zoals twee vliegtuigsporen op verschillende hoogtes. Dit kruisende geval bestaat alleen in de ruimte; in het platte vlak snijden twee niet-evenwijdige lijnen elkaar altijd. Om te beslissen welk geval zich voordoet, kijk je eerst naar de richtingsvectoren en daarna, als die niet evenwijdig zijn, naar het stelsel dat ontstaat als je de lijnen aan elkaar gelijkstelt. Die twee stappen vormen samen een vast beslisschema.
De eerste stap is altijd: zijn de richtingsvectoren r1⃗\vec{r_1}r1​​ en r2⃗\vec{r_2}r2​​ van de twee lijnen evenwijdig? Dat is zo wanneer de één een veelvoud van de ander is, dus als er een getal kkk bestaat met r1⃗=k r2⃗\vec{r_1} = k\,\vec{r_2}r1​​=kr2​​. Voor r1⃗=(2,4,−2)\vec{r_1} = (2, 4, -2)r1​​=(2,4,−2) en r2⃗=(1,2,−1)\vec{r_2} = (1, 2, -1)r2​​=(1,2,−1) geldt r1⃗=2 r2⃗\vec{r_1} = 2\,\vec{r_2}r1​​=2r2​​, dus die richtingen zijn evenwijdig. Zijn de richtingen evenwijdig, dan zijn de lijnen ofwel echt evenwijdig ofwel samenvallend; daartussen beslis je door één punt van de ene lijn te toetsen aan de andere. Ligt dat punt op de andere lijn, dan vallen ze samen; ligt het er niet op, dan zijn ze echt evenwijdig. Zijn de richtingen niet evenwijdig — er is geen enkel getal kkk met r1⃗=k r2⃗\vec{r_1} = k\,\vec{r_2}r1​​=kr2​​ — dan vallen evenwijdig en samenvallend af en blijven alleen snijdend en kruisend over. Welke van die twee het is, beslis je in de tweede stap met het stelsel.
Hebben de lijnen verschillende richtingen, dan stel je hun parametervoorstellingen aan elkaar gelijk. Met l:a1⃗+λr1⃗l: \vec{a_1} + \lambda\vec{r_1}l:a1​​+λr1​​ en m:a2⃗+μr2⃗m: \vec{a_2} + \mu\vec{r_2}m:a2​​+μr2​​ — let op: gebruik verschillende parameters λ\lambdaλ en μ\muμ — krijg je per coördinaat een vergelijking, samen een stelsel van drie vergelijkingen met twee onbekenden. Je lost twee van die vergelijkingen op naar λ\lambdaλ en μ\muμ en controleert daarna of die waarden óók aan de derde vergelijking voldoen. Past de gevonden oplossing in alle drie de vergelijkingen, dan is het stelsel oplosbaar en snijden de lijnen elkaar. Geeft de derde vergelijking een tegenspraak, bijvoorbeeld 3=−33 = -33=−3, dan is er geen gemeenschappelijk punt en kruisen de lijnen. Het feit dat drie vergelijkingen met maar twee onbekenden meestal géén oplossing hebben, is precies waarom kruisende lijnen in de ruimte de regel zijn en snijdende lijnen het bijzondere geval.
Blijkt uit het stelsel dat de lijnen snijden, dan vind je het snijpunt door de gevonden parameterwaarde in te vullen. Vul λ\lambdaλ in de parametervoorstelling van lll in, of — als controle — μ\muμ in die van mmm; beide moeten hetzelfde punt opleveren. Stel dat je λ=1\lambda = 1λ=1 en μ=1\mu = 1μ=1 hebt gevonden voor l:(1,1,0)+λ(1,2,1)l: (1, 1, 0) + \lambda(1, 2, 1)l:(1,1,0)+λ(1,2,1), dan is het snijpunt S=(1+1, 1+2, 0+1)=(2,3,1)S = (1 + 1,\ 1 + 2,\ 0 + 1) = (2, 3, 1)S=(1+1, 1+2, 0+1)=(2,3,1). Dat je het punt langs beide lijnen kunt uitrekenen, geeft een gratis controle: komt mmm bij μ=1\mu = 1μ=1 óók op (2,3,1)(2, 3, 1)(2,3,1) uit, dan weet je zeker dat je geen rekenfout hebt gemaakt. Vergeet bij dit alles niet om beide parameters apart te benoemen: gebruik je per ongeluk voor beide lijnen dezelfde letter λ\lambdaλ, dan dwing je de lijnen op hetzelfde 'tijdstip' op hetzelfde punt te zijn en mis je snijpunten die bij verschillende parameterwaarden liggen.
Samengevat doorloop je dus altijd hetzelfde beslisschema. Stap 1: zijn de richtingsvectoren veelvouden van elkaar? Zo ja, toets één punt en kies tussen samenvallend en echt evenwijdig. Zo nee, ga naar stap 2. Stap 2: stel het stelsel op met twee parameters, los twee vergelijkingen op en controleer de derde — klopt die, dan snijdend (bereken het snijpunt), anders kruisend. Dit schema gebruik je niet alleen bij kale lijnvergelijkingen, maar ook in toepassingen: of twee ribben van een ruimtelijk figuur in elkaars verlengde liggen, of de banen van twee bewegende punten elkaar treffen. In de volgende paragraaf breid je dezelfde denkwijze uit naar een lijn en een vlak, waar je in plaats van twee richtingsvectoren een richtingsvector en een normaalvector met elkaar vergelijkt via het inproduct.
r1⃗=k r2⃗⟺l∥m\vec{r_1} = k\,\vec{r_2} \quad\Longleftrightarrow\quad l \parallel mr1​​=kr2​​⟺l∥m

evenwijdige lijnen

Twee lijnen zijn evenwijdig (of samenvallend) precies wanneer hun richtingsvectoren veelvouden van elkaar zijn.

a1⃗+λr1⃗=a2⃗+μr2⃗\vec{a_1} + \lambda\vec{r_1} = \vec{a_2} + \mu\vec{r_2}a1​​+λr1​​=a2​​+μr2​​

lijnen aan elkaar gelijkstellen

Gebruik verschillende parameters λ\lambdaλ en μ\muμ; dit levert per coördinaat een vergelijking — samen een stelsel van drie vergelijkingen met twee onbekenden.

Uitgewerkt voorbeeld

De onderlinge ligging van twee lijnen bepalen

Bepaal de onderlinge ligging van l:(x,y,z)=(1,1,0)+λ(1,2,1)l: (x, y, z) = (1, 1, 0) + \lambda(1, 2, 1)l:(x,y,z)=(1,1,0)+λ(1,2,1) en m:(x,y,z)=(0,4,0)+μ(2,−1,1)m: (x, y, z) = (0, 4, 0) + \mu(2, -1, 1)m:(x,y,z)=(0,4,0)+μ(2,−1,1). Bereken een eventueel snijpunt.

  1. 01Stap 1 — Vergelijk de richtingsvectoren

    Is (1, 2, 1) een veelvoud van (2, −1, 1)? Uit het eerste kental zou k = ½ volgen, maar dan klopt het tweede niet (2 is niet gelijk aan −½). De richtingen zijn dus niet evenwijdig: de lijnen snijden of kruisen.

    (1,2,1)≠k (2,−1,1)(1, 2, 1) \neq k\,(2, -1, 1)(1,2,1)=k(2,−1,1)
  2. 02Stap 2 — Stel het stelsel op

    Stel de coördinaten van l en m per as aan elkaar gelijk. Dat geeft drie vergelijkingen met de twee onbekenden λ en μ.

    {1+λ=2μ1+2λ=4−μλ=μ\begin{cases} 1 + \lambda = 2\mu \\ 1 + 2\lambda = 4 - \mu \\ \lambda = \mu \end{cases}⎩⎨⎧​1+λ=2μ1+2λ=4−μλ=μ​
  3. 03Stap 3 — Los twee vergelijkingen op

    Uit de derde vergelijking volgt λ = μ. Vul dit in de eerste in: 1 + λ = 2λ, dus λ = 1 en μ = 1.

    1+λ=2λ ⇒ λ=1, μ=11 + \lambda = 2\lambda \ \Rightarrow\ \lambda = 1, \ \mu = 11+λ=2λ ⇒ λ=1, μ=1
  4. 04Stap 4 — Controleer de overgebleven vergelijking

    De tweede vergelijking is nog niet gebruikt. Vul λ = 1 en μ = 1 in: links 1 + 2 = 3, rechts 4 − 1 = 3. Dat klopt, dus de lijnen snijden elkaar.

    1+2⋅1=34−1=31 + 2 \cdot 1 = 3 \qquad 4 - 1 = 31+2⋅1=34−1=3
  5. 05Stap 5 — Bereken het snijpunt

    Vul λ = 1 in de parametervoorstelling van l in.

    S=(1+1, 1+2⋅1, 0+1)=(2,3,1)S = (1 + 1,\ 1 + 2 \cdot 1,\ 0 + 1) = (2, 3, 1)S=(1+1, 1+2⋅1, 0+1)=(2,3,1)

Resultaat: De richtingsvectoren zijn niet evenwijdig en het stelsel heeft de oplossing λ=μ=1\lambda = \mu = 1λ=μ=1, die aan alle drie de vergelijkingen voldoet. De lijnen lll en mmm snijden elkaar dus in het punt S=(2,3,1)S = (2, 3, 1)S=(2,3,1). Ter controle: mmm bij μ=1\mu = 1μ=1 geeft (2⋅1, 4−1, 1)=(2,3,1)(2 \cdot 1,\ 4 - 1,\ 1) = (2, 3, 1)(2⋅1, 4−1, 1)=(2,3,1), hetzelfde punt.

Eindexamen-focus

  • Je moet de onderlinge ligging van twee lijnen classificeren: eerst de richtingsvectoren vergelijken, en bij verschillende richtingen het stelsel oplossen om snijdend van kruisend te onderscheiden.
  • Het schoolexamen (SE) verwacht dat je bij snijdende lijnen het snijpunt berekent en je antwoord controleert door de parameter in beide lijnen in te vullen.

Veelgemaakte fouten

  • Voor beide lijnen dezelfde parameter λ\lambdaλ gebruiken in plaats van λ\lambdaλ en μ\muμ; daardoor mis je snijpunten die bij verschillende parameterwaarden horen.
  • Na het oplossen van twee vergelijkingen vergeten de derde te controleren, zodat je kruisende lijnen ten onrechte snijdend noemt.
  • Denken dat lijnen met verschillende richtingsvectoren elkaar altijd snijden; in de ruimte kunnen ze ook kruisen.

Actieve herhaling

Onderzoek de onderlinge ligging van l:(x,y,z)=(0,1,2)+λ(1,1,1)l: (x, y, z) = (0, 1, 2) + \lambda(1, 1, 1)l:(x,y,z)=(0,1,2)+λ(1,1,1) en m:(x,y,z)=(3,0,1)+μ(1,−1,2)m: (x, y, z) = (3, 0, 1) + \mu(1, -1, 2)m:(x,y,z)=(3,0,1)+μ(1,−1,2). Snijden ze elkaar, en zo ja, in welk punt?

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma wiskunde D (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Lijn en vlak, en twee vlakken onderling#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Een lijn die een vlak snijdt

Lijn snijdt vlakGeometrische Zeichnung (3D), A, B, C, P, VABCPVx1x2x3l
Afb. 3De lijn lll heeft richtingsvector (0,0,1)(0, 0, 1)(0,0,1) en het vlak VVV normaalvector (1,1,1)(1, 1, 1)(1,1,1). Omdat r⃗⋅n⃗=1≠0\vec{r} \cdot \vec{n} = 1 \neq 0r⋅n=1=0, doorboort de lijn het vlak in precies één punt.

Kernpunten

Net als twee lijnen kan een lijn op verschillende manieren ten opzichte van een vlak liggen, en de normaalvector van het vlak is daarbij je belangrijkste gereedschap. Een lijn lll met richtingsvector r⃗\vec{r}r en een vlak VVV met normaalvector n⃗\vec{n}n kunnen snijdend zijn (de lijn doorboort het vlak in precies één punt), de lijn kan evenwijdig aan het vlak lopen (zonder het te raken), of de lijn kan helemaal in het vlak liggen. Welk geval het is, lees je af aan het inproduct r⃗⋅n⃗\vec{r} \cdot \vec{n}r⋅n. Staat de richtingsvector niet loodrecht op de normaalvector, dus r⃗⋅n⃗≠0\vec{r} \cdot \vec{n} \neq 0r⋅n=0, dan snijdt de lijn het vlak. Is r⃗⋅n⃗=0\vec{r} \cdot \vec{n} = 0r⋅n=0, dan staat r⃗\vec{r}r loodrecht op n⃗\vec{n}n en dus evenwijdig aan het vlak — de lijn ligt er dan langs of helemaal in. Dit ene inproduct vervangt het hele stelsel uit de vorige paragraaf.
Waarom betekent r⃗⋅n⃗=0\vec{r} \cdot \vec{n} = 0r⋅n=0 dat de lijn evenwijdig aan het vlak loopt? De normaalvector n⃗\vec{n}n staat loodrecht op het hele vlak. Een richting die loodrecht op n⃗\vec{n}n staat, ligt dus 'plat met het vlak mee': ze wijst nergens het vlak in of uit. Een lijn met zo'n richting houdt overal dezelfde afstand tot het vlak en kan het dus nooit doorboren. Of die afstand nul is (lijn ligt in het vlak) of niet (lijn loopt echt evenwijdig), beslis je met één punt: vul de coördinaten van een willekeurig punt van de lijn in de vlakvergelijking ax+by+cz=dax + by + cz = dax+by+cz=d in. Klopt de vergelijking, dan ligt dat punt — en daarmee de hele lijn — in het vlak. Klopt ze niet, dan ligt de lijn er volledig buiten en is ze echt evenwijdig. Deze tweedeling spiegelt precies het onderscheid tussen samenvallende en echt evenwijdige lijnen uit de vorige paragraaf.
Snijdt de lijn het vlak (r⃗⋅n⃗≠0\vec{r} \cdot \vec{n} \neq 0r⋅n=0), dan bereken je het snijpunt door de parametervoorstelling in de vlakvergelijking te substitueren. Een willekeurig punt van de lijn heeft coördinaten die van λ\lambdaλ afhangen; die vul je in ax+by+cz=dax + by + cz = dax+by+cz=d in, waardoor één vergelijking met alleen λ\lambdaλ ontstaat. Die los je op, en de gevonden λ\lambdaλ vul je terug in de lijn om het snijpunt te krijgen. Neem l:(1,0,1)+λ(1,1,−1)l: (1, 0, 1) + \lambda(1, 1, -1)l:(1,0,1)+λ(1,1,−1) en V:x+2y+z=6V: x + 2y + z = 6V:x+2y+z=6. Het algemene lijnpunt is (1+λ, λ, 1−λ)(1 + \lambda,\ \lambda,\ 1 - \lambda)(1+λ, λ, 1−λ); invullen geeft (1+λ)+2λ+(1−λ)=6(1 + \lambda) + 2\lambda + (1 - \lambda) = 6(1+λ)+2λ+(1−λ)=6, dus 2+2λ=62 + 2\lambda = 62+2λ=6 en λ=2\lambda = 2λ=2. Het snijpunt is dan (1+2, 2, 1−2)=(3,2,−1)(1 + 2,\ 2,\ 1 - 2) = (3, 2, -1)(1+2, 2, 1−2)=(3,2,−1). Deze substitutiemethode is dezelfde techniek waarmee je in het platte vlak een lijn met een parabool snijdt: vul de ene beschrijving in de andere in en los op.
Twee vlakken in de ruimte liggen ofwel evenwijdig (eventueel samenvallend), ofwel ze snijden elkaar in een hele lijn — de snijlijn. Welk geval het is, lees je af aan de normaalvectoren. Zijn n1⃗\vec{n_1}n1​​ en n2⃗\vec{n_2}n2​​ veelvouden van elkaar, n1⃗=k n2⃗\vec{n_1} = k\,\vec{n_2}n1​​=kn2​​, dan staan de vlakken in dezelfde stand en zijn ze evenwijdig; passen bovendien hun vergelijkingen op een factor na samen, dan zijn het hetzelfde vlak. Zo zijn V1:2x−y+z=3V_1: 2x - y + z = 3V1​:2x−y+z=3 en V2:4x−2y+2z=1V_2: 4x - 2y + 2z = 1V2​:4x−2y+2z=1 evenwijdig, want n2⃗=2 n1⃗\vec{n_2} = 2\,\vec{n_1}n2​​=2n1​​, maar niet samenvallend: bij die factor zou rechts 2⋅3=62 \cdot 3 = 62⋅3=6 moeten staan, niet 111. Zijn de normaalvectoren geen veelvoud van elkaar, dan snijden de vlakken elkaar in een lijn. Anders dan bij een lijn en een vlak is de doorsnede van twee vlakken dus geen punt maar een lijn — twee 'platte' richtingen delen een hele rechte.
De snijlijn van twee snijdende vlakken bepaal je door hun vergelijkingen als stelsel samen te nemen. Twee vergelijkingen met drie onbekenden xxx, yyy en zzz laten één vrijheidsgraad over, en die vrijheid is precies de parameter langs de snijlijn. In de praktijk kies je daarom één variabele als parameter — zeg z=λz = \lambdaz=λ — los je de twee vlakvergelijkingen op naar de andere twee variabelen, en schrijf je het resultaat als een parametervoorstelling x⃗=a⃗+λr⃗\vec{x} = \vec{a} + \lambda\vec{r}x=a+λr. De richtingsvector r⃗\vec{r}r die je zo vindt, ligt in beide vlakken tegelijk en staat dus loodrecht op beide normaalvectoren; dat kun je achteraf controleren met r⃗⋅n1⃗=0\vec{r} \cdot \vec{n_1} = 0r⋅n1​​=0 en r⃗⋅n2⃗=0\vec{r} \cdot \vec{n_2} = 0r⋅n2​​=0. Daarmee is de cirkel rond: een lijn beschrijf je met een parametervoorstelling, een vlak met een vergelijking, en alle liggingsvragen los je op door die twee vormen op de juiste manier te combineren. In de slotparagraaf gebruik je dezelfde richtings- en normaalvectoren om hoeken en afstanden te berekenen.
r⃗⋅n⃗=0⇒l∥V,r⃗⋅n⃗≠0⇒l snijdt V\vec{r} \cdot \vec{n} = 0 \Rightarrow l \parallel V, \qquad \vec{r} \cdot \vec{n} \neq 0 \Rightarrow l \text{ snijdt } Vr⋅n=0⇒l∥V,r⋅n=0⇒l snijdt V

ligging van lijn en vlak

Bij r⃗⋅n⃗=0\vec{r} \cdot \vec{n} = 0r⋅n=0 staat de richting loodrecht op de normaal en loopt de lijn evenwijdig aan het vlak (erlangs of erin); anders is er precies één snijpunt.

n1⃗=k n2⃗⟺V1∥V2\vec{n_1} = k\,\vec{n_2} \quad\Longleftrightarrow\quad V_1 \parallel V_2n1​​=kn2​​⟺V1​∥V2​

evenwijdige vlakken

Twee vlakken zijn evenwijdig (of samenvallend) precies wanneer hun normaalvectoren veelvouden van elkaar zijn; anders snijden ze elkaar in een lijn.

Uitgewerkt voorbeeld

Het snijpunt van een lijn en een vlak berekenen

Bepaal of de lijn l:(x,y,z)=(1,0,1)+λ(1,1,−1)l: (x, y, z) = (1, 0, 1) + \lambda(1, 1, -1)l:(x,y,z)=(1,0,1)+λ(1,1,−1) het vlak V:x+2y+z=6V: x + 2y + z = 6V:x+2y+z=6 snijdt, en bereken het snijpunt.

  1. 01Stap 1 — Toets met het inproduct

    De richtingsvector is r = (1, 1, −1) en de normaalvector n = (1, 2, 1). Bereken het inproduct.

    r⃗⋅n⃗=1⋅1+1⋅2+(−1)⋅1=2≠0\vec{r} \cdot \vec{n} = 1 \cdot 1 + 1 \cdot 2 + (-1) \cdot 1 = 2 \neq 0r⋅n=1⋅1+1⋅2+(−1)⋅1=2=0
  2. 02Stap 2 — Schrijf het algemene lijnpunt

    Elk punt van l heeft coördinaten die van λ afhangen.

    (x,y,z)=(1+λ, λ, 1−λ)(x, y, z) = (1 + \lambda,\ \lambda,\ 1 - \lambda)(x,y,z)=(1+λ, λ, 1−λ)
  3. 03Stap 3 — Substitueer in de vlakvergelijking

    Vul deze coördinaten in x + 2y + z = 6 in en vereenvoudig tot één vergelijking in λ.

    (1+λ)+2λ+(1−λ)=6 ⇒ 2+2λ=6(1 + \lambda) + 2\lambda + (1 - \lambda) = 6 \ \Rightarrow\ 2 + 2\lambda = 6(1+λ)+2λ+(1−λ)=6 ⇒ 2+2λ=6
  4. 04Stap 4 — Los λ op en bereken het snijpunt

    Uit 2 + 2λ = 6 volgt λ = 2. Vul dit terug in het algemene lijnpunt.

    λ=2 ⇒ (1+2, 2, 1−2)=(3,2,−1)\lambda = 2 \ \Rightarrow\ (1 + 2,\ 2,\ 1 - 2) = (3, 2, -1)λ=2 ⇒ (1+2, 2, 1−2)=(3,2,−1)

Resultaat: Omdat r⃗⋅n⃗=2≠0\vec{r} \cdot \vec{n} = 2 \neq 0r⋅n=2=0 snijdt lll het vlak VVV in precies één punt. Substitueren geeft λ=2\lambda = 2λ=2 en daarmee het snijpunt S=(3,2,−1)S = (3, 2, -1)S=(3,2,−1). Controle: 3+2⋅2+(−1)=63 + 2 \cdot 2 + (-1) = 63+2⋅2+(−1)=6, dus SSS ligt inderdaad in VVV.

Eindexamen-focus

  • Je moet aan het inproduct r⃗⋅n⃗\vec{r} \cdot \vec{n}r⋅n zien of een lijn een vlak snijdt (ongelijk aan 000) of er evenwijdig aan loopt (gelijk aan 000), en in het tweede geval met één punt beslissen of de lijn in het vlak ligt.
  • Het schoolexamen (SE) verwacht dat je het snijpunt van een lijn en een vlak berekent door de parametervoorstelling in de vlakvergelijking te substitueren, en de snijlijn van twee vlakken als parametervoorstelling opstelt.

Veelgemaakte fouten

  • Bij r⃗⋅n⃗=0\vec{r} \cdot \vec{n} = 0r⋅n=0 meteen 'echt evenwijdig' concluderen zonder met een punt te controleren of de lijn juist in het vlak ligt.
  • De normaalvector n⃗\vec{n}n van het vlak verwarren met een richtingsvector ervan, waardoor het criterium r⃗⋅n⃗\vec{r} \cdot \vec{n}r⋅n omgekeerd wordt uitgelegd.
  • Twee vlakken evenwijdig noemen zodra hun normaalvectoren toevallig één gelijk kental hebben; ze moeten écht veelvouden van elkaar zijn.

Actieve herhaling

Gegeven zijn de lijn l:(x,y,z)=(2,1,0)+λ(1,−1,2)l: (x, y, z) = (2, 1, 0) + \lambda(1, -1, 2)l:(x,y,z)=(2,1,0)+λ(1,−1,2) en het vlak V:x+y+z=5V: x + y + z = 5V:x+y+z=5. Ga met het inproduct na of lll het vlak VVV snijdt, en bereken zo ja het snijpunt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma wiskunde D (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Afstanden en hoeken in de ruimte#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Hoek tussen lichaamsdiagonaal en ribbe

Hoek tussen lichaamsdiagonaal en ribbeGeometrische Zeichnung (3D), A, B, G, AG, ABABGx1x2x3AGAB
Afb. 4In een kubus met ribbe 444 maken de lichaamsdiagonaal AG=(4,4,4)AG = (4, 4, 4)AG=(4,4,4) en de ribbe AB=(4,0,0)AB = (4, 0, 0)AB=(4,0,0) samen een hoek. Met het inproduct vind je cos⁡φ=13\cos\varphi = \tfrac{1}{\sqrt{3}}cosφ=3​1​, dus φ≈54,7∘\varphi \approx 54{,}7^\circφ≈54,7∘.

Kernpunten

In de slotparagraaf gebruik je het inproduct om hoeken te berekenen. De basis is de inproductformule: voor twee vectoren a⃗\vec{a}a en b⃗\vec{b}b geldt a⃗⋅b⃗=∣a⃗∣ ∣b⃗∣cos⁡φ\vec{a} \cdot \vec{b} = |\vec{a}|\,|\vec{b}|\cos\varphia⋅b=∣a∣∣b∣cosφ, waarin φ\varphiφ de hoek tussen de vectoren is en ∣a⃗∣=a12+a22+a32|\vec{a}| = \sqrt{a_1^2 + a_2^2 + a_3^2}∣a∣=a12​+a22​+a32​​ de lengte. Hieruit volgt de werkformule cos⁡φ=a⃗⋅b⃗∣a⃗∣ ∣b⃗∣\cos\varphi = \dfrac{\vec{a} \cdot \vec{b}}{|\vec{a}|\,|\vec{b}|}cosφ=∣a∣∣b∣a⋅b​. Bij hoeken tussen lijnen, vlakken en ribben wil je echter altijd de scherpe hoek, tussen 0∘0^\circ0∘ en 90∘90^\circ90∘, want een lijn heeft geen 'voorkant'. Daarom neem je de absolute waarde in de teller: cos⁡φ=∣a⃗⋅b⃗∣∣a⃗∣ ∣b⃗∣\cos\varphi = \dfrac{|\vec{a} \cdot \vec{b}|}{|\vec{a}|\,|\vec{b}|}cosφ=∣a∣∣b∣∣a⋅b∣​. Het minteken dat zou ontstaan als de vectoren tegengesteld wijzen, verdwijnt zo, en je vindt altijd de hoek die je op een tekening zou meten. Met welke vectoren a⃗\vec{a}a en b⃗\vec{b}b je rekent, hangt af van welke hoek je zoekt — dat is de kern van deze paragraaf.
De hoek tussen twee lijnen bereken je rechtstreeks met hun richtingsvectoren. Zijn r1⃗\vec{r_1}r1​​ en r2⃗\vec{r_2}r2​​ de richtingsvectoren, dan is cos⁡φ=∣r1⃗⋅r2⃗∣∣r1⃗∣ ∣r2⃗∣\cos\varphi = \dfrac{|\vec{r_1} \cdot \vec{r_2}|}{|\vec{r_1}|\,|\vec{r_2}|}cosφ=∣r1​​∣∣r2​​∣∣r1​​⋅r2​​∣​. Merk op dat de lijnen elkaar hiervoor niet eens hoeven te snijden: ook bij kruisende lijnen is de hoek gedefinieerd als de hoek die je zou meten wanneer je één van de lijnen evenwijdig naar de ander toe schuift tot ze elkaar snijden. De richtingsvectoren veranderen daar niet bij, dus de formule blijft gewoon gelden. Een voorbeeld: voor r1⃗=(1,0,1)\vec{r_1} = (1, 0, 1)r1​​=(1,0,1) en r2⃗=(0,1,1)\vec{r_2} = (0, 1, 1)r2​​=(0,1,1) is r1⃗⋅r2⃗=0+0+1=1\vec{r_1} \cdot \vec{r_2} = 0 + 0 + 1 = 1r1​​⋅r2​​=0+0+1=1 en ∣r1⃗∣=∣r2⃗∣=2|\vec{r_1}| = |\vec{r_2}| = \sqrt{2}∣r1​​∣=∣r2​​∣=2​, dus cos⁡φ=12⋅2=12\cos\varphi = \dfrac{1}{\sqrt{2} \cdot \sqrt{2}} = \dfrac{1}{2}cosφ=2​⋅2​1​=21​ en φ=60∘\varphi = 60^\circφ=60∘. Staan de richtingsvectoren loodrecht op elkaar (r1⃗⋅r2⃗=0\vec{r_1} \cdot \vec{r_2} = 0r1​​⋅r2​​=0), dan is de hoek 90∘90^\circ90∘ en snijden of kruisen de lijnen loodrecht.
Bij de hoek tussen een lijn en een vlak moet je oppassen, want hier komt een sin⁡\sinsin in plaats van een cos⁡\coscos om de hoek. Je hebt namelijk de richtingsvector r⃗\vec{r}r van de lijn en de normaalvector n⃗\vec{n}n van het vlak, maar n⃗\vec{n}n staat loodrecht op het vlak. De hoek tussen r⃗\vec{r}r en n⃗\vec{n}n is daarom de complementaire hoek (samen 90∘90^\circ90∘) van de hoek tussen de lijn en het vlak zelf. Omdat cos⁡(90∘−φ)=sin⁡φ\cos(90^\circ - \varphi) = \sin\varphicos(90∘−φ)=sinφ, krijg je sin⁡φ=∣r⃗⋅n⃗∣∣r⃗∣ ∣n⃗∣\sin\varphi = \dfrac{|\vec{r} \cdot \vec{n}|}{|\vec{r}|\,|\vec{n}|}sinφ=∣r∣∣n∣∣r⋅n∣​, waarbij φ\varphiφ de gezochte hoek tussen lijn en vlak is. Je rekent dus met dezelfde breuk als bij twee lijnen, maar het inproduct van richting en normaal levert nu de sinus van de hoek. Vergeet je dat en lees je de uitkomst als een cosinus, dan vind je systematisch de verkeerde (complementaire) hoek. Een handige controle: ligt de lijn bijna in het vlak, dan is φ\varphiφ klein en moet sin⁡φ\sin\varphisinφ dus klein zijn — en inderdaad is r⃗⋅n⃗\vec{r} \cdot \vec{n}r⋅n dan bijna nul.
De hoek tussen twee vlakken meet je via hun normaalvectoren. De vlakken V1V_1V1​ en V2V_2V2​ maken dezelfde hoek met elkaar als hun normaalvectoren n1⃗\vec{n_1}n1​​ en n2⃗\vec{n_2}n2​​, dus cos⁡φ=∣n1⃗⋅n2⃗∣∣n1⃗∣ ∣n2⃗∣\cos\varphi = \dfrac{|\vec{n_1} \cdot \vec{n_2}|}{|\vec{n_1}|\,|\vec{n_2}|}cosφ=∣n1​​∣∣n2​​∣∣n1​​⋅n2​​∣​. Dat de hoek tussen de vlakken gelijk is aan de hoek tussen hun normalen, zie je in door je de twee vlakken voor te stellen als twee bladzijden van een opengeslagen boek: draai je beide bladzijden 90∘90^\circ90∘ naar hun normalen, dan blijft de openingshoek hetzelfde. Ook hier zorgt de absolute waarde ervoor dat je de scherpe hoek krijgt. Drie formules, één idee: je kiest telkens de twee vectoren die de stand van de lijnen of vlakken vastleggen — twee richtingsvectoren (lijn–lijn), een richting en een normaal (lijn–vlak, met sinus), of twee normaalvectoren (vlak–vlak) — en stopt ze in dezelfde inproductbreuk. Het herkennen van wélke vectoren je nodig hebt, is op het schoolexamen (SE) belangrijker dan het rekenwerk zelf.
Naast hoeken vraagt het schoolexamen (SE) ook de afstand van een punt tot een vlak: de kortste afstand, gemeten loodrecht op het vlak. Voor een punt P=(xP,yP,zP)P = (x_P, y_P, z_P)P=(xP​,yP​,zP​) en een vlak V:ax+by+cz=dV: ax + by + cz = dV:ax+by+cz=d geldt afstand(P,V)=∣axP+byP+czP−d∣a2+b2+c2\text{afstand}(P, V) = \dfrac{|a x_P + b y_P + c z_P - d|}{\sqrt{a^2 + b^2 + c^2}}afstand(P,V)=a2+b2+c2​∣axP​+byP​+czP​−d∣​. In de teller staat hoever de coördinaten van PPP de vlakvergelijking 'missen' (vandaar de absolute waarde), en in de noemer staat de lengte ∣n⃗∣=a2+b2+c2|\vec{n}| = \sqrt{a^2 + b^2 + c^2}∣n∣=a2+b2+c2​ van de normaalvector, die de schaal corrigeert. Vul je een punt in dat in het vlak ligt, dan wordt de teller nul en is de afstand terecht 000. Een voorbeeld: de afstand van P=(2,2,2)P = (2, 2, 2)P=(2,2,2) tot V:x+y+z=3V: x + y + z = 3V:x+y+z=3 is ∣2+2+2−3∣1+1+1=33=3≈1,73\dfrac{|2 + 2 + 2 - 3|}{\sqrt{1 + 1 + 1}} = \dfrac{3}{\sqrt{3}} = \sqrt{3} \approx 1{,}731+1+1​∣2+2+2−3∣​=3​3​=3​≈1,73. Deze formule is in de ruimte de directe tegenhanger van de afstandsformule van een punt tot een lijn in het platte vlak; herken je die overeenkomst, dan hoef je maar één idee te onthouden.
cos⁡φ=∣a⃗⋅b⃗∣∣a⃗∣ ∣b⃗∣\cos\varphi = \frac{|\vec{a} \cdot \vec{b}|}{|\vec{a}|\,|\vec{b}|}cosφ=∣a∣∣b∣∣a⋅b∣​

hoek tussen twee richtingen

De scherpe hoek tussen twee lijnen (met a⃗,b⃗\vec{a}, \vec{b}a,b de richtingsvectoren) of tussen twee vlakken (met de normaalvectoren); de absolute waarde zorgt dat 0∘≤φ≤90∘0^\circ \le \varphi \le 90^\circ0∘≤φ≤90∘.

sin⁡φ=∣r⃗⋅n⃗∣∣r⃗∣ ∣n⃗∣\sin\varphi = \frac{|\vec{r} \cdot \vec{n}|}{|\vec{r}|\,|\vec{n}|}sinφ=∣r∣∣n∣∣r⋅n∣​

hoek tussen lijn en vlak

Omdat n⃗\vec{n}n loodrecht op het vlak staat, levert het inproduct van richting en normaal de sinus van de hoek tussen lijn en vlak.

afstand(P,V)=∣axP+byP+czP−d∣a2+b2+c2\text{afstand}(P, V) = \frac{|a x_P + b y_P + c z_P - d|}{\sqrt{a^2 + b^2 + c^2}}afstand(P,V)=a2+b2+c2​∣axP​+byP​+czP​−d∣​

afstand van een punt tot een vlak

Vul de coördinaten van PPP in de vlakvergelijking in, neem de absolute waarde en deel door de lengte ∣n⃗∣|\vec{n}|∣n∣ van de normaalvector.

Uitgewerkt voorbeeld

Een hoek in een kubus berekenen met het inproduct

Gegeven is kubus ABCD.EFGHABCD.EFGHABCD.EFGH met ribbe 444, waarbij A=(0,0,0)A = (0, 0, 0)A=(0,0,0), B=(4,0,0)B = (4, 0, 0)B=(4,0,0) en G=(4,4,4)G = (4, 4, 4)G=(4,4,4). Bereken de hoek φ\varphiφ tussen de lichaamsdiagonaal AGAGAG en de ribbe ABABAB in graden.

  1. 01Stap 1 — Stel de twee richtingsvectoren op

    Bepaal de vectoren langs AG en AB uit de coördinaten van de hoekpunten.

    AG⃗=(4,4,4),AB⃗=(4,0,0)\vec{AG} = (4, 4, 4), \qquad \vec{AB} = (4, 0, 0)AG=(4,4,4),AB=(4,0,0)
  2. 02Stap 2 — Bereken het inproduct

    Vermenigvuldig de kentallen paarsgewijs en tel op.

    AG⃗⋅AB⃗=4⋅4+4⋅0+4⋅0=16\vec{AG} \cdot \vec{AB} = 4 \cdot 4 + 4 \cdot 0 + 4 \cdot 0 = 16AG⋅AB=4⋅4+4⋅0+4⋅0=16
  3. 03Stap 3 — Bereken de lengtes

    Gebruik de lengteformule |v| = √(v1² + v2² + v3²).

    ∣AG⃗∣=48=43,∣AB⃗∣=16=4|\vec{AG}| = \sqrt{48} = 4\sqrt{3}, \qquad |\vec{AB}| = \sqrt{16} = 4∣AG∣=48​=43​,∣AB∣=16​=4
  4. 04Stap 4 — Pas de inproductformule toe

    Vul in en vereenvoudig; de absolute waarde is hier overbodig, want het inproduct is al positief.

    cos⁡φ=1643⋅4=16163=13\cos\varphi = \frac{16}{4\sqrt{3} \cdot 4} = \frac{16}{16\sqrt{3}} = \frac{1}{\sqrt{3}}cosφ=43​⋅416​=163​16​=3​1​
  5. 05Stap 5 — Bereken de hoek

    Neem de inverse cosinus en reken in graden.

    φ=arccos⁡ ⁣(13)≈54,7∘\varphi = \arccos\!\left(\tfrac{1}{\sqrt{3}}\right) \approx 54{,}7^\circφ=arccos(3​1​)≈54,7∘

Resultaat: De hoek tussen de lichaamsdiagonaal AGAGAG en de ribbe ABABAB is φ=arccos⁡ ⁣(13)≈54,7∘\varphi = \arccos\!\left(\tfrac{1}{\sqrt{3}}\right) \approx 54{,}7^\circφ=arccos(3​1​)≈54,7∘. Dit is een vaste hoek in elke kubus: de lichaamsdiagonaal maakt met elke ribbe die eraan grenst dezelfde hoek van ongeveer 54,7∘54{,}7^\circ54,7∘.

Uitgewerkt voorbeeld

De afstand van een punt tot een vlak berekenen

Bereken de afstand van het punt P=(3,1,4)P = (3, 1, 4)P=(3,1,4) tot het vlak V:2x−y+2z=5V: 2x - y + 2z = 5V:2x−y+2z=5.

  1. 01Stap 1 — Lees de normaalvector af

    De coëfficiënten van x, y en z vormen de normaalvector; d is het rechterlid.

    n⃗=(2,−1,2),d=5\vec{n} = (2, -1, 2), \qquad d = 5n=(2,−1,2),d=5
  2. 02Stap 2 — Vul P in de teller in

    Bereken a·xP + b·yP + c·zP − d en neem daarvan de absolute waarde.

    ∣2⋅3−1+2⋅4−5∣=∣8∣=8|2 \cdot 3 - 1 + 2 \cdot 4 - 5| = |8| = 8∣2⋅3−1+2⋅4−5∣=∣8∣=8
  3. 03Stap 3 — Bereken de lengte van de normaalvector

    De noemer is |n| = √(a² + b² + c²).

    22+(−1)2+22=9=3\sqrt{2^2 + (-1)^2 + 2^2} = \sqrt{9} = 322+(−1)2+22​=9​=3
  4. 04Stap 4 — Deel teller door noemer

    De afstand is de teller gedeeld door de lengte van de normaalvector.

    afstand(P,V)=83≈2,67\text{afstand}(P, V) = \frac{8}{3} \approx 2{,}67afstand(P,V)=38​≈2,67

Resultaat: De afstand van P=(3,1,4)P = (3, 1, 4)P=(3,1,4) tot het vlak VVV is 83≈2,67\dfrac{8}{3} \approx 2{,}6738​≈2,67. Omdat de teller niet nul is, ligt PPP niet in het vlak; de waarde 83\tfrac{8}{3}38​ is de kortste, loodrecht gemeten afstand van PPP tot VVV.

Eindexamen-focus

  • Je moet voor elke hoek de juiste vectoren kiezen — twee richtingsvectoren (lijn–lijn), richting en normaal (lijn–vlak, met sin⁡φ\sin\varphisinφ) of twee normaalvectoren (vlak–vlak) — en met cos⁡φ=∣a⃗⋅b⃗∣∣a⃗∣ ∣b⃗∣\cos\varphi = \dfrac{|\vec{a} \cdot \vec{b}|}{|\vec{a}|\,|\vec{b}|}cosφ=∣a∣∣b∣∣a⋅b∣​ de scherpe hoek in graden berekenen.
  • Het schoolexamen (SE) verwacht dat je de afstand van een punt tot een vlak berekent met ∣axP+byP+czP−d∣a2+b2+c2\dfrac{|a x_P + b y_P + c z_P - d|}{\sqrt{a^2 + b^2 + c^2}}a2+b2+c2​∣axP​+byP​+czP​−d∣​ en hoeken op één decimaal nauwkeurig in graden geeft.

Veelgemaakte fouten

  • Bij de hoek tussen een lijn en een vlak met de cosinus rekenen in plaats van de sinus; het inproduct van richting en normaal geeft sin⁡φ\sin\varphisinφ, niet cos⁡φ\cos\varphicosφ.
  • De absolute waarde in de teller vergeten, waardoor je bij tegengesteld wijzende vectoren een stompe hoek vindt in plaats van de bedoelde scherpe hoek.
  • In de afstandsformule vergeten ddd af te trekken of de noemer a2+b2+c2\sqrt{a^2 + b^2 + c^2}a2+b2+c2​ weglaten, zodat de afstand niet meer loodrecht gemeten wordt.

Actieve herhaling

In kubus ABCD.EFGHABCD.EFGHABCD.EFGH met ribbe 666 horen bij A=(0,0,0)A = (0, 0, 0)A=(0,0,0) de punten B=(6,0,0)B = (6, 0, 0)B=(6,0,0), D=(0,6,0)D = (0, 6, 0)D=(0,6,0) en E=(0,0,6)E = (0, 0, 6)E=(0,0,6). Bereken de hoek tussen de lichaamsdiagonaal AGAGAG en de zijvlaksdiagonaal ACACAC in graden, op één decimaal nauwkeurig.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma wiskunde D (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Punten, lijnen en vlakken: incidentie en bepaaldheid○
    • 02Onderlinge ligging van twee lijnen◐
    • 03Lijn en vlak, en twee vlakken onderling◐
    • 04Afstanden en hoeken in de ruimte●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Onderlinge ligging van punten, lijnen en vlakken

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~28
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma wiskunde D (HAVO)

Vorig onderwerp

Aanzichten, uitslagen en doorsneden van ruimtelijke objecten

Volgend onderwerp

Wiskunde in technologie (toepassingen in vervolgstudie en beroep)

EuraStudy·Samenvattingen T·11·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.