EuraStudy
Samenvattingen/Tekenen/Kunsttheorie en beeldtaal
Samenvattingen · TekenenNL · HAVO

Kunsttheorie en beeldtaal

Dit onderwerp gaat over de grote opvattingen over wat kunst is en hoe beelden betekenis dragen. Je leert de drie klassieke kunstopvattingen — mimesis (nabootsing), expressie (uitdrukking) en abstractie (autonome vorm) — en de semiotiek: hoe een beeld via tekens (icoon, index, symbool) en via denotatie en connotatie communiceert. Ook leer je het begrip stijl en beeldtaal, zodat je kunt verklaren waarom kunst er in verschillende tijden zo verschillend uitziet.

4 Onderdelen·~17 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Standaard 2 · Verdieping 2

T·0666 / 13
Examenprofiel
De kunstopvattingen mimesis, expressie en abstractie onderscheiden en aan stromingen koppelenDe semiotiek toepassen: teken, icoon, index, symbool, denotatie en connotatieDe begrippen stijl (persoonlijke, groeps- en tijdstijl) en beeldtaal hanterenVerklaren hoe wisselende kunstopvattingen de vorm van kunst door de tijd bepalen
Operatoren:benoembeschrijfleg uitverklaarvergelijkberedeneer

basisniveau

Kunsttheorie en beeldtaal geven het begrippenkader om te verklaren wat kunst wil zijn en hoe beelden betekenis maken; dat kader gebruik je bij het beschouwen op het centraal examen.

verhoogd niveau

In eigen werk kies je bewust een opvatting (nabootsen, uitdrukken of abstraheren) en een beeldtaal die daarbij past.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Kunsttheorie en beeldtaal
    • 01Drie kunstopvattingen: mimesis, expressie en abstractie◐
    • 02Semiotiek: hoe een beeld betekenis draagt●
    • 03Stijl: persoonlijk, groeps- en tijdstijl◐
    • 04Kunstopvattingen door de tijd●
§ 01

Drie kunstopvattingen: mimesis, expressie en abstractie#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

De drie kunstopvattingen

Mimesis, expressie, abstractieBoomdiagram, 6 paden, Gegevens: Mimesis (nabootsing) → Renaissance-realisme; Mimesis (nabootsing) → Realisme (19e eeuw); Expressie (uitdrukking) → Romantiek; Expressie (uitdrukking) → Expressionisme; Abstractie (autonome vorm) → De Stijl (Mondriaan); Abstractie (autonome vorm) → Abstract expressionismeMimesis (nabo…Expressie (ui…Abstractie (a…Kunstopvattin…Renaissance-r…Realisme (19e…RomantiekExpressionismeDe Stijl (Mon…Abstract expr…
Afb. 1Afb. 1 — De drie klassieke kunstopvattingen met hun voorbeeldstromingen; ze vormen ook een historische lijn van nabootsen naar uitdrukken naar abstraheren.

Kernpunten

Door de eeuwen heen hebben mensen heel verschillend gedacht over wat kunst eigenlijk is en moet doen, en die opvattingen laten zich ordenen in drie hoofdstromen die je op het examen kunt gebruiken. De eerste is de mimesis: kunst als nabootsing van de zichtbare werkelijkheid. In deze opvatting is een kunstwerk geslaagd als het de wereld overtuigend weergeeft — hoe echter, hoe beter. De mimesis is de oudste opvatting (de Griekse filosofen Plato en Aristoteles spraken er al over) en domineert de westerse kunst van de renaissance tot in de negentiende eeuw. Perspectief, anatomie, licht-donker en de illusie van ruimte zijn allemaal middelen in dienst van die getrouwe nabootsing. Wie een werk als mimesis leest, waardeert het naar de mate waarin het de werkelijkheid overtuigend oproept.
De tweede opvatting is de expressie: kunst als uitdrukking van het innerlijk — gevoelens, stemmingen, ideeën van de maker. Niet de getrouwe weergave van de buitenwereld staat voorop, maar de gevoelswaarde die de kunstenaar overbrengt. Deze opvatting komt sterk op in de Romantiek (rond 1800), waarin het persoonlijke gevoel een geldig en zelfs hoogste onderwerp wordt, en bereikt een hoogtepunt in het expressionisme van de vroege twintigste eeuw. Middelen als felle, onnatuurlijke kleuren, vervormde vormen en een heftige toets dienen hier niet de illusie maar de emotie. Een expressief werk mag de werkelijkheid verdraaien als dat het gevoel versterkt — een schreeuwend gezicht met golvende lijnen (Munch, De schreeuw, 1893) is 'waar' op het niveau van het gevoel, niet van de anatomie.
De derde opvatting is de abstractie (of het formalisme): kunst als autonome vorm, die betekenis draagt zonder iets uit de zichtbare wereld af te beelden. In deze opvatting zijn de beeldaspecten zelf — lijn, vlak, kleur, ritme — het onderwerp; het werk verwijst niet naar buiten maar staat op zichzelf. De abstracte kunst ontstaat rond 1910 (Wassily Kandinsky maakt vroege abstracte composities) en wordt uitgewerkt in bewegingen als De Stijl van Piet Mondriaan (louter rechte lijnen en primaire kleuren) en het abstract expressionisme. De vorm draagt hier de betekenis: een compositie van kleuren en lijnen kan harmonie, spanning of ritme uitdrukken zonder een enkel herkenbaar voorwerp. Wie een werk als abstractie leest, kijkt naar de zelfstandige werking van de beeldaspecten.
Deze drie opvattingen sluiten elkaar niet volledig uit en kunnen in één werk door elkaar lopen, maar als analysegereedschap zijn ze zeer bruikbaar op het examen. Vaak overheerst er één: een realistisch stadsgezicht is vooral mimesis, een heftig gekleurd zelfportret vooral expressie, een compositie van vlakken vooral abstractie. Door te bepalen welke opvatting domineert, kun je een werk beter waarderen op zijn eigen voorwaarden — je verwijt een abstract werk niet dat het 'niets voorstelt', want dat is nu juist de bedoeling. De drie opvattingen vormen bovendien een historische lijn: de mimesis domineert eeuwenlang, de expressie komt op in de negentiende eeuw, de abstractie in de twintigste. Dat verband tussen opvatting en tijd werk je in het laatste onderdeel van dit onderwerp verder uit.
Uitgewerkt voorbeeld

De dominante opvatting bepalen

Bepaal van een realistisch portret, een fel gekleurd expressionistisch zelfportret en een geometrisch-abstracte compositie telkens de dominante kunstopvatting.

  1. 01Beoordeel het portret

    Het portret geeft de persoon getrouw en herkenbaar weer met correcte anatomie, licht en kleur: de mimesis (nabootsing) domineert.

  2. 02Beoordeel het zelfportret

    Het zelfportret gebruikt felle, onnatuurlijke kleuren en een heftige toets om een innerlijke stemming over te brengen: de expressie domineert.

  3. 03Beoordeel de compositie

    De compositie toont alleen lijnen, vlakken en kleuren zonder herkenbaar onderwerp: de abstractie (autonome vorm) domineert.

  4. 04Onderbouw

    Koppel elke keuze aan een kenmerk (gelijkenis, gevoelskleur, of zelfstandige vorm), zodat de opvatting bewijsbaar is.

Resultaat: Portret = mimesis (getrouwe weergave), zelfportret = expressie (gevoelskleur en toets), compositie = abstractie (zelfstandige vorm). Elke keuze is met een kenmerk onderbouwd.

Eindexamen-focus

  • Bepalen welke kunstopvatting (mimesis, expressie of abstractie) in een werk domineert en dat onderbouwen met kenmerken.
  • Een werk waarderen op zijn eigen opvatting (een abstract werk niet afrekenen op gebrek aan gelijkenis).

Veelgemaakte fouten

  • Een expressief of abstract werk afwijzen omdat het 'niet lijkt', in plaats van het op zijn eigen opvatting te beoordelen.
  • Mimesis, expressie en abstractie als scherp gescheiden hokjes zien in plaats van als accenten die in één werk kunnen samengaan.

Actieve herhaling

Je krijgt drie werken: een realistisch portret, een fel gekleurd expressionistisch zelfportret en een geometrisch-abstracte compositie. Benoem per werk de dominante kunstopvatting en onderbouw je keuze met een kenmerk.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (tekenen) havo — kunstopvattingen (CvTE / Examenblad)

§ 02

Semiotiek: hoe een beeld betekenis draagt#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Drie tekentypen (Peirce)

Icoon, index, symboolTabel met 4 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Tekentype · Verwijst door · Voorbeeld · Betekenis; Icoon · Gelijkenis · Portret, realistische tekening · Lijkt op het afgebeelde; Index · Oorzaak / feitelijk verband · Rook, voetspoor · Wijst op vuur, op een voorbijganger; Symbool · Afspraak (conventie) · Duif, kruis · Vrede, christendom, gemarkeerde cel: Afspraak (conventie)TEKENTYPEVERWIJST DOORVOORBEELDBETEKENISIcoonGelijkenisPortret, realistischetekeningLijkt op het afgebeeldeIndexOorzaak / feitelijk verbandRook, voetspoorWijst op vuur, op eenvoorbijgangerSymboolAfspraak (conventie)Duif, kruisVrede, christendom
Afb. 2Afb. 2 — De drie tekentypen verschillen in de manier waarop ze naar hun betekenis verwijzen: door gelijkenis, door oorzaak of door afspraak.

Kernpunten

De semiotiek is de leer van de tekens en biedt een preciezer gereedschap om te begrijpen hoe een beeld betekenis overbrengt. Het grondbegrip is het teken: iets dat voor iets anders staat. De taalkundige Ferdinand de Saussure onderscheidde daarin twee kanten: de vorm van het teken (het waarneembare, de signifiant) en de betekenis ervan (het begrip waarnaar het verwijst, de signifié). Een geschilderde duif is een vorm (witte vogel) die verwijst naar een betekenis (vrede, of de Heilige Geest). Deze koppeling tussen vorm en betekenis is niet altijd vanzelfsprekend maar vaak op afspraak (conventie) gebaseerd, en juist daarom moet je de code kennen om een beeld goed te lezen. De semiotiek maakt zo expliciet wat je bij denotatie en connotatie al deed: van waarneembare vorm naar betekenis redeneren.
Een bruikbare indeling, afkomstig van de filosoof Charles Sanders Peirce, onderscheidt drie soorten tekens naar de manier waarop ze naar hun betekenis verwijzen: het icoon, de index en het symbool. Een icoon lijkt op datgene waarnaar het verwijst: een portret, een realistische tekening of een pictogram van een man op een deur zijn iconen omdat ze gelijkenis vertonen. Een index heeft een oorzakelijk of feitelijk verband met datgene waarnaar het verwijst: rook is een index voor vuur, een voetspoor voor een voorbijganger, een wijzende vinger voor een richting. Een symbool heeft een puur op afspraak berustend verband: een duif voor vrede, een kruis voor het christendom, een kleur voor een betekenis. Op het examen kun je met dit onderscheid preciezer benoemen hóe een beeldelement betekenis draagt.
De semiotiek verheldert ook de twee betekenislagen die je eerder als denotatie en connotatie leerde kennen. De denotatie is de letterlijke, voor de hand liggende betekenis van een teken (een roos is een bloem); de connotatie is de culturele bijbetekenis die eraan kleeft (een rode roos betekent liefde). Beelden werken vaak op beide niveaus tegelijk, en de kunst zit hem juist in de connotatieve laag: een maker kiest een motief niet alleen om wat het letterlijk toont, maar om wat het cultureel oproept. Doordat connotaties per cultuur en tijd verschillen, moet je ze steeds binnen de juiste context lezen — een kleur of motief dat in de ene cultuur geluk betekent, kan in de andere rouw betekenen. De semiotiek dwingt je zo tot precisie: benoem de vorm, benoem het tekentype, en verklaar de betekenis binnen de code.
Al deze begrippen samen vormen de beeldtaal: het systeem van tekens en conventies waarmee een beeld communiceert, vergelijkbaar met de manier waarop een taal met woorden en grammatica communiceert. Net als een taal heeft de beeldtaal een woordenschat (de motieven en symbolen) en een grammatica (de beeldaspecten en composities die betekenis ordenen). En net als een taal moet je haar leren lezen: wie de code niet kent, mist de boodschap. Op het examen is dit inzicht praktisch: het verklaart waarom je kennis van symbolen, verhalen en context nodig hebt om een werk te begrijpen, en waarom een tijdgenoot een beeld moeiteloos las dat voor ons ontcijfering vraagt. De beeldtaal is dus geen bijkomstigheid maar de sleutel tot de betekenis, en zij verandert — net als een gesproken taal — met de tijd en de cultuur.
Uitgewerkt voorbeeld

Tekentypen herkennen

Een schilderij toont een gelijkend portret van een man, een opstijgende rookpluim uit een schoorsteen en een witte duif. Bepaal per element het tekentype en de betekenis.

  1. 01Het portret

    Het portret lijkt op de afgebeelde man (gelijkenis): het is een icoon, dat verwijst naar die persoon.

  2. 02De rookpluim

    De rook is het gevolg van vuur; ze verwijst door een oorzakelijk verband: het is een index voor een brandend haardvuur.

  3. 03De duif

    De witte duif verwijst niet door gelijkenis of oorzaak maar door afspraak naar vrede (of de Heilige Geest): het is een symbool.

  4. 04Verklaar

    Elk element draagt betekenis op een andere manier; het onderscheid maakt de analyse van de beeldtaal preciezer.

Resultaat: Portret = icoon (gelijkenis), rook = index (oorzaak), duif = symbool (afspraak). De drie tekentypen dragen elk op een eigen manier betekenis in hetzelfde beeld.

Eindexamen-focus

  • De tekentypen icoon, index en symbool onderscheiden en op beeldelementen toepassen.
  • Denotatie en connotatie binnen de juiste culturele context lezen en de beeldtaal als betekenissysteem herkennen.

Veelgemaakte fouten

  • Icoon, index en symbool door elkaar halen (bijvoorbeeld een symbool — op afspraak — verwarren met een icoon — op gelijkenis).
  • Een connotatie invullen met de eigen cultuur van nu in plaats van met de code van de tijd en cultuur van het werk.

Actieve herhaling

Je krijgt een werk met een portret (gelijkend), een opstijgende rookpluim en een afgebeelde duif. Bepaal per element het tekentype (icoon, index of symbool) en de betekenis, en leg je keuze uit.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (tekenen) havo — semiotiek en beeldtaal (CvTE / Examenblad)

§ 03

Stijl: persoonlijk, groeps- en tijdstijl#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

De drie niveaus van stijl

Persoonlijke, groeps- en tijdstijlGraaf, Persoonlijke stijl (maker) → Herkenbare beeldtaal van het werk, Groepsstijl (stroming) → Herkenbare beeldtaal van het werk, Tijdstijl (periode) → Herkenbare beeldtaal van het werkPersoonlijkestijl (maker)Groepsstijl(stroming)Tijdstijl(periode)Herkenbarebeeldtaal vanhet werkhandtekeninggedeelde stijlperiodekenmerken
Afb. 3Afb. 3 — Stijl werkt op drie geneste niveaus — persoonlijk, groep en tijd — die samen de herkenbare beeldtaal van een werk bepalen.

Kernpunten

Stijl is een van de meest gebruikte begrippen van het vak, en je moet het scherp kunnen hanteren: stijl is de herkenbare, samenhangende manier waarop een werk is vormgegeven. Een stijl bestaat uit een vast geheel van kenmerken in de beeldaspecten — een voorkeur voor bepaalde vormen, kleuren, composities, onderwerpen en technieken — die telkens terugkeren en het werk herkenbaar maken. Doordat een stijl consistent is, kun je op grond van stijlkenmerken een onbekend werk aan een maker of een periode toeschrijven; dat is precies wat je op het examen doet wanneer je een bron in een stijlperiode plaatst. Stijl is dus geen vaag gevoel maar een aanwijsbaar patroon van vormkeuzes dat je met het begrippenapparaat kunt beschrijven.
Je onderscheidt stijl op drie niveaus, die je uit elkaar moet houden. De persoonlijke stijl (of individuele stijl) is de herkenbare handtekening van één kunstenaar: de dikke, wervelende toets van Van Gogh, het sfumato van Leonardo, de druppeltechniek van Pollock. De groepsstijl (of stroming) is de gedeelde stijl van een groep kunstenaars die dezelfde uitgangspunten delen: het impressionisme, het kubisme, De Stijl. De tijdstijl (of periodestijl) is de overkoepelende stijl van een heel tijdvak, die door veel kunstenaars en disciplines heen herkenbaar is: de renaissance, de barok. Deze niveaus zijn genest: een werk kan tegelijk de persoonlijke stijl van Rembrandt, geen expliciete stroming, en de tijdstijl van de barok dragen. Op het examen helpt dit onderscheid je preciezer te zijn over wélk soort stijl je herkent.
Stijl en beeldtaal hangen nauw samen, want een stijl is in feite een specifieke beeldtaal: een eigen manier van betekenis maken met de beeldaspecten. De strakke, geometrische beeldtaal van De Stijl (rechte lijnen, primaire kleuren, rechthoekige vlakken) drukt een ideaal van universele harmonie en orde uit; de heftige, vervormde beeldtaal van het expressionisme drukt emotie en onrust uit. De stijl is dus niet neutraal maar betekenisvol: de vormkeuzes die een stijl kenmerken, dragen een wereldbeeld en een houding. Op het examen loont het daarom niet alleen stijlkenmerken op te sommen, maar te verklaren wat die kenmerken uitdrukken — zo verbind je de vormgeving (stijl) met de betekenis en de context.
Stijlen ontstaan niet toevallig maar komen voort uit de wisselwerking tussen makers, hun voorgangers en hun tijd, en dat inzicht bereidt je voor op de kunstgeschiedenis. Een nieuwe stijl reageert vaak op de vorige — als voortzetting of juist als breuk. De barok bouwt voort op de renaissance maar ruilt haar rust in voor beweging; de moderne avant-garde breekt radicaal met de traditie van de nabootsing. Ook beïnvloeden kunstenaars elkaar: een vernieuwing van de een wordt overgenomen en uitgewerkt door de ander (zoals je in de invloedketens van de moderne kunst zult zien). Stijl is dus dynamisch: zij verandert doordat makers reageren op elkaar en op hun veranderende wereld. Met dit inzicht ben je klaar om de westerse stijlperioden — van de renaissance tot de hedendaagse kunst — één voor één te leren herkennen.
Uitgewerkt voorbeeld

Het stijlniveau bepalen

Een werk toont de dikke, wervelende, herkenbare toets van Vincent van Gogh. Bepaal het stijlniveau en verklaar wat de kenmerken uitdrukken.

  1. 01Herken de kenmerken

    De dikke impasto-toets, de wervelende lijnen en de felle kleuren zijn zeer specifiek en persoonlijk herkenbaar.

  2. 02Bepaal het niveau

    Deze kenmerken horen bij één maker: het is de persoonlijke stijl van Van Gogh, meer dan een gedeelde groeps- of tijdstijl.

  3. 03Koppel aan de betekenis

    De heftige toets en kleuren drukken innerlijke bewogenheid en energie uit; de stijl is dus expressief van aard.

  4. 04Formuleer

    Het is een persoonlijke stijl (Van Gogh) met een expressieve beeldtaal: de vorm draagt de emotie.

Resultaat: De wervelende impasto-toets is de persoonlijke stijl van Van Gogh; de kenmerken drukken innerlijke bewogenheid uit. Het stijlniveau (persoonlijk) en de betekenis (expressie) zijn zo beide benoemd.

Eindexamen-focus

  • Persoonlijke stijl, groepsstijl (stroming) en tijdstijl (periode) onderscheiden en op een werk toepassen.
  • Stijlkenmerken niet alleen opsommen maar verklaren wat ze uitdrukken (het wereldbeeld achter de vorm).

Veelgemaakte fouten

  • Persoonlijke stijl en tijdstijl door elkaar halen (een kenmerk van één maker toeschrijven aan de hele periode of omgekeerd).
  • Stijlkenmerken opsommen zonder ze aan een betekenis of houding te koppelen.

Actieve herhaling

Je krijgt een werk met de wervelende toets van Van Gogh. Benoem het niveau van stijl dat je herkent (persoonlijk, groeps- of tijdstijl) en leg uit wat die stijlkenmerken uitdrukken.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (tekenen) havo — stijl en beeldtaal (CvTE / Examenblad)

§ 04

Kunstopvattingen door de tijd#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Kernpunten

De drie kunstopvattingen — mimesis, expressie en abstractie — vormen niet alleen een indeling maar ook een historische ontwikkeling, en het overzien van die lijn helpt je bij het plaatsen van werken (zie Afb. 4). Grofweg domineert de mimesis, de getrouwe nabootsing, van de renaissance (vanaf ongeveer 1400) tot in de negentiende eeuw: eeuwenlang is het ideaal een zo overtuigend mogelijke weergave van de zichtbare wereld, met perspectief, anatomie en licht-donker als middelen. Deze lange dominantie verklaart waarom de kunst uit die eeuwen, hoe verschillend ook, telkens de werkelijkheid als maatstaf neemt. Op het examen is dat een bruikbaar houvast: een werk dat de wereld getrouw en illusionistisch weergeeft, hoort vaak in deze lange mimetische traditie thuis.

Kunstopvattingen op de tijdlijn

Mimesis, expressie en abstractie door de tijdTijdlijn van 1400 tot 2000, 1420: Mimesis (renaissance), 1800: Expressie (Romantiek), 1910: Abstractie (Kandinsky), 1930: De Stijl (Mondriaan), 1400–1880: Mimesis domineert, 1800–1960: Expressie, 1910–2000: Abstractie14002000jaarMimesis domineertExpressieAbstractie1420Mimesis(renaissance)1800Expressie(Romantiek)1910Abstractie(Kandinsky)1930De Stijl(Mondriaan)
Afb. 4Afb. 4 — De zwaartepunten van de drie kunstopvattingen door de tijd: de mimesis domineert lang, de expressie komt op rond 1800, de abstractie vanaf ongeveer 1910.
In de negentiende eeuw komt de expressie sterk op als tegenbeweging en aanvulling, en dat markeert een keerpunt in het denken over kunst. De Romantiek (rond 1800) plaatst het gevoel en de verbeelding boven de koele nabootsing; kunst mag nu de innerlijke wereld tonen. Deze nadruk op het persoonlijke gevoel loopt door en culmineert rond 1900 in bewegingen die de kleur en de vorm losmaken van de getrouwe weergave — het werk van Van Gogh, het fauvisme, het expressionisme. De werkelijkheid wordt niet langer nagebootst maar ingezet en verdraaid om een gevoel over te brengen. Deze verschuiving hangt samen met grote maatschappelijke veranderingen (industrialisatie, individualisering) en met de uitvinding van de fotografie, die de mimetische taak van de schilderkunst deels overnam.
In de twintigste eeuw voegt de abstractie zich als derde grote opvatting toe, en daarmee wordt de band met de zichtbare werkelijkheid zelfs helemaal doorgesneden. Vanaf ongeveer 1910 (Kandinsky) ontstaat kunst die niets meer afbeeldt maar uit louter vorm en kleur bestaat; De Stijl van Mondriaan en, later, het abstract expressionisme werken deze opvatting radicaal uit. De abstractie is de logische eindstap van een eeuwenlange verschuiving: van de wereld nabootsen (mimesis), via de wereld inzetten voor het gevoel (expressie), naar de vorm volledig zelfstandig maken (abstractie). Op het examen verklaart dit waarom de moderne kunst er zo anders uitziet dan de oudere: er is een fundamentele opvatting veranderd over wat kunst moet doen.
Belangrijk is dat deze opvattingen elkaar niet netjes aflossen maar naast elkaar blijven bestaan, en dat besef voorkomt een te schematische lezing. Ook in de twintigste en eenentwintigste eeuw wordt nog realistisch (mimetisch) en expressief gewerkt, naast alle abstractie; de hedendaagse kunst put uit alle drie de opvattingen tegelijk. De historische lijn geeft dus de zwaartepunten aan — wanneer welke opvatting domineerde — niet een strikte opeenvolging. Op het examen gebruik je deze lijn als kader: je bepaalt welke opvatting in een werk domineert, en je gebruikt de globale chronologie om het werk te helpen dateren en te contextualiseren. Met dit theoretische kader op zak ga je nu de concrete stijlperioden in, te beginnen bij de renaissance en de barok.
Uitgewerkt voorbeeld

De verschuiving van opvatting verklaren

Verklaar met de historische lijn waarom een negentiende-eeuws realistisch schilderij en een abstract werk uit 1930 zo verschillen, en welke rol de fotografie speelde.

  1. 01Plaats het realisme

    Het realistische schilderij staat in de lange mimetische traditie: het bootst de zichtbare werkelijkheid getrouw na.

  2. 02Plaats de abstractie

    Het abstracte werk uit 1930 beeldt niets af maar bestaat uit vorm en kleur: het hoort bij de twintigste-eeuwse abstractie.

  3. 03Betrek de fotografie

    De uitvinding van de fotografie (19e eeuw) nam de mimetische taak deels over; schilders zochten daardoor nieuwe doelen — eerst de expressie, daarna de abstractie.

  4. 04Formuleer de lijn

    Het verschil weerspiegelt een verschuiving in kunstopvatting: van nabootsen (mimesis) naar de zelfstandige vorm (abstractie), mede aangejaagd door de fotografie.

Resultaat: Het realistische werk hoort bij de mimesis, het abstracte bij de twintigste-eeuwse abstractie; de fotografie versnelde de verschuiving doordat zij de nabootsende taak overnam en schilders naar nieuwe doelen dreef.

Eindexamen-focus

  • De globale historische lijn mimesis → expressie → abstractie gebruiken om een werk te helpen dateren en contextualiseren.
  • Herkennen dat de opvattingen naast elkaar blijven bestaan (ook nu wordt nog mimetisch en expressief gewerkt).

Veelgemaakte fouten

  • De drie opvattingen als een strikte, elkaar aflossende opeenvolging zien in plaats van als verschuivende zwaartepunten.
  • De verschuiving naar expressie en abstractie los zien van de context (fotografie, industrialisatie), waardoor de reden ontbreekt.

Actieve herhaling

Leg met de historische lijn mimesis → expressie → abstractie uit waarom een negentiende-eeuws realistisch schilderij en een geometrisch-abstract werk uit 1930 zo verschillend zijn, en welke rol de fotografie in die verschuiving speelde.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (tekenen) havo — kunstopvattingen en hun ontwikkeling (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Drie kunstopvattingen: mimesis, expressie en abstractie◐
    • 02Semiotiek: hoe een beeld betekenis draagt●
    • 03Stijl: persoonlijk, groeps- en tijdstijl◐
    • 04Kunstopvattingen door de tijd●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Kunsttheorie en beeldtaal

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~17
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma beeldende vakken (tekenen) havo — kunstopvattingen

Vorig onderwerp

Betekenis, functie en context van kunst en vormgeving

Volgend onderwerp

Kunstgeschiedenis: renaissance en barok

EuraStudy·Samenvattingen T·06·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.