EuraStudy
Samenvattingen/Scheikunde/Veilig en praktisch experimenteren
Samenvattingen · ScheikundeNL · HAVO

Veilig en praktisch experimenteren

Dit onderwerp behandelt het veilig en zorgvuldig werken in het scheikundelab: de GHS-etikettering en persoonlijke bescherming, meten en rekenen met significante cijfers en meetfouten, de standaard practicumtechnieken (een oplossing maken, verdunnen, titreren, scheiden) en het opzetten en rapporteren van onderzoek. Dit is grotendeels een practicum- en schoolexamenvaardigheid (SE); de reken- en meetvaardigheden (significante cijfers, verbanden uit grafieken) ondersteunen ook het centraal examen.

4 Onderdelen·~22 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 3

T·151515 / 15
Examenprofiel
Veilig werken volgens de GHS-etikettering (gevaarsymbolen, H- en P-zinnen), persoonlijke bescherming, opslag en afvalverwerking — grotendeels practicum/schoolexamen.Meten met het juiste instrument en correct rekenen met significante cijfers, meetfouten (systematisch/toevallig) en meetnauwkeurigheid.Standaard practicumtechnieken uitvoeren en beschrijven: een oplossing maken, verdunnen, titreren en scheiden (filtreren/destilleren).Onderzoek opzetten, uitvoeren en rapporteren: onderzoeksvraag, hypothese, variabelen, meetreeks, grafiek, conclusie en betrouwbaarheid — practicumvaardigheid (SE).
Operatoren:leg uitbepaalberekenberedeneerinterpreteernoembeschrijf

basisniveau

Herken de GHS-pictogrammen, kies het juiste meetinstrument en reken met het juiste aantal significante cijfers.

verhoogd niveau

Onderbouw een titratie- of onderzoeksopzet, beoordeel meetfouten (systematisch vs. toevallig) en de betrouwbaarheid, en verwerk een meetreeks in een grafiek met trendlijn.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Veilig en praktisch experimenteren
    • 01Veilig werken en GHS○
    • 02Meten en meetnauwkeurigheid◐
    • 03Practicumtechnieken◐
    • 04Onderzoek doen en rapporteren◐
§ 01

Veilig werken en GHS#

●○○BasisLPexamenblad-nl

GHS-gevaarsymbolen

GHS-gevaarsymbolenTabel met 3 kolommen en 6 rijen, Gegevens: Pictogram/gevaar · Betekenis · Voorbeeldstof; ontvlambaar · brandbaar · ethanol; bijtend · tast huid aan · zoutzuur (HCl); giftig · toxisch · methanol; schadelijk · irriterend · aceton; milieugevaarlijk · schaadt waterleven · koper(II)zout; oxiderend · bevordert brand · waterstofperoxidePICTOGRAM/GEVAARBETEKENISVOORBEELDSTOFontvlambaarbrandbaarethanolbijtendtast huid aanzoutzuur (HCl)giftigtoxischmethanolschadelijkirriterendacetonmilieugevaarlijkschaadt waterlevenkoper(II)zoutoxiderendbevordert brandwaterstofperoxide
Afb. 1De belangrijkste GHS-gevaarsymbolen met hun betekenis en een voorbeeldstof. Aan het pictogram op het etiket lees je af welk gevaar een stof geeft en welke voorzorgen je neemt; let vooral op het verschil tussen bijtend en giftig.

Kernpunten

Veilig werken in het lab begint met weten hoe gevaarlijk de stoffen zijn waarmee je omgaat. Daarvoor bestaat een wereldwijd afgesproken systeem, het GHS (Globally Harmonized System), dat het gevaar in één oogopslag laat zien met gestandaardiseerde pictogrammen: een rood-omrande ruit met een zwart symbool op een witte achtergrond. Iedereen die met chemicaliën werkt, herkent zo direct waar hij mee te maken heeft, ongeacht de taal op de fles. In de figuur staan de belangrijkste pictogrammen met hun betekenis en een voorbeeldstof. Dit onderdeel is vooral een practicum- en schoolexamenvaardigheid: je moet het niet alleen kunnen benoemen, maar er in het lab ook naar handelen. Voordat je een proef begint, lees je daarom altijd eerst het etiket en bepaal je welke voorzorgen nodig zijn.
De belangrijkste pictogrammen moet je uit elkaar kunnen houden. Ontvlambaar (een vlam) betekent brandbaar: houd de stof weg van vuur en vonken. Corrosief of bijtend (een hand en een oppervlak die worden aangetast) tast huid, ogen en materialen aan. Giftig (een doodshoofd) betekent dat al een kleine hoeveelheid je van binnen ernstig kan schaden. Schadelijk of irriterend (een uitroepteken) waarschuwt voor minder ernstige irritatie of schade. Milieugevaarlijk (een dode boom en vis) betekent dat de stof het waterleven en het milieu schaadt. Oxiderend (een vlam boven een cirkel) betekent dat de stof brand kan bevorderen door zuurstof af te geven. Let vooral op het verschil tussen bijtend (aantasting van weefsel en materiaal aan de buitenkant) en giftig (schade van binnenuit) — die twee worden vaak verward.
Naast de pictogrammen staan op het etiket H-zinnen en P-zinnen. De H-zinnen (van het Engelse hazard, gevaar) beschrijven het gevaar zelf; H314 betekent bijvoorbeeld „veroorzaakt ernstige brandwonden en oogletsel”. De P-zinnen (van precaution, voorzorg) vertellen wat je moet doen; P280 betekent bijvoorbeeld „draag beschermende handschoenen en oog- of gelaatsbescherming”. Samen met het pictogram vormen ze de volledige gevareninformatie, die je ook uitgebreider terugvindt in het veiligheidsinformatieblad van de stof. Bij een goede voorbereiding lees je deze zinnen vóór de proef, zodat je weet welke bescherming en welke werkwijze nodig zijn. Zo vertaal je de waarschuwing op de fles naar concrete handelingen aan de labtafel.
Uit de gevareninformatie volgen de persoonlijke beschermingsmiddelen (pbm) en de werkwijze. Een veiligheidsbril draag je vrijwel altijd, omdat spatten in de ogen zeer gevaarlijk zijn; daarnaast horen een labjas, geschikte handschoenen en dichte schoenen bij het standaardbeeld. Bij giftige of vluchtige stoffen werk je in de zuurkast, zodat je de dampen niet inademt. Verder gelden vaste huisregels: niet eten of drinken in het lab, lang haar vastbinden, en nooit met je mond pipetteren. Elke maatregel heeft een reden — de bril tegen spatten, de zuurkast tegen dampen, de handschoenen tegen huidcontact. Door de bescherming te koppelen aan het concrete gevaar, kies je precies wat nodig is en niet zomaar „alles voor de zekerheid”.
Ten slotte horen bij veilig werken ook de juiste opslag en afvalverwerking. Stoffen die met elkaar kunnen reageren, bewaar je gescheiden: zuren apart van basen, en oxidatoren apart van brandbare stoffen, want samen kunnen ze heftig reageren of vlam vatten. Vluchtige stoffen bewaar je koel en donker. Chemisch afval spoel je nooit door de gootsteen; je vangt het gescheiden op in gelabelde afvalvaten per soort — bijvoorbeeld een vat voor organische oplosmiddelen, een voor zware metalen en een voor zuren en basen — zodat het veilig verwerkt kan worden. Zo voorkom je zowel ongelukken tijdens de proef als schade aan het milieu daarna. Deze opslag- en afvalregels horen bij de practicumvaardigheden die vooral in het schoolexamen aan bod komen.
Uitgewerkt voorbeeld

Een etiket lezen en voorzorgen kiezen

Op de fles geconcentreerd zoutzuur (HCl\ce{HCl}HCl) staan de pictogrammen „bijtend” en „schadelijk”, met H314 en P280. Leg uit wat deze informatie betekent en welke voorzorgen je neemt.

  1. 01Stap 1 — Lees de pictogrammen

    „Bijtend” (corrosief) betekent dat de stof huid, ogen en materiaal aantast; „schadelijk/irriterend” waarschuwt voor irritatie, onder andere door de damp.

  2. 02Stap 2 — Lees de H-zin

    H314 betekent: veroorzaakt ernstige brandwonden en oogletsel. Dit bevestigt dat huid- en oogcontact ernstig zijn.

  3. 03Stap 3 — Lees de P-zin

    P280 betekent: draag beschermende handschoenen en oog- of gelaatsbescherming.

  4. 04Stap 4 — Kies de voorzorgen

    Draag een veiligheidsbril, handschoenen en een labjas, werk in de zuurkast vanwege de damp, giet zuur bij water (niet andersom) en vang het restant op als chemisch afval.

Resultaat: Het etiket vertelt via het pictogram en de H- en P-zinnen wat het gevaar is en hoe je veilig werkt. Bij bijtend zoutzuur zijn oog- en huidbescherming en de zuurkast essentieel, en het restant gaat gescheiden bij het chemisch afval.

Eindexamen-focus

  • Je moet de GHS-pictogrammen herkennen en aan een stof de juiste voorzorgsmaatregelen (pbm, zuurkast, opslag) koppelen.
  • Het SE/practicum verwacht dat je H- en P-zinnen leest en veilig met chemicaliën en chemisch afval omgaat.

Veelgemaakte fouten

  • Het bijtend-symbool (corrosief) verwarren met het giftig-symbool (doodshoofd) — bijtend tast weefsel en materiaal aan, giftig werkt inwendig.
  • Denken dat H- en P-zinnen hetzelfde zijn: H-zinnen benoemen het gevaar, P-zinnen de voorzorgsmaatregel.
  • Chemisch afval door de gootsteen spoelen in plaats van het gescheiden op te vangen in de juiste afvalvaten.

Actieve herhaling

Op een fles staat het pictogram „ontvlambaar” samen met „schadelijk”. (a) Wat betekenen deze twee pictogrammen? (b) Noem twee voorzorgsmaatregelen bij het werken met deze stof. (c) Leg uit hoe je het restant na de proef afvoert.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma scheikunde (HAVO) — veilig werken en practicum (CvTE / Examenblad)

§ 02

Meten en meetnauwkeurigheid#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Meetinstrumenten en hun nauwkeurigheid

Meetinstrumenten en nauwkeurigheidTabel met 3 kolommen en 6 rijen, Gegevens: Instrument · Meet · Nauwkeurigheid; balans · massa · 0,01 g; maatcilinder · volume · 1 mL; pipet · vast volume · 0,05 mL; buret · titervolume · 0,05 mL; thermometer · temperatuur · 0,5 °C; maatkolf · totaalvolume · 0,1 mLINSTRUMENTMEETNAUWKEURIGHEIDbalansmassa0,01 gmaatcilindervolume1 mLpipetvast volume0,05 mLburettitervolume0,05 mLthermometertemperatuur0,5 °Cmaatkolftotaalvolume0,1 mL
Afb. 2Enkele veelgebruikte meetinstrumenten met de grootheid die ze meten en hun typische nauwkeurigheid. Je kiest het instrument dat past bij de gevraagde precisie: een maatcilinder voor een grof volume, een pipet of buret voor een nauwkeurig volume.

Kernpunten

Een meting is nooit oneindig nauwkeurig, en het aantal significante cijfers waarmee je een meetwaarde opschrijft, laat zien hoe precies je hebt gemeten. De significante cijfers zijn alle betrouwbare cijfers plus het eerste geschatte cijfer. Voorloopnullen tellen niet mee (0,0250 heeft er drie), maar nullen achter de komma na een cijfer tellen wél mee, want ze zeggen iets over de precisie. Zo bevat 2,0 twee significante cijfers en 2,00 drie: de tweede meting is nauwkeuriger opgeschreven. Meet je met een balans die tot op 0,01 g weegt, dan geef je de massa met twee cijfers achter de komma. Het aantal significante cijfers is dus geen willekeurige keuze, maar een eerlijke weergave van je meetinstrument. In de rest van deze paragraaf zie je hoe je daar bij het rekenen consequent mee omgaat.
Bij het rekenen bepaalt de minst nauwkeurige meetwaarde het aantal significante cijfers van het antwoord. Bij vermenigvuldigen en delen krijgt het eindantwoord evenveel significante cijfers als de meetwaarde met het minste aantal. Bij optellen en aftrekken kijk je juist naar het aantal decimalen. Cruciaal is dat je pas op het einde afrondt: tussenresultaten reken je met een cijfer extra door, zodat afrondfouten zich niet opstapelen. Reken je bijvoorbeeld een dichtheid uit als 12,4 g gedeeld door 5,0 mL, dan geeft de rekenmachine 2,48, maar omdat 5,0 slechts twee significante cijfers heeft, rond je het antwoord af op 2,5 g/mL. Zo blijft het antwoord even (on)nauwkeurig als je slechtste meting — niet nauwkeuriger, want dat zou een schijnzekerheid zijn die je niet gemeten hebt.
Metingen kunnen op twee manieren afwijken van de werkelijke waarde. Een systematische fout wijst altijd dezelfde kant op: een balans die verkeerd is geijkt en steeds 0,2 g te veel aanwijst, geeft elke meting een vaste afwijking. Zo'n fout verklein je niet door vaker te meten, maar door het instrument te ijken (kalibreren). Een toevallige fout varieert per meting, bijvoorbeeld door onnauwkeurig aflezen of kleine schommelingen; hij zorgt voor spreiding rond de werkelijke waarde. Die spreiding verklein je juist wél door de meting vaak te herhalen en het gemiddelde te nemen, want de toevallige afwijkingen middelen dan grotendeels weg. Het herkennen van welk type fout in het spel is, bepaalt hoe je je meting verbetert: kalibreren tegen systematische fouten, herhalen tegen toevallige.
Daarmee hangen twee begrippen samen die vaak worden verward: nauwkeurigheid (juistheid) en precisie. Nauwkeurigheid betekent dat je meetwaarden dicht bij de werkelijke waarde liggen. Precisie betekent dat je metingen dicht bij elkáár liggen, met een kleine spreiding — los van de vraag of ze kloppen. Je kunt heel precies én toch onjuist meten: een verkeerd geijkte, maar stabiele balans geeft telkens bijna dezelfde, maar foute waarde (kleine spreiding, systematische fout). Andersom kun je gemiddeld juist meten maar met veel spreiding (grote toevallige fout). De dartbord-vergelijking helpt: alle pijlen dicht bij elkaar maar naast de roos is precies maar onnauwkeurig; verspreid rond de roos is nauwkeurig maar niet precies. Voor een goede meting wil je allebei.
Ten slotte kies je het meetinstrument dat past bij de gevraagde nauwkeurigheid, en vermeld je altijd de eenheid. Voor een grove hoeveelheid vloeistof volstaat een maatcilinder, maar voor een nauwkeurig volume gebruik je een pipet, buret of maatkolf, die tot op honderdsten van een milliliter nauwkeurig zijn. Een massa bepaal je met een balans, en de temperatuur met een thermometer. In de figuur staan enkele instrumenten met wat ze meten en hun typische nauwkeurigheid. Het heeft geen zin een volume met een maatcilinder op vier cijfers te willen aflezen — het instrument kan dat niet, en het antwoord zou een schijnnauwkeurigheid geven. Deze keuze koppelt rechtstreeks aan de volgende paragraaf, waarin een titratie juist een nauwkeurige pipet en buret vraagt.
ρ=mV\rho = \dfrac{m}{V}ρ=Vm​

dichtheid

De dichtheid is de massa gedeeld door het volume; het aantal significante cijfers van het antwoord volgt uit de minst nauwkeurige van m en V.

Uitgewerkt voorbeeld

Het juiste aantal significante cijfers in een berekening

Je weegt een vloeistof af: massa m=12,4 gm = 12{,}4\ \text{g}m=12,4 g (3 significante cijfers) in een volume V=5,0 mLV = 5{,}0\ \text{mL}V=5,0 mL (2 significante cijfers). Bereken de dichtheid ρ=mV\rho = \dfrac{m}{V}ρ=Vm​ met het juiste aantal significante cijfers.

  1. 01Stap 1 — Reken eerst voluit

    Deel de massa door het volume zonder tussentijds af te ronden.

    ρ=mV=12,45,0=2,48 g/mL\rho = \dfrac{m}{V} = \dfrac{12{,}4}{5{,}0} = 2{,}48\ \text{g/mL}ρ=Vm​=5,012,4​=2,48 g/mL
  2. 02Stap 2 — Bepaal het aantal significante cijfers

    Bij delen telt de minst nauwkeurige meetwaarde: V heeft 2 significante cijfers, dus het antwoord krijgt er ook 2.

    min⁡(3,2)=2 significante cijfers\min(3, 2) = 2\ \text{significante cijfers}min(3,2)=2 significante cijfers
  3. 03Stap 3 — Rond het eindantwoord af

    Rond 2,48 af op 2 significante cijfers.

    ρ≈2,5 g/mL\rho \approx 2{,}5\ \text{g/mL}ρ≈2,5 g/mL

Resultaat: De dichtheid is ρ=2,5 g/mL\rho = 2{,}5\ \text{g/mL}ρ=2,5 g/mL (2 significante cijfers). Het antwoord kan niet nauwkeuriger zijn dan de minst nauwkeurige meting, hier het volume.

Eindexamen-focus

  • Je moet berekeningen afronden op het juiste aantal significante cijfers, bepaald door de minst nauwkeurige meetwaarde.
  • Het CE/SE verwacht dat je systematische en toevallige meetfouten onderscheidt en het juiste meetinstrument bij een gevraagde nauwkeurigheid kiest.

Veelgemaakte fouten

  • Tussenresultaten te vroeg afronden; rond pas het eindantwoord af en reken tussendoor met een extra cijfer.
  • Nauwkeurigheid (juistheid) en precisie verwarren — je kunt precies (kleine spreiding) én toch onjuist (systematische fout) meten.
  • Alle cijfers van de rekenmachine als „significant” overnemen, of de eenheid weglaten.

Actieve herhaling

Bij een titratie lees je op de buret 23,45 mL23{,}45\ \text{mL}23,45 mL af en op de balans weeg je 2,0 g2{,}0\ \text{g}2,0 g stof. (a) Geef van beide het aantal significante cijfers. (b) Je deelt de massa door het volume; met hoeveel significante cijfers geef je het antwoord? (c) Leg uit of een steeds verkeerd geijkte balans een systematische of een toevallige fout geeft.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma scheikunde (HAVO) — vaardigheden en meten (CvTE / Examenblad)

§ 03

Practicumtechnieken#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

De stappen van een titratie

De stappen van een titratieGraaf, buret vullen → monster pipetteren, monster pipetteren → indicator toevoegen, indicator toevoegen → druppelen tot omslag, druppelen tot omslag → buretstand aflezen, buretstand aflezen → concentratie berekenenburet vullenmonsterpipetterenindicatortoevoegendruppelen totomslagburetstandaflezenconcentratieberekenen
Afb. 3De stappen van een titratie in volgorde: vul de buret met de titrant, pipetteer het monster in de erlenmeyer, voeg een indicator toe, druppel tot het omslagpunt, lees de buretstand af en bereken de concentratie met de molverhouding.

Kernpunten

Een veelvoorkomende taak is het maken van een oplossing met een bekende concentratie. Dat gaat in drie stappen: eerst weeg je de benodigde massa vaste stof nauwkeurig af (afwegen), dan los je die op in wat water in een maatkolf (oplossen), en ten slotte vul je met water precies aan tot de maatstreep (aanvullen tot volume). De concentratie reken je uit met c=nVc = \dfrac{n}{V}c=Vn​, waarbij het aantal mol volgt uit n=mMn = \dfrac{m}{M}n=Mm​ met de molaire massa uit BINAS. Belangrijk is dat je exact tot de streep aanvult en niet meer of minder water gebruikt, want alleen dan klopt het volume en dus de concentratie. Voor dit nauwkeurige eindvolume gebruik je een maatkolf, geen maatcilinder — precies de instrumentkeuze uit de vorige paragraaf.
Vaak wil je uit een geconcentreerde oplossing een verdunde maken. Bij verdunnen voeg je alleen oplosmiddel (water) toe; de hoeveelheid opgeloste stof (het aantal mol n) verandert daarbij niet. Omdat n=c⋅Vn = c \cdot Vn=c⋅V vóór en na het verdunnen gelijk is, geldt c1⋅V1=c2⋅V2c_1 \cdot V_1 = c_2 \cdot V_2c1​⋅V1​=c2​⋅V2​. Wil je bijvoorbeeld tien keer verdunnen, dan pipetteer je 10,0 mL van de oorspronkelijke oplossing in een maatkolf van 100,0 mL en vul je aan tot de streep. Let ook hier op de veiligheid uit de eerste paragraaf: verdun je een geconcentreerd zuur, giet dan altijd het zuur bij het water en nooit andersom, omdat er veel warmte vrijkomt en de oplossing anders kan opspatten. Verdunnen is zo een eenvoudige maar veelgebruikte techniek met een eigen rekenregel.
De titratie is de techniek om een onbekende concentratie te bepalen door een reactie met een oplossing van bekende concentratie. Je vult de buret met de oplossing van bekende concentratie (de titrant), pipetteert een nauwkeurig volume van de onbekende oplossing in een erlenmeyer en voegt een indicator toe. Daarna laat je de titrant druppelsgewijs toestromen tot de indicator van kleur verschiet: het omslagpunt. Dat markeert het equivalentiepunt, het moment waarop de reagerende stoffen precies in de verhouding van de reactievergelijking aanwezig zijn. In de figuur zie je de stappen op een rij: buret vullen, pipetteren, indicator toevoegen, druppelen tot de omslag, de buretstand aflezen en ten slotte de concentratie berekenen. Zorgvuldig aflezen en druppelen bepaalt hoe nauwkeurig je resultaat wordt.
Bij het equivalentiepunt gebruik je de molverhouding uit de reactievergelijking om de onbekende concentratie te berekenen. Uit het afgelezen buretvolume en de bekende concentratie bereken je het aantal mol titrant; via de molverhouding vind je het aantal mol van de onbekende stof, en met c=nVc = \dfrac{n}{V}c=Vn​ en het gepipetteerde volume de gezochte concentratie. Het is belangrijk om equivalentiepunt en omslagpunt niet te verwarren: het equivalentiepunt is het theoretische punt waarop de stoffen precies opgaan, terwijl het omslagpunt de zichtbare kleurverandering van de indicator is. Door een geschikte indicator te kiezen laat je die twee zo dicht mogelijk samenvallen. Je herhaalt een titratie enkele keren en neemt het gemiddelde, zodat toevallige fouten (uit de vorige paragraaf) worden uitgemiddeld.
Naast oplossen en titreren horen ook de scheidingstechnieken filtreren en destilleren tot de standaarduitrusting. Filtreren scheidt een onopgeloste vaste stof van een vloeistof: je giet het mengsel door filtreerpapier, waarbij de vaste stof als residu achterblijft en de vloeistof als filtraat doorloopt — handig bij een suspensie. Destilleren scheidt vloeistoffen op kookpunt: je verwarmt het mengsel, de stof met het laagste kookpunt verdampt het eerst, stroomt door een koeler waar de damp condenseert, en wordt als destillaat opgevangen. Een destillatie-opstelling bestaat dus uit een kolf met het mengsel, een thermometer bij de aftakking, een schuine koeler en een opvangvat. Deze technieken sluiten aan bij het onderwerp analyse- en scheidingsmethoden en zijn onmisbaar om een zuivere stof uit een mengsel te halen.
c=nVc = \dfrac{n}{V}c=Vn​

concentratie

De concentratie is het aantal mol opgeloste stof per liter oplossing; reken het volume in liter om je mol/L te krijgen.

n=mMn = \dfrac{m}{M}n=Mm​

aantal mol

Het aantal mol volgt uit de massa gedeeld door de molaire massa M (BINAS).

c1⋅V1=c2⋅V2c_1 \cdot V_1 = c_2 \cdot V_2c1​⋅V1​=c2​⋅V2​

verdunnen

Bij verdunnen blijft het aantal mol gelijk, dus concentratie maal volume is vóór en na het verdunnen even groot.

Uitgewerkt voorbeeld

Een titratie: concentratie van zoutzuur bepalen

Je titreert 25,0 mL25{,}0\ \text{mL}25,0 mL zoutzuur met natronloog van 0,100 mol/L0{,}100\ \text{mol/L}0,100 mol/L. Bij het omslagpunt is 20,0 mL20{,}0\ \text{mL}20,0 mL natronloog toegevoegd. De reactie is HCl+NaOH→NaCl+HX2O\ce{HCl + NaOH -> NaCl + H2O}HCl+NaOH​NaCl+HX2​O. Bereken de concentratie van het zoutzuur.

  1. 01Stap 1 — Bereken het aantal mol natronloog

    Reken het volume om naar liter (20,0 mL = 20,0·10⁻³ L) en gebruik n = c · V.

    n(NaOH)=c⋅V=0,100⋅20,0⋅10−3=2,00⋅10−3 moln(\ce{NaOH}) = c \cdot V = 0{,}100 \cdot 20{,}0 \cdot 10^{-3} = 2{,}00 \cdot 10^{-3}\ \text{mol}n(NaOH)=c⋅V=0,100⋅20,0⋅10−3=2,00⋅10−3 mol
  2. 02Stap 2 — Gebruik de molverhouding

    Uit de vergelijking reageert HCl met NaOH in de verhouding 1 : 1, dus n(HCl) = n(NaOH).

    n(HCl)=2,00⋅10−3 moln(\ce{HCl}) = 2{,}00 \cdot 10^{-3}\ \text{mol}n(HCl)=2,00⋅10−3 mol
  3. 03Stap 3 — Bereken de concentratie van het zoutzuur

    Deel het aantal mol HCl door het gepipetteerde volume (25,0 mL = 25,0·10⁻³ L).

    c(HCl)=nV=2,00⋅10−325,0⋅10−3=0,0800 mol/Lc(\ce{HCl}) = \dfrac{n}{V} = \dfrac{2{,}00 \cdot 10^{-3}}{25{,}0 \cdot 10^{-3}} = 0{,}0800\ \text{mol/L}c(HCl)=Vn​=25,0⋅10−32,00⋅10−3​=0,0800 mol/L

Resultaat: De concentratie van het zoutzuur is c(HCl)=0,0800 mol/Lc(\ce{HCl}) = 0{,}0800\ \text{mol/L}c(HCl)=0,0800 mol/L (3 significante cijfers), verkregen via de molverhouding 1 : 1 en het afgelezen buretvolume.

Eindexamen-focus

  • Je moet de stappen van het maken en verdunnen van een oplossing en van een titratie beschrijven en de bijbehorende berekening (c = n/V, molverhouding) uitvoeren.
  • Het SE/practicum verwacht dat je het juiste glaswerk kiest (maatkolf/pipet/buret) en het equivalentiepunt en omslagpunt van een titratie herkent.

Veelgemaakte fouten

  • Bij het maken van een oplossing de stof in een te groot volume oplossen en niet exact tot de maatstreep aanvullen; dan klopt de concentratie niet.
  • Het volume in mL laten staan in c = n/V terwijl je mol/L wilt; reken het volume eerst om naar liter.
  • Equivalentiepunt en omslagpunt door elkaar halen, of de molverhouding uit de reactievergelijking vergeten in de titratieberekening.

Actieve herhaling

Je maakt 250,0 mL natronloog met concentratie 0,200 mol/L uit vaste NaOH\ce{NaOH}NaOH (M=40,0 g/molM = 40{,}0\ \text{g/mol}M=40,0 g/mol). (a) Bereken de benodigde massa NaOH. (b) Beschrijf in stappen hoe je deze oplossing nauwkeurig maakt en welk glaswerk je gebruikt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma scheikunde (HAVO) — practicum en chemisch rekenen (CvTE / Examenblad)

§ 04

Onderzoek doen en rapporteren#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

IJklijn: absorptie tegen concentratie

IJklijn: absorptie tegen concentratieSpreidingsdiagram: absorptie E naar c (mmol/L), Gegevens: (0.5, 0.11); (1, 0.19); (1.5, 0.32); (2, 0.39); (2.5, 0.52)0.150.20.250.30.350.40.450.50.511.522.5absorptie Ec (mmol/L)
Afb. 4Een meetreeks van de absorptie E tegen de concentratie c, met een trendlijn (regressielijn) door de puntenwolk. De punten liggen dicht bij een rechte lijn door de oorsprong: het verband is recht evenredig, en de trendlijn middelt de toevallige meetfouten uit.

Kernpunten

Een experiment begint met een onderzoeksvraag: wat wil je precies te weten komen? Uit die vraag leid je een hypothese af — een toetsbaar verwacht antwoord, mét een reden, bijvoorbeeld „als de concentratie toeneemt, neemt de absorptie evenredig toe, omdat er meer deeltjes licht opnemen”. Een goede hypothese is een voorspelling die je met een meting kunt bevestigen of weerleggen, geen vage verwachting. De opzet van het onderzoek moet zó zijn dat je precies datgene onderzoekt wat je wilt, zonder dat andere invloeden je resultaat vertroebelen. Dit opzetten, uitvoeren en rapporteren van onderzoek is grotendeels een practicum- en schoolexamenvaardigheid, maar het redeneren met verbanden en grafieken dat erbij hoort, kom je ook op het centraal examen tegen.
Om een eerlijke proef te ontwerpen, benoem je de variabelen. De onafhankelijke variabele is wat je zelf bewust varieert (bijvoorbeeld de concentratie). De afhankelijke variabele is wat je als gevolg daarvan meet (bijvoorbeeld de absorptie). De constante variabelen (of controlevariabelen) zijn alle overige factoren die je gelijk houdt — temperatuur, soort stof, meetmethode — zodat een gevonden effect echt aan de onafhankelijke variabele is toe te schrijven en niet aan iets anders. Verander je meerdere dingen tegelijk, dan weet je achteraf niet welke verandering het effect veroorzaakte. Het scherp benoemen van deze drie soorten variabelen is de kern van een betrouwbare onderzoeksopzet en een klassieke examenvraag bij practicumverslagen.
Vervolgens voer je een meetreeks uit: je varieert de onafhankelijke variabele over een bereik en meet telkens de afhankelijke variabele, het liefst met herhalingen. De resultaten leg je overzichtelijk vast in een tabel, met bij elke kolom de grootheid, de eenheid en het juiste aantal significante cijfers (uit de tweede paragraaf). Eén enkele meting is nooit genoeg: pas een reeks metingen laat een verband zien en maakt zichtbaar of het patroon consistent is. Door bij elke waarde van de onafhankelijke variabele te meten, bouw je stap voor stap het beeld op van hoe de twee grootheden samenhangen. Een nette tabel is bovendien de basis voor de grafiek waarin dat verband pas echt zichtbaar wordt.
De meetreeks zet je uit in een grafiek, met de afhankelijke variabele op de verticale (y-)as en de onafhankelijke op de horizontale (x-)as. Elk punt is één meting. Je verbindt de punten níet met korte rechte stukjes, maar tekent één vloeiende trendlijn (of rechte lijn) die zo goed mogelijk door de puntenwolk loopt; die trendlijn middelt de toevallige meetfouten uit. Loopt de trendlijn recht en door de oorsprong, dan is er een recht evenredig verband, y=a⋅xy = a \cdot xy=a⋅x, met de richtingscoëfficiënt aaa als betekenisvolle helling. In de figuur zie je zo'n ijklijn: de absorptie tegen de concentratie, met de meetpunten en de trendlijn. Uit de trendlijn kun je aflezen of berekenen, bijvoorbeeld de concentratie die bij een gemeten absorptie hoort.
Ten slotte trek je een conclusie: je beantwoordt de onderzoeksvraag met de gegevens en geeft aan of het resultaat de hypothese ondersteunt. Daarbij hoort een eerlijke blik op de betrouwbaarheid. De betrouwbaarheid neemt toe naarmate je vaker herhaalt (herhaalbaarheid), meer metingen doet en de meetfouten beter beheerst; de validiteit gaat over de vraag of je werkelijk hebt gemeten wat je wilde meten. Een goede rapportage benoemt ook de onzekerheden en mogelijke foutenbronnen, in plaats van die te verzwijgen. Zo maak je van losse metingen een navolgbaar en overtuigend onderzoek. Dit hele proces van onderzoeken en rapporteren wordt vooral in het practicum en het schoolexamen geoefend en beoordeeld.
y=a⋅xy = a \cdot xy=a⋅x

recht evenredig verband

Een rechte lijn door de oorsprong: de afhankelijke grootheid y is recht evenredig met de onafhankelijke grootheid x, met a als richtingscoëfficiënt.

a=ΔyΔxa = \dfrac{\Delta y}{\Delta x}a=ΔxΔy​

richtingscoëfficiënt (helling)

De helling van de trendlijn: de verandering in de verticale grootheid gedeeld door de verandering in de horizontale, afgelezen aan twee punten op de lijn.

Uitgewerkt voorbeeld

Een richtingscoëfficiënt uit de trendlijn bepalen

Uit de ijklijn (absorptie E tegen concentratie c) lees je twee punten op de trendlijn af: (0,50 mmol/L; 0,10) en (2,50 mmol/L; 0,50). (a) Bereken de richtingscoëfficiënt. (b) Bepaal met de trendlijn de concentratie bij een gemeten absorptie E = 0,30.

  1. 01Stap 1 — Bereken de richtingscoëfficiënt

    Neem het verschil in E gedeeld door het verschil in c van de twee afgelezen punten.

    a=ΔEΔc=0,50−0,102,50−0,50=0,402,00=0,20a = \dfrac{\Delta E}{\Delta c} = \dfrac{0{,}50 - 0{,}10}{2{,}50 - 0{,}50} = \dfrac{0{,}40}{2{,}00} = 0{,}20a=ΔcΔE​=2,50−0,500,50−0,10​=2,000,40​=0,20
  2. 02Stap 2 — Stel het verband op

    De trendlijn loopt door de oorsprong, dus E = 0,20 · c (recht evenredig).

    E=0,20⋅cE = 0{,}20 \cdot cE=0,20⋅c
  3. 03Stap 3 — Bepaal de concentratie bij E = 0,30

    Los c op uit het verband door E door de richtingscoëfficiënt te delen.

    c=E0,20=0,300,20=1,5 mmol/Lc = \dfrac{E}{0{,}20} = \dfrac{0{,}30}{0{,}20} = 1{,}5\ \text{mmol/L}c=0,20E​=0,200,30​=1,5 mmol/L

Resultaat: De richtingscoëfficiënt is a=0,20a = 0{,}20a=0,20 per mmol/L, en bij een absorptie E=0,30E = 0{,}30E=0,30 hoort een concentratie c=1,5 mmol/Lc = 1{,}5\ \text{mmol/L}c=1,5 mmol/L. De trendlijn middelt de toevallige meetfouten uit, wat de bepaling betrouwbaarder maakt dan één los meetpunt.

Eindexamen-focus

  • Je moet de onafhankelijke, afhankelijke en constante variabelen benoemen en een meetreeks in een tabel en grafiek verwerken.
  • Het CE/SE verwacht dat je een trendlijn door een puntenwolk trekt, een recht evenredig verband (ijklijn) herkent, er een waarde uit afleest of berekent en de betrouwbaarheid beoordeelt.

Veelgemaakte fouten

  • De onafhankelijke en afhankelijke variabele op de verkeerde as zetten; de afhankelijke variabele hoort op de verticale (y-)as.
  • De meetpunten met rechte stukjes verbinden in plaats van één trendlijn door de puntenwolk te trekken.
  • Een conclusie trekken uit één meting; zonder herhaling en een meetreeks is de betrouwbaarheid laag.

Actieve herhaling

Je onderzoekt of de absorptie van een oplossing recht evenredig is met de concentratie. (a) Benoem de onafhankelijke en de afhankelijke variabele en één constante variabele. (b) Je meet een reeks en zet die in een grafiek; beschrijf hoe je uit de grafiek concludeert of het verband recht evenredig is. (c) Noem twee manieren om de betrouwbaarheid van je onderzoek te vergroten.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma scheikunde (HAVO) — onderzoek en rapporteren (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Veilig werken en GHS○
    • 02Meten en meetnauwkeurigheid◐
    • 03Practicumtechnieken◐
    • 04Onderzoek doen en rapporteren◐

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Veilig en praktisch experimenteren

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~22
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma scheikunde (HAVO) — veilig werken en practicum

Vorig onderwerp

Technologie en duurzaamheid

EuraStudy·Samenvattingen T·15·MMXXVI

Laatste onderwerp van dit vak — terug naar het vakoverzicht.