EuraStudy
Samenvattingen/Nederlands/Signaal- en verwijswoorden
Samenvattingen · NederlandsNL · HAVO

Signaal- en verwijswoorden

Signaalwoorden maken het verband tussen zinnen en alinea's expliciet; verwijswoorden binden de tekst doordat ze terug- of vooruitwijzen naar een antecedent. Wie deze twee soorten functiewoorden kan herkennen en gebruiken, ontsleutelt de structuur en samenhang van een zakelijke tekst en beantwoordt verwijs- en verbandvragen snel en zeker. Dit onderwerp leert je de signaalwoorden per tekstverband, de woordsoorten waarin verwijswoorden voorkomen, en de vervangproef waarmee je in het examen het juiste antecedent aanwijst.

4 Onderdelen·~21 min leestijd·3 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 3

T·0444 / 14
Examenprofiel
Signaalwoorden koppelen aan het tekstverband dat ze aangevenHet antecedent van een verwijswoord aanwijzen en controlerenVerwijzingen en referentieketens door een tekst volgen om de samenhang te begrijpen
Operatoren:benoemleg uitciteerverklaarberedeneer

basisniveau

Voor het centraal examen leesvaardigheid: gebruik signaal- en verwijswoorden om de tekst te ontsleutelen — bepaal het verband tussen zinnen, herken de structuur en wijs bij verwijsvragen met de vervangproef het juiste antecedent aan.

verhoogd niveau

Voor het schoolexamen en bij eigen schrijfvaardigheid: zet signaal- en verwijswoorden zelf bewust in om samenhangend, bondig en ondubbelzinnig te formuleren, en vermijd dubbele verwijzingen en losse, niet-verbonden zinnen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Signaal- en verwijswoorden
    • 01Signaalwoorden: de wegwijzers van de tekst○
    • 02Verwijswoorden en hun antecedent◐
    • 03Verwijzing en samenhang in de tekst◐
    • 04Signaal- en verwijswoorden in het examen◐
§ 01

Signaalwoorden: de wegwijzers van de tekst#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Signaalwoorden per verband

SignaalwoordenTabel met 2 kolommen en 8 rijen, Gegevens: Verband · Signaalwoorden; Opsomming · ten eerste, daarnaast, ook; Tegenstelling · maar, echter, toch, hoewel; Oorzaak/reden · doordat, omdat, want; Gevolg · daardoor, dus, zodat; Voorwaarde · als, mits, tenzij; Toelichting · bijvoorbeeld, namelijk, zoals; Conclusie · kortom, dus, al met al; Tijd · eerst, daarna, ten slotteVERBANDSIGNAALWOORDENOpsommingten eerste, daarnaast, ookTegenstellingmaar, echter, toch, hoewelOorzaak/redendoordat, omdat, wantGevolgdaardoor, dus, zodatVoorwaardeals, mits, tenzijToelichtingbijvoorbeeld, namelijk,zoalsConclusiekortom, dus, al met alTijdeerst, daarna, ten slotte
Afb. 1Signaalwoorden zijn de wegwijzers van een tekst: ze maken het verband tussen zinnen expliciet.

Kernpunten

Een signaalwoord is een woord of woordgroep dat het verband tussen zinnen, zinsdelen of alinea's expliciet aangeeft. Je kunt het vergelijken met een verkeersbord: het vertelt de lezer welke kant de gedachtegang op gaat — verder in dezelfde richting, juist de andere kant op, of naar een gevolg toe. Zonder signaalwoord blijft het verband impliciet en moet de lezer het zelf afleiden; mét signaalwoord wordt het verband zichtbaar gemaakt. In de zin „De maatregel is streng, maar noodzakelijk” verraadt het woordje „maar” meteen dat er een tegenstelling volgt. Signaalwoorden heten daarom ook wel verbindingswoorden of connectieven, en ze vormen het geraamte waarmee een schrijver losse zinnen tot een lopend betoog smeedt.
Elk tekstverband heeft zijn eigen vaste signaalwoorden, en die kun je het beste per groep leren (zie de tabel hieronder). Een opsomming herken je aan „ten eerste, daarnaast, bovendien, ook”; een tegenstelling aan „maar, echter, toch, hoewel, daarentegen”; een oorzaak of reden aan „doordat, omdat, want, namelijk”; een gevolg aan „daardoor, dus, zodat, daarom”; een voorwaarde aan „als, mits, tenzij, indien”. Daarnaast zijn er signaalwoorden voor een toelichting of voorbeeld („bijvoorbeeld, namelijk, zoals”), voor een conclusie of samenvatting („kortom, al met al, concluderend”) en voor tijd of chronologie („eerst, daarna, vervolgens, ten slotte”). Wie deze rijtjes paraat heeft, leest een tekst niet meer als een rij losse zinnen, maar als een keten van logisch verbonden stappen.
Belangrijk is dat één signaalwoord meer dan één functie kan hebben; de context bepaalt welk verband geldt. Het woord „dus” kan een gevolg aangeven („Het regende, dus de wedstrijd ging niet door”) maar ook een conclusie of samenvatting inleiden („Dus, alles afwegend, is uitstel de beste keuze”). Net zo geeft „terwijl” soms gelijktijdigheid in de tijd aan („Hij las terwijl de trein reed”) en soms juist een tegenstelling („Zij spaart, terwijl hij alles uitgeeft”). Ook „want” en „omdat” geven allebei een reden, maar „doordat” duidt op een oorzaak die vanzelf optreedt. Je mag een signaalwoord dus nooit blind aan één verband koppelen — lees altijd de hele zin om de functie vast te stellen.
Signaalwoorden zijn op het examen je snelste gereedschap om vragen te beantwoorden. Vraagt een opgave naar het verband tussen twee zinnen, dan zoek je eerst het signaalwoord en lees je het verband daaruit af. Moet je de zin aanwijzen waarin een tegenstelling staat, dan scan je gericht op „maar, echter, toch, daarentegen”. Ook bij het skimmen van een lange tekst helpen ze: een alinea die met „kortom” of „al met al” begint, bevat waarschijnlijk een conclusie, en een alinea die opent met „daarnaast” zet een opsomming voort. Zo sturen signaalwoorden zowel je begrip van de structuur als je tempo bij het zoeken naar antwoorden.
Tot slot twee nuances die je scherp moet houden. Ten eerste is niet elk verband gesignaleerd: tussen veel zinnen ligt een impliciet verband dat je zelf moet invullen, bijvoorbeeld een toelichting zonder „namelijk”. Ten tweede slaat een signaalwoord aan het begin van een alinea vaak terug op de vórige alinea — „toch” bovenaan een nieuwe alinea kondigt een tegenstelling met het voorgaande aan. Signaalwoorden werken daarmee niet alleen binnen één zin, maar over zinsgrenzen en alineagrenzen heen, en ze hangen direct samen met de tekststructuur en de hoofdgedachte. Wie ze beheerst, legt het skelet van de hele tekst bloot.
Uitgewerkt voorbeeld

Het tekstverband uit het signaalwoord afleiden

Lees de volgende zinnen: „De gemeente wil het centrum autovrij maken. Daardoor moeten bewoners hun auto voortaan in een randparkeergarage zetten.” Welk tekstverband leggen deze zinnen, en aan welk signaalwoord zie je dat?

  1. 01Zoek het signaalwoord

    Het verbindende woord aan het begin van de tweede zin is „daardoor”. Dat is geen opsommings- of tegenstellingswoord, dus het stuurt de gedachtegang een andere kant op.

  2. 02Bepaal de richting van het verband

    „Daardoor” hoort in de groep gevolg-signaalwoorden (samen met „dus, zodat, daarom”). De eerste zin noemt een handeling of oorzaak (de gemeente maakt het centrum autovrij); de tweede zin noemt wat daaruit voortvloeit.

  3. 03Controleer met een parafrase

    Vervang „daardoor” door „met als gevolg dat”: „De gemeente wil het centrum autovrij maken, met als gevolg dat bewoners hun auto in een randparkeergarage moeten zetten.” De zin blijft logisch, dus het is inderdaad een oorzaak-gevolgrelatie en geen reden of tegenstelling.

Resultaat: De zinnen leggen een gevolg-verband (oorzaak-gevolg): de tweede zin noemt het gevolg van de maatregel in de eerste zin. Het signaalwoord is „daardoor”.

Eindexamen-focus

  • Het centraal examen vraagt regelmatig naar het verband tussen twee zinnen of alinea's en laat je dat verband benoemen (opsomming, tegenstelling, oorzaak, gevolg, voorwaarde, enzovoort) — vaak met verwijzing naar het signaalwoord waaraan je het ziet.
  • Soms moet je zelf het passende signaalwoord kiezen waarmee twee zinnen verbonden kunnen worden, of beoordelen of een gegeven signaalwoord (bijvoorbeeld „daarentegen” of „bovendien”) het juiste verband uitdrukt.

Veelgemaakte fouten

  • Een signaalwoord automatisch aan één vast verband koppelen — bijvoorbeeld „dus” altijd als gevolg lezen terwijl het in die zin een conclusie inleidt, of „terwijl” als tijd lezen waar het een tegenstelling aangeeft.
  • Oorzaak en reden of reden en gevolg door elkaar halen: „doordat/omdat/want” leiden een oorzaak of reden in, terwijl „daardoor/dus/zodat” juist het gevolg aangeven; wie de richting van het verband omdraait, benoemt het verkeerd.

Actieve herhaling

Lees de zin: „Veel scholen schaffen de mobiele telefoon in de klas af; daardoor zouden leerlingen zich beter kunnen concentreren.” Benoem het tekstverband tussen de twee zinsdelen en citeer het signaalwoord waaraan je dat ziet.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Verwijswoorden en hun antecedent#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Verwijswoord en antecedent

VerwijzingGraaf, Antecedent (de maatregel) → Verwijswoord (die), Verwijswoord (die) → Begrip van de zinAntecedent (demaatregel)Verwijswoord(die)Begrip van dezinverwijst naar
Afb. 2Een verwijswoord verwijst terug naar een eerder genoemd woord: het antecedent.

Kernpunten

Een verwijswoord is een woord dat niet zelf de volledige betekenis draagt, maar verwijst naar een ander woord of woordgroep in de tekst. Dat woord waarnaar verwezen wordt, heet het antecedent (van het Latijnse ante, „ervoor”). In „De maatregel is omstreden. Die roept veel weerstand op” staat „die” voor „de maatregel”: je kunt „die” als het ware vervangen door zijn antecedent zonder dat de betekenis verandert. Verwijswoorden besparen de schrijver eindeloze herhaling — hij hoeft „de maatregel” niet telkens opnieuw te noemen — en houden de tekst daardoor bondig. Tegelijk leggen ze een draad tussen de zinnen, zodat de lezer begrijpt dat het nog steeds over hetzelfde onderwerp gaat (zie het schema hieronder).
Verwijswoorden komen in verschillende woordsoorten voor, en je herkent ze sneller als je die soorten kent (zie de tabel hieronder). Het persoonlijk voornaamwoord („hij, zij, het, ze, hem, haar, hen”) verwijst naar personen of zaken. Het aanwijzend voornaamwoord („deze, die, dit, dat”) wijst een eerder genoemd woord aan. Het betrekkelijk voornaamwoord („die, dat, wat, wie”) leidt een bijzin in en hoort bij het antecedent dat er meteen vóór staat. Het bezittelijk voornaamwoord („zijn, haar, hun, ons”) verwijst naar de bezitter. Ten slotte verwijzen ook bepaalde bijwoorden — de voornaamwoordelijke bijwoorden „er, hier, daar” en woorden als „zo, toen” — naar een plaats, een tijdstip of een hele situatie.
Bij de keuze tussen „die” en „dat” speelt de congruentie met het antecedent: een de-woord krijgt „die”, een het-woord krijgt „dat”. Zo hoort bij „de maatregel” het verwijswoord „die” en bij „het besluit” het verwijswoord „dat”, en hetzelfde geldt voor de aanwijzende vormen „deze” en „dit”. Deze regel is op het examen goud waard: als je twijfelt naar welk woord een „die” of „dat” verwijst, sluit je meteen alle kandidaten uit die niet hetzelfde geslacht of getal hebben. Een „dat” kan immers nooit naar een de-woord verwijzen. Congruentie in getal en geslacht is daarmee je eerste, harde controlemiddel bij het zoeken naar een antecedent.
Meestal wijst een verwijswoord terug naar iets dat er al stond — dat heet terugverwijzing (anaforische verwijzing). De normale leesrichting is dus: eerst het antecedent, daarna het verwijswoord. Toch komt ook vooruitverwijzing (kataforische verwijzing) voor, waarbij het verwijswoord vooruitloopt op iets dat nog volgt. In de zin „Dit wist niemand: de fabriek zou volgend jaar sluiten” verwijst „dit” vooruit naar de informatie ná de dubbele punt. Vooruitverwijzing wordt vaak gebruikt om spanning op te bouwen of een aankondiging te doen, en je herkent haar doordat het antecedent pas later in de tekst opduikt. Wie alleen achteruit zoekt, mist in zo'n geval het juiste antecedent.
Om in een concrete tekst het antecedent aan te wijzen combineer je drie controles: congruentie, nabijheid en betekenis. Congruentie sluit de woorden uit die qua getal of geslacht niet passen; nabijheid maakt het dichtstbijzijnde passende woord het meest waarschijnlijk; betekenis (de logica van de zin) geeft de doorslag als er meer kandidaten overblijven. Voor een betrekkelijk voornaamwoord als „die” of „dat” geldt bovendien dat het antecedent vrijwel altijd direct vóór de bijzin staat. Wanneer deze controles toch méér dan één mogelijkheid overlaten, is de verwijzing dubbelzinnig — en dat is precies het onderwerp van het volgende onderdeel.

Soorten verwijswoorden

VerwijswoordenTabel met 3 kolommen en 5 rijen, Gegevens: Soort · Voorbeelden · Verwijst naar; Persoonlijk vnw · hij, zij, het, ze · Personen of zaken; Aanwijzend vnw · dit, dat, deze, die · Eerder genoemd woord; Betrekkelijk vnw · die, dat, wat · Het antecedent ervoor; Bezittelijk vnw · zijn, haar, hun · De bezitter; Bijwoord · er, hier, daar, zo · Plaats of situatieSOORTVOORBEELDENVERWIJST NAARPersoonlijk vnwhij, zij, het, zePersonen of zakenAanwijzend vnwdit, dat, deze, dieEerder genoemd woordBetrekkelijk vnwdie, dat, watHet antecedent ervoorBezittelijk vnwzijn, haar, hunDe bezitterBijwoorder, hier, daar, zoPlaats of situatie
Afb. 3Verwijswoorden komen in verschillende woordsoorten voor; ze houden een tekst bondig en samenhangend.
Uitgewerkt voorbeeld

Het antecedent van een betrekkelijk voornaamwoord aanwijzen

Naar welk woord of welke woordgroep verwijst „die” in de zin: „De onderzoekers presenteerden een nieuwe methode die de leesvaardigheid van leerlingen meet.”?

  1. 01Bepaal de woordsoort van het verwijswoord

    „Die” leidt hier de bijzin „... de leesvaardigheid van leerlingen meet” in en is dus een betrekkelijk voornaamwoord. Bij een betrekkelijk voornaamwoord staat het antecedent vrijwel altijd direct vóór de bijzin.

  2. 02Pas de congruentieregel toe

    „Die” hoort bij een de-woord. De kandidaten vlak ervoor zijn „de onderzoekers” (de-woord, meervoud) en „een nieuwe methode” (de-woord, enkelvoud). Beide passen qua geslacht, dus congruentie alleen geeft nog geen uitsluitsel; nabijheid en betekenis moeten de doorslag geven.

  3. 03Gebruik nabijheid en betekenis

    Het woord dat direct vóór „die” staat, is „een nieuwe methode”. Inhoudelijk klopt dat ook: het is de méthode die de leesvaardigheid meet, niet de onderzoekers. „De onderzoekers” valt dus af.

  4. 04Controleer met de vervangproef

    Vervang „die” door de gekozen woordgroep: „... een nieuwe methode; een nieuwe methode meet de leesvaardigheid van leerlingen.” De zin klopt grammaticaal en inhoudelijk, dus het antecedent is juist gekozen.

Resultaat: „Die” verwijst naar de woordgroep „een nieuwe methode”: het is een betrekkelijk voornaamwoord dat congrueert met dit de-woord en er direct op volgt.

Eindexamen-focus

  • Het centraal examen toetst of je het antecedent van een verwijswoord precies kunt aanwijzen: een vraag als „Naar welk woord (of welke woordgroep) verwijst „die” in regel 14?” verwacht dat je de juiste woordgroep letterlijk overneemt.
  • Daarnaast wordt verwacht dat je de soort verwijzing en de werking ervan kunt verklaren — bijvoorbeeld uitleggen dat „dat” naar een het-woord moet verwijzen, of dat een verwijswoord vooruit in plaats van achteruit wijst.

Veelgemaakte fouten

  • De congruentieregel negeren en „die” naar een het-woord (of „dat” naar een de-woord) laten verwijzen; daardoor wordt een verkeerd, grammaticaal onmogelijk antecedent gekozen.
  • Alleen achteruit zoeken en daardoor een vooruitverwijzing missen, of het antecedent te ruim of te krap nemen (bijvoorbeeld alleen het kernwoord in plaats van de hele woordgroep waarnaar wordt verwezen).

Actieve herhaling

Lees de zinnen: „De onderzoekers presenteerden een nieuwe lesmethode. Die zou de leesvaardigheid van havoleerlingen sterk verbeteren.” Naar welke woordgroep verwijst „Die”? Beredeneer je antwoord met behulp van de congruentieregel.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Verwijzing en samenhang in de tekst#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Naast korte verwijswoorden als „die” of „het” gebruikt een schrijver vaak een samenvattende of tekstuele verwijzing: een aanwijzend voornaamwoord plus een zelfstandig naamwoord, zoals „dit probleem”, „deze ontwikkeling” of „die kwestie”. Zo'n verwijzing wijst niet terug naar één enkel woord, maar bundelt een hele voorafgaande zin, gedachte of alinea tot één begrip. In „De files worden elk jaar langer. Dit probleem kost de economie miljarden” vat „dit probleem” de hele eerste zin samen. Het bijzondere is dat het zelfstandig naamwoord meteen een stempel op die informatie drukt: door het een „probleem” te noemen, stuurt de schrijver de interpretatie van de lezer. Tekstuele verwijzing is daarmee zowel een bindmiddel als een sturend interpretatiemiddel.
Verwijzing is een van de drie manieren waarop een tekst samenhang (cohesie) krijgt; de andere twee zijn herhaling en substitutie. Bij herhaling noemt de schrijver hetzelfde woord nog eens letterlijk; bij substitutie vervangt hij het door een synoniem of een overkoepelend woord. Zo kan „de maatregel” verderop terugkomen als „het besluit”, „deze ingreep” of „de nieuwe regel” — telkens een ander woord voor dezelfde zaak. Deze afwisseling, lexicale cohesie genoemd, voorkomt eentonige herhaling en houdt de tekst toch over hetzelfde onderwerp. Wie zo'n reeks van termen voor één begrip herkent, ziet de rode draad van de alinea en kan de tekst makkelijker samenvatten.
Een verwijzing is alleen geslaagd als ze ondubbelzinnig is. Wanneer er meer dan één woord als antecedent in aanmerking komt, ontstaat ambiguïteit. In „Jan vertelde Piet dat hij gewonnen had” is volstrekt onduidelijk of „hij” naar Jan of naar Piet verwijst — beide passen qua getal en geslacht. Goede schrijvers vermijden zulke dubbelzinnigheid, bijvoorbeeld door een naam te herhalen. Op het examen los je een ambigu lijkende verwijzing op met dezelfde gereedschappen als in het vorige onderdeel: laat congruentie de onmogelijke kandidaten afvallen en gebruik daarna de betekenis en de logica van de zin om de juiste te kiezen. Als de tekst zelf geen uitsluitsel geeft, is de meest plausibele lezing het antwoord.
Verwijzing is het cement dat losse zinnen tot een samenhangend geheel maakt. Zonder verwijswoorden en samenvattende verwijzingen zou een tekst uiteenvallen in op zichzelf staande mededelingen, en zou de lezer telkens opnieuw moeten bedenken waar het over gaat. Door terug en vooruit te wijzen vormen de verwijzingen een keten — een referentieketen — die de lezer door de tekst leidt. Die ketens lopen vaak over hele alinea's: het onderwerp dat in de eerste zin wordt geïntroduceerd, wordt in de volgende zinnen met „dit”, „die ontwikkeling” of „het” steeds opgepakt. Samenhang en verwijzing zijn zo twee kanten van dezelfde medaille, en ze hangen direct samen met de alinea-indeling en de tekststructuur.
Voor het lezen levert dit een concrete strategie op: zodra je een „dit”, „deze” of „die” plus een zelfstandig naamwoord tegenkomt, vraag je je af wélke voorgaande gedachte daarmee wordt samengevat. Markeer in een lastige tekst de referentieketens, zodat je ziet hoe het onderwerp zich ontwikkelt. Deze gewoonte helpt niet alleen bij verwijsvragen, maar ook bij het bepalen van de hoofdgedachte en bij het samenvatten, waar je juist de kern van elke alinea in eigen woorden moet weergeven. Wie de verwijzingen volgt, leest een tekst zoals de schrijver hem heeft bedoeld: als één doorlopend betoog en niet als een verzameling losse zinnen.
Uitgewerkt voorbeeld

Bepalen waarnaar een samenvattende verwijzing wijst

Lees: „De gemeente kapte tientallen oude bomen voor een nieuwe parkeerplaats. Dit besluit leidde tot felle protesten in de buurt.” Naar welke informatie verwijst „dit besluit”?

  1. 01Herken het type verwijzing

    „Dit besluit” is een aanwijzend voornaamwoord plus zelfstandig naamwoord: een samenvattende (tekstuele) verwijzing. Zulke verwijzingen wijzen niet naar één los woord, maar bundelen een voorafgaande gedachte of zin.

  2. 02Zoek de voorafgaande gedachte

    De hele eerste zin beschrijft één beslissing van de gemeente: het kappen van tientallen oude bomen voor een nieuwe parkeerplaats. Dát is wat met het woord „besluit” wordt samengevat — niet alleen „bomen” of „parkeerplaats”.

  3. 03Controleer met de vervangproef

    Vervang „dit besluit” door de voorafgaande gedachte: „De beslissing om tientallen oude bomen te kappen voor een nieuwe parkeerplaats, leidde tot felle protesten.” De zin blijft kloppen, dus de verwijzing is juist geïnterpreteerd.

Resultaat: „Dit besluit” verwijst naar de hele voorafgaande zin: de beslissing van de gemeente om tientallen oude bomen te kappen voor een nieuwe parkeerplaats. Het antwoord omvat dus een hele gedachte, niet één enkel woord.

Eindexamen-focus

  • Bij samenvattende verwijzingen („dit probleem”, „deze ontwikkeling”) vraagt het examen vaak naar wát precies wordt samengevat: het antwoord is dan niet één woord, maar een hele voorafgaande zin of gedachte die je in eigen woorden of met een citaat aanduidt.
  • Er wordt getoetst of je de samenhang van een tekst doorziet: vragen naar de functie van een verwijzing, naar de referentieketen of naar het verband tussen alinea's berusten op het kunnen volgen van verwijzingen.

Veelgemaakte fouten

  • Bij een samenvattende verwijzing als „deze ontwikkeling” alleen het dichtstbijzijnde zelfstandig naamwoord aanwijzen, terwijl de verwijzing een hele zin of gedachte bundelt; daardoor wordt het antwoord te eng.
  • Een dubbelzinnige verwijzing zonder nadenken aan de eerste de beste naam of zaak koppelen, in plaats van met congruentie en de betekenis van de zin de meest plausibele kandidaat te kiezen.

Actieve herhaling

Lees de passage: „Steeds meer jongeren brengen hun avonden door achter een scherm in plaats van met vrienden. Deze ontwikkeling baart artsen zorgen.” Leg uit naar welke informatie „deze ontwikkeling” verwijst, en verklaar waarom het antwoord meer dan één woord omvat.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Signaal- en verwijswoorden in het examen#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Bij leesvaardigheid keren twee vraagtypen over dit onderwerp telkens terug. Het eerste is de verwijsvraag, die vraagt naar welk woord, welk zinsdeel of welke zin een bepaald verwijswoord in een aangegeven regel verwijst. Het tweede is de verbandvraag, die vraagt welk verband een signaalwoord als „daarentegen” legt, of met welk signaalwoord je twee zinnen het beste kunt verbinden. Beide typen kunnen als open vraag of als meerkeuzevraag worden gesteld, maar de aanpak blijft dezelfde. Wat ze toetsen, is niet je woordenschat, maar of je de samenhang van de tekst doorziet en begrijpt hoe de zinnen op elkaar aansluiten. Juist daarom zijn het onderwerpen waarop je met een vaste werkwijze bijna altijd punten kunt scoren, mits je nauwkeurig leest en precies antwoordt.
Voor de verwijsvraag is de vervangproef (substitutietoets) de betrouwbaarste methode. Je zoekt eerst het verwijswoord op de aangegeven regel op, bepaalt de woordsoort en noteert de mogelijke antecedenten in de buurt. Daarna vervang je het verwijswoord proefondervindelijk door elke kandidaat en controleer je twee dingen: klopt de zin grammaticaal (denk aan de congruentieregel „die” bij een de-woord, „dat” bij een het-woord) én klopt hij inhoudelijk? De kandidaat waarbij beide kloppen, is het antecedent. Let goed op de regelnummers in de vraag en gebruik die om de juiste zin te vinden.
Voor de verbandvraag is de signaalwoordtabel uit het eerste onderdeel je houvast. Je bepaalt eerst om welk soort verband het gaat — tegenstelling, oorzaak, gevolg, voorwaarde, opsomming, toelichting of conclusie — en je let daarbij op het signaalwoord in de tekst: „daarentegen” wijst op een tegenstelling, „bijgevolg” op een gevolg, „mits” op een voorwaarde. Vervolgens benoem je het verband met de juiste vakterm of, als de vraag daarom vraagt, in je eigen woorden. Bij een meerkeuzevraag toets je elk alternatief afzonderlijk tegen de tekst en streep je de verbanden weg die niet passen.
De manier waarop je antwoordt, bepaalt mede je punten, dus let op de operator in de vraag. Staat er „citeer”, dan schrijf je de gevraagde woordgroep letterlijk over — niet te veel en niet te weinig, precies de woorden waarnaar verwezen wordt. Staat er „benoem”, dan geef je de juiste vakterm voor het verband. Staat er „leg uit”, „verklaar” of „beredeneer”, dan onderbouw je je antwoord met een argument uit de tekst, bijvoorbeeld door te wijzen op de congruentie of op de betekenis van de zin. Een te lang of te kort citaat, of een verband dat je wel aanvoelt maar niet benoemt, kost onnodig punten.
Ten slotte zijn signaal- en verwijswoorden niet alleen het antwoord op losse vragen, maar ook je gereedschap om de hele tekst te ontsleutelen. Tijdens het oriënterend lezen verraden ze de structuur: opsommingswoorden markeren een reeks argumenten, tegenstellingswoorden een tegenwerping, conclusiewoorden de slotsom. Door bij het eerste lezen al op deze woorden te letten, bouw je sneller een beeld van het betoog en van de hoofdgedachte op, en vind je later de plek terug waar het antwoord op een detailvraag staat. Zo verbinden signaal- en verwijswoorden de afzonderlijke leesvaardigheidsvragen met je begrip van de tekst als geheel.
Uitgewerkt voorbeeld

Een verwijsvraag oplossen met de vervangproef

In een tekst staat (regel 8-9): „De school voerde een rookverbod op het plein in. Dit zorgde voor minder overlast voor omwonenden.” Naar welke informatie verwijst „Dit” in regel 9? Beantwoord de vraag met de vervangproef.

  1. 01Lokaliseer het verwijswoord

    Het gevraagde verwijswoord is „Dit” aan het begin van de zin in regel 9. Het is een aanwijzend voornaamwoord (het-vorm) en wijst dus terug naar iets in of vóór regel 8.

  2. 02Noteer de kandidaat-antecedenten

    Mogelijke antecedenten in de vorige zin zijn „de school”, „een rookverbod op het plein” en de hele gedachte „de school voerde een rookverbod op het plein in”. Omdat „Dit” hier de hele beschreven gebeurtenis kan samenvatten, is die hele gedachte de sterkste kandidaat.

  3. 03Pas de vervangproef toe

    Vervang „Dit” door de kandidaat: „Dat de school een rookverbod op het plein invoerde, zorgde voor minder overlast voor omwonenden.” De zin klopt grammaticaal én inhoudelijk — het is immers de invoering van het verbod die voor minder overlast zorgt, niet „de school” of „het plein” op zichzelf.

  4. 04Formuleer het antwoord nauwkeurig

    Geef het antecedent precies weer: „Dit” verwijst naar de hele eerste zin, namelijk het feit dat de school een rookverbod op het plein invoerde. Niet meer en niet minder dan die gedachte.

Resultaat: „Dit” (regel 9) verwijst naar de hele voorafgaande zin: het feit dat de school een rookverbod op het plein invoerde. De vervangproef bevestigt dat alleen die gedachte de zin grammaticaal en inhoudelijk kloppend maakt.

Eindexamen-focus

  • De verwijsvraag — „Naar welk(e) woord/zinsdeel/zin verwijst dit verwijswoord in regel x?” — verlangt dat je het exacte antecedent aanwijst en als citaat of nauwkeurige omschrijving weergeeft, gecontroleerd met de vervangproef.
  • De verbandvraag — het verband tussen zinnen of alinea's benoemen of het passende signaalwoord kiezen — toetst of je tekstverbanden correct herkent en met de juiste term kunt aanduiden.

Veelgemaakte fouten

  • De operator negeren: bij „citeer” toch in eigen woorden antwoorden, of bij „benoem” een omschrijving geven in plaats van de vakterm voor het verband — en daardoor punten missen ondanks een goed inzicht.
  • Bij een verwijsvraag een te ruim of te krap antwoord geven (bijvoorbeeld een hele zin citeren waar alleen de woordgroep gevraagd is) of de regelnummers in de vraag over het hoofd zien en zo het verkeerde verwijswoord behandelen.

Actieve herhaling

In de tekst staat (regel 20-21): „De voorstanders wijzen op de lagere kosten. De tegenstanders daarentegen vrezen voor de kwaliteit. Dat argument weegt voor veel ouders zwaar.” Benoem het verband dat „daarentegen” legt, en bepaal met de vervangproef naar welke woordgroep „Dat argument” verwijst.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Signaalwoorden: de wegwijzers van de tekst○
    • 02Verwijswoorden en hun antecedent◐
    • 03Verwijzing en samenhang in de tekst◐
    • 04Signaal- en verwijswoorden in het examen◐

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Signaal- en verwijswoorden

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~21
min
3
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Nederlands (HAVO)

Vorig onderwerp

Hoofdgedachte, kernzinnen en alineaverbanden

Volgend onderwerp

Standpunt en soorten argumenten

EuraStudy·Samenvattingen T·04·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.