EuraStudy
Samenvattingen/Nederlands/Argumentatieschema's
Samenvattingen · NederlandsNL · HAVO

Argumentatieschema's

Een argumentatieschema brengt de structuur van een betoog in beeld: welk standpunt wordt verdedigd en hoe de argumenten dat doen. In dit onderwerp leer je de vier basisvormen — enkelvoudige, meervoudige, nevenschikkende en onderschikkende argumentatie — herkennen, met de standaardnotatie uittekenen en gebruiken om een redenering te beoordelen. Zo zie je in één oogopslag waar een betoog sterk staat en waar de zwakke schakels zitten.

5 Onderdelen·~25 min leestijd·3 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 4

T·0666 / 14
Examenprofiel
Een argumentatiestructuur uittekenen in een schema met de standaardnotatie (1, 1.1, 1.1a, 1.1.1).Enkelvoudige, meervoudige, nevenschikkende en onderschikkende argumentatie van elkaar onderscheiden.De argumentatiestructuur gebruiken om de overtuigingskracht van een betoog te beoordelen.
Operatoren:benoemtekenleg uitanalyseerberedeneer

basisniveau

Voor het CE: herken in zakelijke teksten de argumentatiestructuur — standpunt, argumenten en hun onderlinge verband — en geef die in een eenvoudig schema weer.

verhoogd niveau

Voor het SE: gebruik deze kennis om zélf gelaagd te betogen — combineer meervoudige, nevenschikkende en onderschikkende argumentatie tot een doordachte, sluitende structuur.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 5 onderdelen▾
  1. Argumentatieschema's
    • 01Enkelvoudige argumentatie en de schemanotatie○
    • 02Meervoudige argumentatie: onafhankelijke argumenten◐
    • 03Nevenschikkende argumentatie: samen voldoende◐
    • 04Onderschikkende argumentatie: argument voor een argument◐
    • 05Een schema tekenen en de argumentatie beoordelen◐
§ 01

Enkelvoudige argumentatie en de schemanotatie#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Enkelvoudige argumentatie

EnkelvoudigGraaf, Argument 1.1 → Standpunt 1Argument 1.1Standpunt 1
Afb. 1Bij enkelvoudige argumentatie steunt één argument (1.1) het standpunt (1).

Kernpunten

Een argumentatieschema is een tekening van de redenering: het maakt zichtbaar welk standpunt iemand verdedigt en met welke argumenten hij dat doet. De eenvoudigste vorm is de enkelvoudige argumentatie: één standpunt dat door precies één argument wordt onderbouwd. Je zet het standpunt bovenaan en het argument eronder, met een pijl ertussen, zodat in één oogopslag duidelijk is wat de bewering is en wat de reden. Zo'n schema dwingt je om scherp te onderscheiden wat de schrijver beweert (het standpunt) en waaróm hij dat vindt (het argument). Het schema hieronder laat die kale basisvorm zien — alle ingewikkelder schema's in dit onderwerp zijn er uitbreidingen van.
Om over een schema te kunnen praten, gebruiken we een vaste nummering. Het standpunt krijgt altijd het nummer 1. Een argument dat het standpunt rechtstreeks steunt, krijgt het nummer 1.1; een tweede zo'n argument 1.2, een derde 1.3, enzovoort. Het cijfer vóór de punt verwijst dus naar het standpunt waar het argument bij hoort, en het cijfer ná de punt telt de argumenten. Bij enkelvoudige argumentatie blijft het simpel: je hebt alleen 1 (het standpunt) en 1.1 (het ene argument). Verderop breidt deze nummering uit met samengestelde argumenten (1.1a en 1.1b) en onderschikkende argumenten (1.1.1), maar de logica blijft steeds dezelfde: elk extra cijferlaagje betekent een stap dieper de redenering in.
In een tekst herken je enkelvoudige argumentatie aan het patroon „standpunt, want één reden”. De schrijver doet een bewering en geeft daar precies één onderbouwing voor, vaak ingeleid door een argumentatief signaalwoord als want, omdat, immers of aangezien. Neem de zin „De bibliotheek moet 's avonds open blijven, want veel scholieren kunnen er overdag niet komen.” Hier is „de bibliotheek moet 's avonds open blijven” het standpunt (1) en „veel scholieren kunnen er overdag niet komen” het enige argument (1.1). Vind je maar één reden, dan heb je met enkelvoudige argumentatie te maken.
Het uittekenen gaat in twee stappen: zet het standpunt met nummer 1 bovenaan en het argument met nummer 1.1 eronder, en trek dan een pijl van het argument náár het standpunt. De pijl wijst altijd in de richting van wat ondersteund wordt, want het argument draagt het standpunt — niet andersom. In het schema hieronder zie je precies die ene pijl van 1.1 naar 1. Door de pijl bewust te tekenen, controleer je meteen of de redenering klopt: je moet er „want” tussen kunnen lezen (1, want 1.1) en „dus” in de omgekeerde richting (1.1, dus 1).
Zuiver enkelvoudige argumentatie is in echte examenteksten zeldzaam, want één argument overtuigt meestal niet genoeg; toch is het de bouwsteen waaruit alle ingewikkelder structuren zijn opgebouwd. Wie de kale vorm „1 ← 1.1” vlot herkent, ziet straks zonder moeite hoe een schrijver méér argumenten stapelt (meervoudig), twee redenen tot één geheel combineert (nevenschikkend) of een argument zelf nog verder onderbouwt (onderschikkend). Begin bij het analyseren van een betoog daarom altijd met deze basisvraag: wat is het standpunt, en welke directe reden hoort erbij? Pas als je dat paar helder hebt, kun je de rijkere schema's uit de volgende paragrafen erop loslaten.
Uitgewerkt voorbeeld

Een enkelvoudig argumentatieschema tekenen

Geef van de volgende passage het argumentatieschema: „De gemeente moet meer laadpalen plaatsen, want anders schaffen inwoners geen elektrische auto aan.” Benoem standpunt en argument met de juiste nummers en teken de structuur.

  1. 01Stap 1 — Zoek het standpunt

    Vraag je af wat de schrijver wil dat je vindt. Dat is „de gemeente moet meer laadpalen plaatsen” — een voorschrijvend standpunt. Het krijgt nummer 1.

  2. 02Stap 2 — Zoek het argument

    Het signaalwoord „want” leidt de reden in: „anders schaffen inwoners geen elektrische auto aan.” Dat is het enige argument; het krijgt nummer 1.1.

  3. 03Stap 3 — Teken de pijl

    Omdat er maar één reden is, is dit enkelvoudige argumentatie. Zet 1 bovenaan en 1.1 eronder, en trek één pijl van 1.1 naar 1. Lees ter controle: „1, want 1.1” — dat klopt.

Resultaat: Resultaat: 1 (standpunt) „de gemeente moet meer laadpalen plaatsen” ← 1.1 (argument) „anders schaffen inwoners geen elektrische auto aan.” Eén standpunt, één argument, één pijl: dat is de kale vorm van enkelvoudige argumentatie.

Eindexamen-focus

  • Het CE verwacht dat je in een alinea het standpunt en het bijbehorende argument kunt aanwijzen en in schemavorm kunt weergeven; gebruik dan de nummering 1 voor het standpunt en 1.1 voor het argument.
  • Een vraag kan je laten uitleggen waaróm een passage enkelvoudige argumentatie bevat; je antwoord moet erop wijzen dat er precies één argument het standpunt steunt.

Veelgemaakte fouten

  • De pijl de verkeerde kant op tekenen (van standpunt naar argument); de pijl loopt altijd van het argument (1.1) naar het standpunt (1), omdat het argument het standpunt draagt.
  • Een herhaling of toelichting van het standpunt aanzien voor een tweede argument; alleen een echte reden (waar „want” voor past) telt als argument 1.1.

Actieve herhaling

Lees de zin „Onze school zou gratis schoolfruit moeten aanbieden, want gezond eten helpt leerlingen zich beter te concentreren.” Benoem het standpunt en het argument, geef ze de juiste schemanummers en teken het schema met de pijl in de goede richting.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Meervoudige argumentatie: onafhankelijke argumenten#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Meervoudige argumentatie

MeervoudigGraaf, Argument 1.1 → Standpunt 1, Argument 1.2 → Standpunt 1, Argument 1.3 → Standpunt 1Argument 1.1Argument 1.2Argument 1.3Standpunt 1
Afb. 2Bij meervoudige argumentatie steunt elk argument (1.1, 1.2, 1.3) op zichzelf het standpunt.

Kernpunten

Bij meervoudige argumentatie steunt een schrijver hetzelfde standpunt met twee of meer afzonderlijke argumenten die elk op zichzelf staan. Je nummert ze 1.1, 1.2, 1.3, en zo verder: ze hebben allemaal hetzelfde standpunt (1) boven zich, maar verder niets met elkaar te maken. In het schema hieronder loopt er daarom vanuit elk argument een eigen pijl rechtstreeks naar het standpunt. Het beslissende kenmerk is dat de argumenten onafhankelijk zijn: ze vullen elkaar niet aan, maar geven elk een eigen, losse reden om het standpunt te aanvaarden. Meervoudige argumentatie is daarmee een stapeling van zelfstandige onderbouwingen onder één bewering.
De kern van meervoudige argumentatie is de onafhankelijkheid van de argumenten, en daar hoort een handige toets bij: streep één argument weg en kijk wat er gebeurt. Blijft het standpunt ook met de overige argumenten nog overeind, dan zijn de argumenten onafhankelijk en is de argumentatie meervoudig. Stel dat iemand betoogt „We moeten meer bomen planten, want (1.1) ze nemen CO2 op, (1.2) ze geven schaduw in de zomer en (1.3) ze maken de straat mooier.” Schrap je 1.3, dan dragen 1.1 en 1.2 het standpunt nog steeds; elk argument kan op eigen kracht overtuigen. Juist die zelfstandigheid maakt het schema robuust.
In een tekst herken je meervoudige argumentatie aan opsommende signaalwoorden zoals ten eerste … ten tweede, bovendien, daarnaast, ook en verder. De schrijver somt verschillende, los van elkaar staande redenen op die allemaal hetzelfde standpunt steunen. Let op: het gaat niet om het signaalwoord op zich, maar om de inhoud — je moet kunnen vaststellen dat elke reden afzonderlijk al een grond voor het standpunt is. Zie je een rij argumenten die je in willekeurige volgorde zou kunnen lezen zonder dat de redenering instort, dan wijst dat sterk op meervoudige argumentatie.
Het schema tekent zich bijna vanzelf: zet het standpunt (1) bovenaan en eronder de argumenten 1.1, 1.2 en 1.3 naast elkaar, elk met een eigen pijl omhoog naar het standpunt. Er zijn dus net zoveel pijlen als argumenten, en die pijlen komen samen bij hetzelfde punt. In het schema hieronder zie je die typische waaier van drie losse pijlen naar één standpunt. Belangrijk is dat de argumenten onderling níét met elkaar worden verbonden — anders zou je een ander schematype tekenen, zoals je in de volgende paragraaf over nevenschikkende argumentatie zult zien.
Een schrijver kiest voor meervoudige argumentatie omdat het zijn standpunt extra stevig maakt: zelfs als de lezer één argument zwak of onjuist vindt, blijven de andere redenen het standpunt dragen. Voor het beoordelen van argumentatie is dat een belangrijk inzicht. Bij een meervoudig schema sleurt een zwakke schakel niet de hele redenering mee omlaag; je beoordeelt elk argument afzonderlijk op aanvaardbaarheid en relevantie. Dat is een wezenlijk verschil met de nevenschikkende en onderschikkende structuren uit de volgende paragrafen, waar een zwakke schakel juist wél het geheel onderuit kan halen.
Uitgewerkt voorbeeld

Meervoudige argumentatie herkennen en schematiseren

Bepaal het argumentatieschema van: „De stad zou het centrum autovrij moeten maken. Ten eerste wordt de lucht er schoner van. Ten tweede ontstaat er meer ruimte voor terrassen en winkels. Ten derde wordt het veiliger voor fietsers en voetgangers.” Nummer de argumenten en bewijs met de wegstreeptoets dat het meervoudig is.

  1. 01Stap 1 — Bepaal het standpunt

    De bewering die verdedigd wordt, is „de stad zou het centrum autovrij moeten maken.” Dat is standpunt 1.

  2. 02Stap 2 — Tel en nummer de argumenten

    De signaalwoorden „ten eerste / ten tweede / ten derde” leiden drie losse redenen in: schonere lucht (1.1), meer ruimte voor terrassen en winkels (1.2) en meer veiligheid voor fietsers en voetgangers (1.3).

  3. 03Stap 3 — Pas de wegstreeptoets toe

    Schrap 1.2: het standpunt wordt nog steeds gedragen door 1.1 en 1.3. Schrap in plaats daarvan 1.1: ook dan blijft het standpunt overeind. Elk argument steunt het standpunt dus zelfstandig — dit is meervoudige argumentatie, met drie aparte pijlen naar standpunt 1.

Resultaat: Resultaat: 1 ← 1.1, 1 ← 1.2 en 1 ← 1.3, drie onafhankelijke pijlen. Omdat het standpunt na het wegstrepen van elk willekeurig argument blijft staan, is bewezen dat de argumentatie meervoudig is.

Eindexamen-focus

  • Het CE laat je vaak vaststellen of een alinea meervoudige argumentatie bevat en hoeveel zelfstandige argumenten er zijn; tel de losse redenen en nummer ze 1.1, 1.2, 1.3.
  • Een vervolgvraag kan vragen waaróm het meervoudig is; antwoord met de onafhankelijkheidstoets — elk argument steunt het standpunt op zichzelf, dus het wegvallen van één laat de rest intact.

Veelgemaakte fouten

  • Meervoudige argumentatie verwarren met nevenschikkende argumentatie; bij meervoudig steunt elk argument zélf het standpunt, bij nevenschikkend zijn twee delen pas samen voldoende.
  • Eén argument dat in twee zinnen wordt uitgelegd, tellen als twee argumenten; tel alleen écht verschillende, op zichzelf staande redenen, niet een herformulering van dezelfde reden.

Actieve herhaling

In een betoog staat: „Een schooltuin is een goed idee. Leerlingen leren er waar voedsel vandaan komt, ze bewegen meer in de buitenlucht én de tuin maakt het schoolplein groener.” Teken het argumentatieschema, nummer de argumenten en leg met de wegstreeptoets uit waarom het meervoudige argumentatie is.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Nevenschikkende argumentatie: samen voldoende#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Nevenschikkende argumentatie

NevenschikkendGraaf, Argument 1.1a → Samen (1.1), Argument 1.1b → Samen (1.1), Samen (1.1) → Standpunt 1Argument 1.1aArgument 1.1bSamen (1.1)Standpunt 1
Afb. 3Bij nevenschikkende (samengestelde) argumentatie vormen 1.1a en 1.1b samen één argument; pas samen zijn ze voldoende.

Kernpunten

Bij nevenschikkende argumentatie — ook wel samengestelde of gecombineerde argumentatie genoemd — vormen twee (of meer) deelargumenten sámen één onderbouwing van het standpunt. Je nummert die delen 1.1a en 1.1b: de letters laten zien dat ze bij elkaar horen en samen het ene argument 1.1 opbouwen. In het schema hieronder komen 1.1a en 1.1b daarom eerst samen in één punt (1.1), en pas vanuit dat gezamenlijke punt loopt een pijl naar het standpunt. Het beslissende kenmerk is dat de delen elkaar nódig hebben: alleen sámen leveren ze een geldige reden, los van elkaar niet.
De logica achter nevenschikkende argumentatie is die van een keten: het ene deel legt een verband, het andere vult dat verband in, en pas samen sluiten ze de redenering. Neem: „Jan mag deze film niet zien, want (1.1a) de film is pas vanaf 16 jaar én (1.1b) Jan is nog maar 14.” Het eerste deel alleen („de film is vanaf 16”) zegt niets over Jan; het tweede deel alleen („Jan is 14”) zegt niets over de film. Pas samen volgt de conclusie dat Jan de film niet mag zien. Zulke deelargumenten zijn als de twee helften van een sluitende gevolgtrekking: haal je er één weg, dan valt de hele onderbouwing in duigen.
Het cruciale verschil met meervoudige argumentatie zit in diezelfde wegstreeptoets. Bij meervoudig blijft het standpunt staan als je één argument schrapt; bij nevenschikkend stort de onderbouwing in zodra je één deel weghaalt, want de delen kunnen niet zonder elkaar. Dat is meteen de manier waarop je de twee uit elkaar houdt: vraag je telkens af of een losgemaakt deel op zichzelf nog een geldige reden is. Zo niet, dan heb je met nevenschikkende (samengestelde) argumentatie te maken. Let op dat je niet op het signaalwoord „en” mag afgaan — „en” komt zowel bij meervoudige als bij nevenschikkende argumentatie voor; alleen de inhoudelijke toets geeft uitsluitsel.
In het schema teken je nevenschikkende argumentatie door de delen 1.1a en 1.1b eerst te laten samenkomen en ze daarna als één geheel (1.1) met één pijl aan het standpunt te koppelen. Zo zie je direct dat het om één gezamenlijk argument gaat en niet om twee losse. In het schema hieronder leiden 1.1a en 1.1b naar het tussenpunt „Samen (1.1)”, en van daaruit gaat één pijl naar standpunt 1. De a-/b-nummering is dus geen detail maar de kern: ze codeert dat deze argumenten alleen gezamenlijk hun werk doen.
Een schrijver gebruikt nevenschikkende argumentatie als één losse vaststelling het standpunt nog niet steunt, maar pas in combinatie met een tweede gegeven. Vaak is een van de delen een algemene regel en het andere een concreet feit dat onder die regel valt — net als in het voorbeeld van de leeftijdsgrens en de leeftijd van Jan. Dit sluit aan bij de verzwegen aanname die je bij gewone argumentatie leert: soms wordt het verbindende deel niet uitgesproken, en dan moet je het zelf als 1.1b aanvullen om de redenering rond te krijgen. Wie nevenschikkende structuren herkent, kan dus ook beter beoordelen of een betoog een noodzakelijke schakel stilzwijgend overslaat.
Uitgewerkt voorbeeld

Nevenschikkende argumentatie onderscheiden van meervoudige

Bepaal het argumentatieschema van: „Pieter moet voor dit vak een herkansing maken, want voor wie lager dan een 5,5 staat is de herkansing verplicht, en Pieter staat op een 4,8.” Nummer de argumenten en leg met de wegstreeptoets uit welk schematype dit is.

  1. 01Stap 1 — Bepaal het standpunt

    Het standpunt is „Pieter moet voor dit vak een herkansing maken.” Dat wordt nummer 1.

  2. 02Stap 2 — Splits de onderbouwing in delen

    Na „want” volgt eerst een algemene regel — „voor wie lager dan een 5,5 staat is de herkansing verplicht” — en daarna een concreet feit — „Pieter staat op een 4,8”.

  3. 03Stap 3 — Pas de wegstreeptoets toe

    Schrap het concrete feit: de regel alleen zegt niets over Pieter. Schrap de regel: dat Pieter een 4,8 staat, leidt op zichzelf niet tot een verplichte herkansing. De delen kunnen dus niet zonder elkaar; ze vormen samen één argument. Nummer ze daarom 1.1a (de regel) en 1.1b (het feit).

Resultaat: Resultaat: 1.1a en 1.1b komen samen in 1.1, en 1.1 steunt met één pijl standpunt 1. Omdat het wegstrepen van één deel de onderbouwing laat instorten, is dit nevenschikkende (samengestelde) argumentatie — geen meervoudige.

Eindexamen-focus

  • Het CE vraagt geregeld het onderscheid tussen meervoudige en nevenschikkende argumentatie; motiveer je keuze altijd met de wegstreeptoets (samen nodig betekent nevenschikkend).
  • Een vraag kan je een ontbrekend deelargument (1.1b) laten aanvullen; geef dan de verbindende premisse die samen met het genoemde deel het standpunt sluitend maakt.

Veelgemaakte fouten

  • Nevenschikkende delen als twee zelfstandige argumenten (1.1 en 1.2) nummeren; omdat ze pas samen voldoende zijn, horen ze als 1.1a en 1.1b bij één argument.
  • Afgaan op het woordje „en” om te besluiten dat iets nevenschikkend is; „en” verbindt ook losse, onafhankelijke argumenten — alleen de inhoudelijke wegstreeptoets beslist.

Actieve herhaling

Lees: „Deze maatregel is onrechtvaardig, want hij treft alleen de laagste inkomens en een maatregel die alleen de armsten raakt, is per definitie oneerlijk.” Nummer de deelargumenten, teken het schema en leg uit waarom dit nevenschikkende en geen meervoudige argumentatie is.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Onderschikkende argumentatie: argument voor een argument#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Onderschikkende argumentatie

OnderschikkendGraaf, Argument 1.1.1 → Argument 1.1, Argument 1.1 → Standpunt 1Argument 1.1.1Argument 1.1Standpunt 1
Afb. 4Bij onderschikkende argumentatie onderbouwt 1.1.1 het argument 1.1, dat op zijn beurt het standpunt steunt.

Kernpunten

Bij onderschikkende argumentatie wordt een argument zélf weer door een dieper argument onderbouwd: een argument voor een argument. Je nummert dat diepere argument 1.1.1 — het extra cijferlaagje laat zien dat het een trapje lager in de redenering zit. In het schema hieronder onderbouwt 1.1.1 het argument 1.1, dat op zijn beurt het standpunt 1 steunt; je krijgt dus een ketting van pijlen die van onder naar boven loopt. Anders dan bij nevenschikkende argumentatie, waar twee delen op hetzelfde niveau samenkomen, gaat het hier om verschillende niveaus: het ene argument staat ónder het andere.
De nummering legt de lagen precies vast. Het standpunt is 1; een direct argument is 1.1; een argument dat dát argument onderbouwt, is 1.1.1; en zo kun je desgewenst nog dieper gaan met 1.1.1.1. Elk nieuw cijfer achter een punt betekent: een stap dieper, een onderbouwing van de regel erboven. Bijvoorbeeld: „De school moet airco krijgen (1), want het wordt 's zomers te warm in de lokalen (1.1), want het gebouw heeft grote ramen op het zuiden en geen zonwering (1.1.1).” Het diepste argument verklaart waarom het bovenliggende argument waar is; samen vormen ze een redeneerketen naar het standpunt.
Onderschikkende argumentatie is nodig wanneer een argument zelf nog betwistbaar is en dus om verdere onderbouwing vraagt. Als een lezer bij argument 1.1 zou kunnen denken „is dat eigenlijk wel zo?”, dan versterkt de schrijver zijn betoog door met 1.1.1 te laten zien waaróm 1.1 klopt. Zo maakt hij een mogelijk zwakke schakel sterker en neemt hij de twijfel van de lezer weg. Een schrijver die zijn argumenten op deze manier onderbouwt, bouwt een diep en doordacht betoog op in plaats van een rij losse beweringen. Het is daarmee een teken van argumentatieve degelijkheid.
Je tekent onderschikkende argumentatie als een verticale ketting: 1.1.1 met een pijl naar 1.1, en 1.1 met een pijl naar 1. In het schema hieronder zie je die twee pijlen netjes onder elkaar. Verwar dit niet met nevenschikkende argumentatie: daar komen twee delen (1.1a en 1.1b) op hetzelfde niveau samen vóórdat ze het standpunt steunen, terwijl hier het ene argument een trapje onder het andere hangt. En verwar het evenmin met meervoudige argumentatie, waar meerdere argumenten naast elkaar rechtstreeks naar hetzelfde standpunt wijzen. De vorm van het schema — ketting, samenkomst of waaier — verraadt telkens het type.
Voor het beoordelen van argumentatie is de ketting een gevoelig punt: een onderschikkende redenering is zo sterk als haar zwakste schakel. Klopt het diepste argument 1.1.1 niet, dan zakt ook 1.1 in elkaar, en daarmee verliest het standpunt zijn steun. Bij het wegen van een betoog loont het dus om juist de onderste schakels kritisch te bekijken, want daar wordt de hele bovenbouw op gebouwd. Dit inzicht bereidt je voor op het opsporen van drogredenen: een redenering die diep lijkt maar op een ondeugdelijke onderste schakel rust, oogt overtuigender dan ze is. Wie de lagen van een schema kan onderscheiden, kan dus gerichter aanwijzen wáár een betoog rammelt.
Uitgewerkt voorbeeld

Een onderschikkende redeneerketen schematiseren

Geef het argumentatieschema van: „De gemeente moet de oude brug vervangen, want de brug is onveilig, want het staal is op meerdere plekken doorgeroest.” Nummer de lagen en teken de keten van pijlen.

  1. 01Stap 1 — Bepaal het standpunt

    Het standpunt is „de gemeente moet de oude brug vervangen.” Dat is nummer 1.

  2. 02Stap 2 — Vind het directe argument

    Het eerste „want” geeft de directe reden: „de brug is onveilig.” Dat steunt het standpunt rechtstreeks en wordt 1.1.

  3. 03Stap 3 — Vind het dieper liggende argument

    Het tweede „want” onderbouwt niet het standpunt maar het argument 1.1: „het staal is op meerdere plekken doorgeroest” legt uit wáárom de brug onveilig is. Het zit dus een laag dieper en wordt 1.1.1.

Resultaat: Resultaat: 1.1.1 naar 1.1 naar 1, een verticale ketting. Het doorgeroeste staal (1.1.1) onderbouwt de onveiligheid (1.1), die op haar beurt het standpunt (1) draagt — dat is onderschikkende argumentatie.

Eindexamen-focus

  • Het CE laat je een redeneerketen herkennen en de lagen nummeren; geef het diepere argument het nummer 1.1.1 en teken de pijlen 1.1.1 naar 1.1 en 1.1 naar 1.
  • Een vraag kan je laten uitleggen waarom een schrijver een argument verder onderbouwt; wijs erop dat het bovenliggende argument zelf betwistbaar is en met 1.1.1 wordt geschraagd.

Veelgemaakte fouten

  • Een onderschikkend argument (1.1.1) nummeren als een gewoon tweede argument (1.2); 1.1.1 steunt niet het standpunt maar het argument 1.1, en zit dus een niveau dieper.
  • De ketting de verkeerde kant op lezen; 1.1.1 onderbouwt 1.1 (van onder naar boven), niet andersom — het diepste argument is de grond, niet het gevolg.

Actieve herhaling

Lees: „We moeten zuiniger omgaan met water, want de zomers worden steeds droger, want door de klimaatverandering valt er in ons land minder regen in de zomermaanden.” Nummer standpunt en argumenten met de juiste schemalagen en teken de keten.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 05

Een schema tekenen en de argumentatie beoordelen#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Nu je de vier basistypen kent — enkelvoudig, meervoudig, nevenschikkend en onderschikkend — kun je ze combineren tot het volledige argumentatieschema van een echt betoog. Een uitgebreide tekst bevat namelijk zelden maar één type: een schrijver kan twee onafhankelijke argumenten geven (meervoudig) en er één van weer verder onderbouwen (onderschikkend) in dezelfde alinea. Het uittekenen van zo'n schema is een vaardigheid die je stap voor stap kunt aanpakken. In deze paragraaf leer je een vaste werkwijze om elke argumentatie helder in beeld te brengen en daarna te beoordelen.
De werkwijze bestaat uit vijf stappen. Zoek eerst het standpunt en geef het nummer 1. Verzamel daarna de argumenten die het standpunt rechtstreeks steunen en nummer ze voorlopig 1.1, 1.2, enzovoort. Bepaal vervolgens per argument of er nóg een onderbouwing onder hangt (dan wordt het 1.1.1) of dat twee delen pas samen voldoende zijn (dan worden ze 1.1a en 1.1b). Teken dan de pijlen, telkens van de onderbouwing náár wat onderbouwd wordt. Controleer ten slotte het hele schema door het hardop te lezen met „want” en „dus”, zodat je zeker weet dat de richting van elke pijl klopt.
De moeilijkste stap is het bepalen van het type, en daarvoor heb je twee toetsen. De wegstreeptoets onderscheidt meervoudig van nevenschikkend: blijft het standpunt staan als je één argument schrapt, dan is het meervoudig; stort de onderbouwing in, dan is het nevenschikkend en horen de delen als 1.1a en 1.1b bij elkaar. De niveautoets onderscheidt onderschikkend van de rest: vraag je af of een reden het stándpunt steunt (dan staat hij op niveau 1.1) of een ánder argument (dan staat hij een laag dieper, op 1.1.1). Met deze twee vragen kun je elk argument op de juiste plek in het schema zetten.
Een uitgetekend schema is niet alleen een nette samenvatting, maar vooral een instrument om argumentatie te beoordelen. Zodra de structuur op papier staat, wordt zichtbaar waar de zwakke schakels zitten. Bij een nevenschikkend paar weet je dat het hele argument valt als één van de twee delen niet deugt; bij een onderschikkende ketting weet je dat een ondeugdelijk diepste argument alles erboven meesleept; bij een meervoudig schema weet je juist dat één zwak argument het standpunt nog niet onderuithaalt. Het schema vertelt je dus precies waar je je kritische vragen — over aanvaardbaarheid en relevantie — het beste op kunt richten.
De structuur helpt ook bij het opsporen van drogredenen, het onderwerp dat hierop volgt. Een drogreden is een argument dat overtuigend lijkt maar bij nader inzien niet deugt, en in een schema valt zo'n schakel eerder op: je ziet waar een argument het standpunt eigenlijk niet steunt, waar een noodzakelijk deel ontbreekt, of waar een diepe onderbouwing in werkelijkheid niets verklaart. Daarmee sluit dit onderwerp de cirkel rond: van het herkennen van standpunt en argumenten, via het tekenen van de structuur, naar het kritisch beoordelen van de hele redenering. Wie een betoog kan schematiseren én wegen, beheerst de kern van de examenstof argumentatie en staat sterk bij zowel de leesvaardigheidsvragen als het zelf schrijven van een betoog.
Uitgewerkt voorbeeld

Een gemengd argumentatieschema tekenen en beoordelen

Schematiseer en beoordeel: „Onze gemeente moet investeren in een nieuw zwembad. Het oude bad is dringend aan vervanging toe, want de installaties zijn verouderd en de energiekosten rijzen de pan uit. Daarnaast trekt een modern zwembad meer bezoekers uit de regio.” Nummer alle onderdelen, benoem de typen en wijs de zwakste schakel aan.

  1. 01Stap 1 — Standpunt en directe argumenten

    Standpunt 1: „de gemeente moet investeren in een nieuw zwembad.” Twee directe argumenten steunen het: „het oude bad is dringend aan vervanging toe” (1.1) en „een modern zwembad trekt meer bezoekers uit de regio” (1.2). De wegstreeptoets laat zien dat beide het standpunt zelfstandig steunen — dus meervoudig.

  2. 02Stap 2 — De onderbouwing van 1.1 ontleden

    Achter 1.1 staat een eigen onderbouwing met „want”: de installaties zijn verouderd én de energiekosten rijzen de pan uit. Deze twee gegevens verklaren samen waaróm het bad aan vervanging toe is; ze liggen een laag dieper dan 1.1. Omdat ze gezamenlijk dat ene punt onderbouwen, nummer je ze 1.1.1a en 1.1.1b.

  3. 03Stap 3 — Teken het schema en beoordeel

    De structuur is: 1.1.1a en 1.1.1b komen samen naar 1.1, en 1.1 en 1.2 wijzen elk naar 1. Beoordeling: 1.2 (meer bezoekers) is een voorspelling die nog bewezen moet worden en is daarmee de zwakste schakel; maar omdat het schema meervoudig is, blijft het standpunt ook zonder 1.2 staan op de stevig onderbouwde 1.1.

Resultaat: Resultaat: een gemengd schema — meervoudig (1.1 en 1.2 naar 1) met een nevenschikkende onderbouwing onder 1.1 (1.1.1a en 1.1.1b samen naar 1.1). De zwakste schakel is de onbewezen voorspelling 1.2, maar dankzij de meervoudige opbouw ondermijnt dat het standpunt niet.

Eindexamen-focus

  • Het CE kan je vragen het complete argumentatieschema van een tekstfragment te tekenen, met gemengde typen; werk dan de vijf stappen af en label elk argument met het juiste nummer.
  • Een beoordelingsvraag laat je aanwijzen welk argument het zwakst is of waar de redenering rammelt; gebruik het schema om de kwetsbare schakel (een nevenschikkend deel of een diepe onderbouwing) te lokaliseren.

Veelgemaakte fouten

  • Beginnen met het nummeren van argumenten vóór het standpunt vaststaat; zonder helder standpunt (1) weet je niet wat de argumenten eigenlijk moeten steunen.
  • Alle argumenten klakkeloos als 1.1, 1.2, 1.3 op één niveau zetten; controleer met de niveau- en wegstreeptoets of er onderschikking (1.1.1) of nevenschikking (1.1a en 1.1b) in het spel is.

Actieve herhaling

Teken het volledige argumentatieschema van: „De school moet een schoolkrant oprichten. Het is goed voor de schrijfvaardigheid van leerlingen, want wie regelmatig schrijft, wordt daar beter in. Bovendien versterkt een schoolkrant het gevoel van samenhorigheid.” Nummer alle onderdelen, benoem per cluster het type en licht je keuze toe.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 05

    • 01Enkelvoudige argumentatie en de schemanotatie○
    • 02Meervoudige argumentatie: onafhankelijke argumenten◐
    • 03Nevenschikkende argumentatie: samen voldoende◐
    • 04Onderschikkende argumentatie: argument voor een argument◐
    • 05Een schema tekenen en de argumentatie beoordelen◐

0/5 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Argumentatieschema's

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~25
min
3
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Nederlands (HAVO)

Vorig onderwerp

Standpunt en soorten argumenten

Volgend onderwerp

Drogredenen en aanvaardbaarheid

EuraStudy·Samenvattingen T·06·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.