EuraStudy
Samenvattingen/Economie/Schaarste en keuze
Samenvattingen · EconomieNL · HAVO

Schaarste en keuze

Schaarste is het startpunt van de hele economie: onze behoeften zijn vrijwel onbegrensd, terwijl de middelen om ze te vervullen altijd beperkt zijn. Daardoor moet er voortdurend gekozen worden, en aan elke keuze hangt een prijs — de alternatieve kosten. Dit onderwerp bouwt die kernlogica stap voor stap op, van behoeften en productiefactoren via het maken van keuzes tot de productiemogelijkhedencurve.

3 Onderdelen·~20 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2

T·0222 / 15
Examenprofiel
Schaarste herkennen als de spanning tussen onbegrensde behoeften en beperkte middelen, en uitleggen waarom daaruit de noodzaak tot kiezen volgt.De vier productiefactoren en hun beloningen benoemen en toepassen op een concrete bedrijfs- of overheidssituatie.De alternatieve kosten van een keuze bepalen en een keuze beoordelen met marginale baten en marginale kosten.De productiemogelijkhedencurve lezen en interpreteren: efficiëntie, alternatieve kosten en economische groei.
Operatoren:leg uitberedeneerberekenverklaarinterpreteer

basisniveau

Zorg dat je de kernbegrippen — schaarste, behoeften, productiefactoren en alternatieve kosten — uit het hoofd kunt definiëren en met een eigen voorbeeld kunt illustreren.

verhoogd niveau

Redeneer met alternatieve kosten en marginale afwegingen in onbekende contexten en koppel die aan de vorm en de verschuiving van de productiemogelijkhedencurve.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 3 onderdelen▾
  1. Schaarste en keuze
    • 01Schaarste, behoeften en productiefactoren○
    • 02Keuze en alternatieve kosten◐
    • 03De productiemogelijkhedencurve◐
§ 01

Schaarste, behoeften en productiefactoren#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Kernpunten

Schaarste is het allereerste en belangrijkste begrip van de economie, en het betekent iets anders dan in het dagelijks taalgebruik. In het dagelijks leven noemen we iets schaars als er weinig van is, maar economisch gezien is iets al schaars zodra je er iets voor moet opofferen om het te krijgen. Schaarste is dus de blijvende spanning tussen onze behoeften, die samen vrijwel onbegrensd zijn, en de middelen om die behoeften te vervullen, die altijd beperkt zijn. Goud is schaars, maar gewoon drinkwater uit de kraan is dat economisch óók, want er zijn geld, leidingen en zuivering voor nodig om het bij je thuis te krijgen. Juist omdat de middelen tekortschieten voor alles wat we zouden willen, kunnen we niet alles tegelijk hebben en moeten we kiezen. Daarom wordt economie wel omschreven als de wetenschap die bestudeert hoe mensen kiezen onder schaarste — schaarste is letterlijk de reden dat het vak bestaat.
Behoeften zijn alle wensen en verlangens die mensen met goederen en diensten proberen te bevredigen, en hun kenmerk is dat ze samen vrijwel onuitputtelijk zijn. Zodra de ene behoefte is vervuld, dient de volgende zich aan: heb je een telefoon, dan wil je een betere; is je honger gestild, dan komen er wensen rond vrije tijd, wonen of reizen. We onderscheiden individuele behoeften, die één persoon voor zichzelf vervult (een broodje, een paar schoenen), van collectieve behoeften, die we alleen samen kunnen vervullen en die meestal door de overheid worden geregeld (dijken, straatverlichting, defensie). Dat behoeften in principe onbegrensd zijn terwijl de middelen begrensd blijven, is precies wat schaarste veroorzaakt; zonder die onbegrensdheid zou er niets te kiezen vallen. Het loont daarom om bij elke economische situatie eerst te benoemen wélke behoefte er speelt en met welke middelen die vervuld moet worden.
De middelen waarmee we behoeften vervullen, ontstaan door productie, en voor productie heb je productiefactoren nodig: de inzetbare bronnen waarmee goederen en diensten worden gemaakt. De economie onderscheidt er traditioneel vier, elk met een eigen beloning. Arbeid is de lichamelijke en geestelijke inspanning van mensen; de beloning ervoor heet loon. Natuur omvat alle van nature aanwezige middelen, zoals grond, water en grondstoffen; de beloning voor het beschikbaar stellen van grond heet pacht. Kapitaal staat in de economie niet voor geld maar voor kapitaalgoederen — door mensen gemaakte productiemiddelen zoals machines, gereedschap en gebouwen — en de beloning ervoor is rente (of huur). De vierde factor is ondernemerschap: het combineren van de andere drie factoren en het dragen van het risico, beloond met winst. Wie deze vier factoren met hun beloningen paraat heeft, kan in een examenopgave snel ontleden hoe in een bedrijf het inkomen ontstaat en wordt verdeeld.
Niet alles waar we behoefte aan hebben is schaars, en dat onderscheid is belangrijk. Een vrij goed is overal en in voldoende mate aanwezig, zodat je er niets voor hoeft op te offeren — het klassieke voorbeeld is de lucht die je inademt op een open veld: gratis, onbeperkt, geen keuze nodig. Een schaars of economisch goed is daarentegen maar beperkt beschikbaar, zodat er een opoffering (meestal een prijs) tegenover staat; verreweg de meeste goederen en diensten vallen in deze categorie. Het onderscheid is bovendien niet absoluut maar hangt af van plaats en tijd: schone lucht is op een afgelegen berg een vrij goed, maar in een vervuilde stad — waar je voor zuivere lucht moet betalen of verhuizen — wordt het een economisch goed. Alleen economische goederen zijn voorwerp van economisch handelen, want alleen daarbij moet er gekozen en afgewogen worden.
Deze begrippen vormen samen één sluitende redenering, en het is verstandig ze als zo'n keten te onthouden in plaats van als losse definities. Omdat behoeften onbegrensd zijn en de productiefactoren waarmee we ze vervullen beperkt, is er schaarste; omdat er schaarste is, kunnen we niet alles tegelijk en moeten we kiezen; en zodra we kiezen, geven we noodzakelijkerwijs iets anders op. Die laatste stap — wat het ons kost om voor het ene te kiezen en het andere te laten liggen — is het onderwerp van de volgende paragraaf over alternatieve kosten. Houd deze keten vast: ze is de rode draad door het hele examenonderwerp en keert in vrijwel elke economische redenering terug.
Uitgewerkt voorbeeld

De productiefactoren en hun beloningen in een bedrijf herkennen

Een bakkerij bakt en verkoopt brood. De eigenaar heeft personeel in dienst, gebruikt een winkelpand op grond in het centrum, heeft een grote oven gekocht en organiseert de hele onderneming op eigen risico. Benoem per productiefactor de inzet in deze bakkerij en de bijbehorende beloning.

  1. 01Stap 1 — Arbeid herkennen

    Het personeel dat het brood bakt en verkoopt, levert lichamelijke en geestelijke inspanning: de productiefactor arbeid. De beloning voor arbeid is loon.

  2. 02Stap 2 — Natuur en kapitaal scheiden

    De grond waarop het pand staat is de productiefactor natuur, met als beloning pacht. De oven en het gebouw zijn door mensen gemaakte productiemiddelen, dus kapitaalgoederen (kapitaal); de beloning daarvoor is rente of huur.

  3. 03Stap 3 — Ondernemerschap herkennen

    De eigenaar combineert arbeid, natuur en kapitaal en draagt het risico van de onderneming: dat is ondernemerschap. De beloning is de winst die overblijft nadat loon, pacht en rente zijn betaald.

Resultaat: Resultaat: arbeid → loon, natuur → pacht, kapitaal → rente of huur, ondernemerschap → winst. Met dit schema kun je in elke bedrijfscontext de ingezette productiefactoren en de inkomens die ze opleveren uit elkaar halen.

Eindexamen-focus

  • Je moet schaarste kunnen uitleggen als de spanning tussen onbegrensde behoeften en beperkte middelen — en waarom daaruit de noodzaak tot kiezen volgt, niet simpelweg 'er is weinig van'.
  • Het examen verwacht dat je de vier productiefactoren met hun beloningen benoemt en toepast op een concrete situatie, en dat je een vrij goed van een economisch goed onderscheidt.

Veelgemaakte fouten

  • Schaarste verwarren met 'er is weinig van'. Economisch is iets al schaars zodra er een opoffering (een prijs) tegenover staat, ook als er veel van is, zoals kraanwater.
  • Kapitaal gelijkstellen aan geld. In de economie zijn kapitaalgoederen de door mensen gemaakte productiemiddelen (machines, gebouwen, gereedschap), niet het geld zelf.
  • De beloningen door elkaar halen: loon hoort bij arbeid, pacht bij natuur (grond), rente of huur bij kapitaal en winst bij ondernemerschap.

Actieve herhaling

Een pizzakoerier bezorgt pizza's met een geleende scooter vanuit een gehuurd pand. Noem de vier productiefactoren die hier worden ingezet, geef bij elke factor de bijbehorende beloning, en leg uit of de benzine voor de scooter een vrij of een economisch goed is.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Keuze en alternatieve kosten#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Van schaarste naar alternatieve kosten

Van schaarste naar alternatieve kostenGraaf, Behoeften (oneindig) → Schaarste, Middelen (beperkt) → Schaarste, Schaarste → Keuze maken, Keuze maken → Alternatieve kostenBehoeften(oneindig)Middelen(beperkt)SchaarsteKeuze makenAlternatievekosten
Afb. 1De kernredenering van de economie in beeld: onbegrensde behoeften en beperkte middelen veroorzaken schaarste, schaarste dwingt tot een keuze, en elke keuze brengt alternatieve kosten met zich mee.

Kernpunten

Omdat schaarste ons dwingt te kiezen, is elke economische keuze tegelijk het opgeven van iets anders. Je kunt elke euro, elk uur en elke machine immers maar één keer gebruiken: besteed je een uur aan je huiswerk, dan kun je datzelfde uur niet aan sport besteden. Kiezen is in de economie daarom nooit gratis — het heeft altijd een keerzijde in de vorm van de mogelijkheden die je laat liggen. Dit klinkt vanzelfsprekend, maar het is de kern van vrijwel elke economische redenering: wie een keuze beoordeelt, moet niet alleen kijken naar wat hij krijgt, maar vooral naar wat hij ervoor opgeeft. Dat opgegeven alternatief krijgt in de economie een eigen naam en een centrale rol.
De alternatieve kosten — ook wel opofferingskosten genoemd — van een keuze zijn de waarde van het beste alternatief dat je door die keuze laat schieten. Let op het woord 'beste': het gaat niet om de optelsom van alles wat je opgeeft, maar om dat ene alternatief dat je anders gekozen zou hebben. Stel dat je met je avond óf kunt werken (waarde 30 euro) óf kunt gamen (door jou gewaardeerd op 20 euro): kies je voor de bioscoop, dan zijn de alternatieve kosten 30 euro, want werken was je beste alternatief — de 20 euro van het gamen telt niet apart mee. Alternatieve kosten zijn het meest centrale begrip van de economie, omdat ze de échte prijs van een keuze meten: niet alleen het geld dat je uitgeeft, maar de waarde van de kans die je opoffert. Telkens als je je afvraagt 'is dit het waard?', vergelijk je in feite de opbrengst van je keuze met de alternatieve kosten ervan.
Rationele keuzes maak je in de economie niet in één keer als 'alles of niets', maar stap voor stap aan de marge — je weegt telkens één extra eenheid af. Daarbij vergelijk je de marginale baten (de extra opbrengst van één eenheid méér) met de marginale kosten (de extra kosten van diezelfde eenheid). De beslisregel luidt: ga door zolang de marginale baten minstens zo groot zijn als de marginale kosten (MB≥MKMB \geq MKMB≥MK), en stop bij het punt waar ze gelijk zijn (MB=MKMB = MKMB=MK), want daarná kost elke extra eenheid méér dan ze oplevert. Een voorbeeld: studeer je voor een toets, dan levert het eerste uur veel extra punten op, maar het tiende uur nog maar weinig — zodra dat tiende uur je minder oplevert dan het je aan moeheid en gemiste vrije tijd kost, kun je beter stoppen. Door aan de marge te denken voorkom je de denkfout dat 'meer' altijd beter is; het optimum ligt waar de laatste stap zichzelf nog net terugverdient.
Om in een ingewikkelde werkelijkheid toch helder te kunnen redeneren, gebruiken economen het denkgereedschap ceteris paribus, Latijn voor 'overige factoren gelijkblijvend'. Je verandert dan in gedachten één ding en houdt al het andere bewust constant, zodat je het zuivere effect van dat ene ding kunt zien. Wil je bijvoorbeeld weten wat een hogere prijs met de gevraagde hoeveelheid doet, dan neem je aan dat inkomens, voorkeuren en andere prijzen niet veranderen — anders weet je nooit welk effect waardoor komt. Ceteris paribus is geen bewering dat de rest écht stilstaat, maar een vereenvoudiging die een redenering hanteerbaar maakt. Je komt deze aanname overal in de economie tegen, vooral bij vraag en aanbod, en het is belangrijk om expliciet te benoemen dat je haar maakt.
Al deze inzichten komen samen in een bekende economische wijsheid: 'gratis bestaat niet' (in het Engels: there is no such thing as a free lunch). Zelfs iets wat geen geld kost, kost namelijk iets, want de tijd, ruimte of middelen die je eraan besteedt hadden ook ergens anders heen gekund — er zijn altijd alternatieve kosten. Een 'gratis' middag op de bank kost je de verdienste of de studie die je in die tijd had kunnen doen; een 'gratis' parkeerplek kost de gemeente grond die ook anders gebruikt kon worden. Het schema hiernaast vat de hele redenering samen: onbegrensde behoeften en beperkte middelen leiden tot schaarste, schaarste dwingt tot kiezen, en kiezen brengt alternatieve kosten met zich mee. Met dat besef in de hand kun je in de volgende paragraaf de productiemogelijkhedencurve lezen, die de alternatieve kosten zelfs zichtbaar maakt in een grafiek.
alternatieve kosten=waarde van het beste niet-gekozen alternatief\text{alternatieve kosten} = \text{waarde van het beste niet-gekozen alternatief}alternatieve kosten=waarde van het beste niet-gekozen alternatief

alternatieve kosten (opofferingskosten)

De echte kosten van een keuze zijn de waarde van het beste alternatief dat je opgeeft — niet de som van alle alternatieven samen.

MB≥MK  ⇒  wel doen,MB=MK  ⇒  optimumMB \geq MK \;\Rightarrow\; \text{wel doen}, \qquad MB = MK \;\Rightarrow\; \text{optimum}MB≥MK⇒wel doen,MB=MK⇒optimum

marginale beslisregel

Voer een activiteit uit zolang de marginale baten minstens zo groot zijn als de marginale kosten; het optimum ligt precies waar ze aan elkaar gelijk zijn.

Uitgewerkt voorbeeld

De alternatieve kosten van een avond naar de bioscoop

Je hebt vanavond drie uur vrij. Je kunt die tijd gebruiken om te werken voor 10 euro per uur, of je gaat naar de bioscoop; een kaartje kost 12 euro. Werken is je beste alternatief voor de bioscoop. Bepaal de alternatieve kosten van de bioscoopavond en de totale economische kosten ervan.

  1. 01Stap 1 — Bepaal het beste alternatief

    Het beste alternatief voor de bioscoop is drie uur werken. Reken eerst uit wat dat zou opleveren: drie uur tegen 10 euro per uur.

    3×10=303 \times 10 = 303×10=30
  2. 02Stap 2 — Bepaal de zuivere alternatieve kosten

    De alternatieve kosten zijn de waarde van dat beste opgegeven alternatief: de 30 euro aan verdienste die je misloopt door niet te werken.

    alternatieve kosten=30\text{alternatieve kosten} = 30alternatieve kosten=30
  3. 03Stap 3 — Tel de directe uitgave erbij

    Naast de gemiste verdienste betaal je ook nog 12 euro voor het kaartje. De gemiste verdienste en de uitgave samen vormen de totale economische kosten.

    30+12=4230 + 12 = 4230+12=42

Resultaat: Resultaat: de zuivere alternatieve kosten van de bioscoopavond zijn 30 euro (de best opgegeven besteding van je tijd); tel je het kaartje van 12 euro erbij, dan zijn de totale economische kosten 42 euro. Het kaartje alleen — 12 euro — is dus een veel te lage schatting van wat de avond je werkelijk kost.

Eindexamen-focus

  • Je moet de alternatieve kosten van een keuze kunnen bepalen als de waarde van het beste niet-gekozen alternatief — en die onderscheiden van de directe uitgave.
  • Het examen verwacht dat je een keuze aan de marge beoordeelt: vergelijk de marginale baten met de marginale kosten en herken het optimum bij MB=MKMB = MKMB=MK.

Veelgemaakte fouten

  • Bij de alternatieve kosten álle opgegeven alternatieven optellen. Je rekent alleen met de waarde van het béste niet-gekozen alternatief.
  • De directe uitgave en de alternatieve kosten verwarren. De prijs die je betaalt is maar een deel; de gemiste opbrengst van het beste alternatief hoort er ook bij.
  • Denken dat 'meer' altijd beter is. Een keuze is pas optimaal aan de marge, waar de marginale baten gelijk worden aan de marginale kosten (MB=MKMB = MKMB=MK).

Actieve herhaling

Je hebt zaterdag vrij en kunt kiezen: een dag werken voor 80 euro, een dag studeren (door jou gewaardeerd op 50 euro) of een dag naar het strand (gewaardeerd op 60 euro). Je kiest het strand. Bepaal de alternatieve kosten van die keuze en licht toe waarom je niet 110 euro als antwoord geeft.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

De productiemogelijkhedencurve#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

De productiemogelijkhedencurve

ProductiemogelijkhedencurveSchaubild von PMC, Nullstellen bei x = 10, y-Achsenabschnitt bei y = 10, fallend, im Bereich x von 0 bis 1024681024681012B (efficient)A (inefficient)C (onbereikbaar)PMCgoed 2 (kapitaalgoederen)goed 1 (consumptiegoederen)
Afb. 2Punt B ligt op de curve en is efficiënt; punt A ligt binnen de curve en is inefficiënt (er blijven productiefactoren onbenut); punt C ligt buiten de curve en is met de huidige middelen onbereikbaar. De bolle vorm weerspiegelt de toenemende alternatieve kosten.

Kernpunten

De productiemogelijkhedencurve (PMC, in het Engels de production possibility curve) is een grafiek die voor twee goederen laat zien welke combinaties een land of bedrijf met de beschikbare productiefactoren maximaal kan maken. Op de assen zet je telkens de hoeveelheid van één goed — bijvoorbeeld consumptiegoederen op de horizontale as en kapitaalgoederen op de verticale as. De curve verbindt alle combinaties waarbij álle productiefactoren volledig en efficiënt worden ingezet: meer van het ene goed kan dan alleen nog door minder van het andere te maken. De PMC is daarmee een beeld van schaarste op het niveau van een hele economie, want de begrenzing van de curve is precies de begrenzing van de beschikbare middelen. Ze is bovendien het ideale gereedschap om de begrippen efficiëntie, alternatieve kosten en economische groei in één figuur samen te brengen.
De ligging van een punt ten opzichte van de curve vertelt je meteen hoe de economie ervoor staat. Een punt óp de curve is efficiënt: alle productiefactoren worden benut en je haalt het maximale uit de beschikbare middelen. Een punt bínnen de curve is inefficiënt — er blijven productiefactoren onbenut, bijvoorbeeld door werkloosheid of stilstaande machines, zodat er van beide goederen méér gemaakt had kunnen worden. Een punt búíten de curve is met de huidige middelen onbereikbaar: zo'n combinatie zou meer productiefactoren of betere techniek vergen dan er nu zijn. In de figuur hiernaast ligt punt B op de curve (efficiënt), ligt A binnen de curve (inefficiënt, er valt nog winst te halen) en ligt C buiten de curve (voorlopig onbereikbaar). Met dit onderscheid kun je elke combinatie razendsnel beoordelen.
Het mooie van de PMC is dat ze de alternatieve kosten letterlijk zichtbaar maakt in haar helling. Beweeg je langs de curve naar rechts — één extra eenheid van goed 1 — dan moet je een stukje van goed 2 inleveren; precies díe opgegeven hoeveelheid is de alternatieve kostprijs van die extra eenheid. De steilheid van de curve op een punt geeft dus aan hoeveel van het ene goed je opoffert voor één extra eenheid van het andere. Loop je bijvoorbeeld van een punt met veel kapitaalgoederen naar een punt met meer consumptiegoederen, dan lees je aan de daling op de verticale as af hoeveel kapitaalgoederen die verschuiving kost. Omdat je langs de curve het ene goed alleen kunt vergroten ten koste van het andere, is de helling van de PMC niets anders dan de grafische weergave van de alternatieve kosten uit de vorige paragraaf.
De productiemogelijkhedencurve is niet recht maar bol naar buiten (hol gezien vanuit de oorsprong), en daar zit een belangrijke economische gedachte achter: toenemende alternatieve kosten. Productiefactoren zijn namelijk niet overal even geschikt. Wil je steeds méér consumptiegoederen maken, dan zet je eerst de factoren in die zich daar goed voor lenen, maar daarna moet je ook factoren overhevelen die eigenlijk veel geschikter waren voor kapitaalgoederen. Daardoor kost elke volgende extra eenheid consumptiegoederen je telkens méér opgeofferde kapitaalgoederen — de alternatieve kosten lopen op naarmate je verder in één richting doorgaat. Die oplopende opoffering maakt de curve steeds steiler en geeft hem zijn karakteristieke bolle vorm; een kaarsrechte PMC zou juist constante alternatieve kosten betekenen, wat in de praktijk zelden klopt.
Tot slot laat de PMC zien wat economische groei eigenlijk is: een verschuiving van de hele curve naar buiten. Zo'n verschuiving betekent dat de economie nu combinaties kan maken die eerst onbereikbaar waren, en ze ontstaat door méér of betere productiefactoren — een groeiende beroepsbevolking, extra of modernere machines, of technologische vooruitgang die de factoren productiever maakt. Een punt als C, dat vandaag buiten de curve ligt, kan na zulke groei wél op of binnen de nieuwe curve komen te liggen en dus bereikbaar worden. Let op het verschil met het opvullen van onbenutte capaciteit: van een inefficiënt punt A naar de bestaande curve bewegen is géén groei maar beter benutten van wat er al is, terwijl de hele curve naar buiten schuiven juist méér mogelijkheden schept. Met de PMC heb je daarmee één figuur waarin schaarste, efficiëntie, alternatieve kosten én groei samenkomen — de hele logica van dit onderwerp in één beeld.
helling PMC=Δ goed 2Δ goed 1=alternatieve kosten van goed 1\text{helling PMC} = \frac{\Delta\,\text{goed 2}}{\Delta\,\text{goed 1}} = \text{alternatieve kosten van goed 1}helling PMC=Δgoed 1Δgoed 2​=alternatieve kosten van goed 1

helling van de PMC

De helling geeft aan hoeveel van goed 2 je opoffert voor één extra eenheid van goed 1 — precies de alternatieve kosten van dat extra goed.

Uitgewerkt voorbeeld

Punten op, binnen en buiten de PMC uitleggen

In de figuur ligt punt A binnen de curve, punt B op de curve en punt C erbuiten. Leg uit waarom A inefficiënt is, wat B voorstelt en waarom C voorlopig onbereikbaar is, en geef aan hoe economische groei C bereikbaar kan maken.

  1. 01Stap 1 — Punt A binnen de curve

    A ligt binnen de curve, dus er wordt minder geproduceerd dan met de beschikbare productiefactoren mogelijk is. Er zijn onbenutte middelen — denk aan werkloosheid of stilstaande machines — waardoor van beide goederen méér gemaakt zou kunnen worden. A is daarom inefficiënt.

  2. 02Stap 2 — Punt B op de curve

    B ligt op de curve, waar alle productiefactoren volledig en efficiënt worden benut. Meer van het ene goed kan hier alleen nog door minder van het andere te maken; B stelt dus een efficiënte productiecombinatie voor.

  3. 03Stap 3 — Punt C buiten de curve

    C ligt buiten de curve en vergt meer productiefactoren of betere techniek dan er nu beschikbaar zijn. Met de huidige middelen is C daarom onbereikbaar.

  4. 04Stap 4 — Groei maakt C bereikbaar

    Bij economische groei — meer of betere productiefactoren, of nieuwe technologie — schuift de hele curve naar buiten. Komt de nieuwe curve voorbij C te liggen, dan wordt C alsnog haalbaar.

Resultaat: Resultaat: A is inefficiënt (onbenutte productiefactoren), B is een efficiënte combinatie op de grens van wat mogelijk is, en C is nu onbereikbaar. Pas wanneer economische groei de hele curve naar buiten verschuift, kan een punt als C binnen het bereik van de economie komen.

Eindexamen-focus

  • Je moet punten op, binnen en buiten de PMC kunnen duiden als respectievelijk efficiënt, inefficiënt (onbenutte productiefactoren) en onbereikbaar.
  • Het examen verwacht dat je de helling van de PMC uitlegt als de alternatieve kosten, de bolle vorm verklaart uit toenemende alternatieve kosten, en een verschuiving naar buiten herkent als economische groei.

Veelgemaakte fouten

  • Een punt binnen de curve 'goed' noemen omdat het haalbaar is. Het is juist inefficiënt: er blijven productiefactoren onbenut, dus er kan van beide goederen meer.
  • Een beweging van binnen de curve náár de curve toe economische groei noemen. Dat is alleen beter benutten van bestaande middelen; groei is een verschuiving van de hele curve naar buiten.
  • Denken dat de bolle vorm willekeurig is. Ze volgt uit toenemende alternatieve kosten, doordat productiefactoren niet overal even geschikt zijn.

Actieve herhaling

Teken een productiemogelijkhedencurve met consumptiegoederen en kapitaalgoederen op de assen. Plaats een efficiënt punt, een inefficiënt punt en een onbereikbaar punt, leg per punt uit waarom het daar ligt, en laat met een pijl zien wat er met de curve gebeurt bij economische groei.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 03

    • 01Schaarste, behoeften en productiefactoren○
    • 02Keuze en alternatieve kosten◐
    • 03De productiemogelijkhedencurve◐

0/3 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Schaarste en keuze

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~20
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma economie (HAVO)

Vorig onderwerp

Economische vaardigheden en rekenen

Volgend onderwerp

Ruil, arbeidsverdeling en geld

EuraStudy·Samenvattingen T·02·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.