EuraStudy
Samenvattingen/Economie/Marktvormen: volledige en onvolledige mededinging
Samenvattingen · EconomieNL · HAVO

Marktvormen: volledige en onvolledige mededinging

De marktvorm beschrijft de structuur van een markt en wordt bepaald door vier kenmerken: het aantal aanbieders, de aard van het product, de toetredingsmogelijkheden en de mate van marktmacht. Met die kenmerken onderscheid je vier marktvormen — volledige mededinging, monopolie, oligopolie en monopolistische concurrentie — die elk een eigen prijsvorming en doelmatigheid kennen. Dit onderwerp bouwt die indeling stap voor stap op: van de vier kenmerken via het ideaalmodel van de volkomen concurrentie tot de drie vormen van onvolledige mededinging.

3 Onderdelen·~22 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2

T·0555 / 15
Examenprofiel
De vier kenmerken benoemen waarmee een markt wordt ingedeeld, en daarmee een beschreven markt aan de juiste marktvorm koppelen.Het verschil tussen een prijsnemer en een prijszetter uitleggen, inclusief de horizontale en de dalende afzetlijn die daarbij horen.Volledige mededinging als ijkpunt gebruiken: verklaren waarom prijs, gemiddelde opbrengst en marginale opbrengst voor een prijsnemer samenvallen, en waarom vrije toetreding de winst tot normale winst terugbrengt.Monopolie, oligopolie en monopolistische concurrentie vergelijken op aanbieders, toetreding, marktmacht en doelmatigheid, en de onderlinge afhankelijkheid in een oligopolie verklaren.
Operatoren:leg uitverklaarberedeneervergelijkinterpreteer

basisniveau

Zorg dat je de vier kenmerken en de vier marktvormen uit het hoofd kent en met de overzichtstabel een beschreven markt kunt indelen; ken bovendien het verschil tussen een prijsnemer en een prijszetter en de afzetlijn die bij elk hoort.

verhoogd niveau

Redeneer met de afzetlijnen en met de opbrengstbegrippen — prijs gelijk aan gemiddelde en marginale opbrengst bij een prijsnemer, marginale opbrengst onder de prijs bij een prijszetter — in onbekende contexten, en beoordeel de doelmatigheid van een marktvorm ten opzichte van volledige mededinging, inclusief de onderlinge afhankelijkheid en kartelvorming bij een oligopolie.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 3 onderdelen▾
  1. Marktvormen: volledige en onvolledige mededinging
    • 01Wat bepaalt de marktvorm○
    • 02Volledige (volkomen) mededinging◐
    • 03Onvolledige mededinging: monopolie, oligopolie en monopolistische concurrentie◐
§ 01

Wat bepaalt de marktvorm#

●○○BasisLPexamenblad-nl

De vier marktvormen vergeleken

MarktvormenTabel met 5 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Marktvorm · Aanbieders · Product · Toetreding · Prijszetter; Volk. mededinging · zeer veel · homogeen · vrij · nee; Monopolie · een · uniek · geblokkeerd · ja; Oligopolie · enkele · homo/hetero · belemmerd · ja; Monop. concur. · veel · heterogeen · vrij · beperktMARKTVORMAANBIEDERSPRODUCTTOETREDINGPRIJSZETTERVolk. mededingingzeer veelhomogeenvrijneeMonopolieeenuniekgeblokkeerdjaOligopolieenkelehomo/heterobelemmerdjaMonop. concur.veelheterogeenvrijbeperktDe vier marktvormen vergeleken
Afb. 1Lees per marktvorm de vier kenmerken van links naar rechts af: het aantal aanbieders, de aard van het product, de toetreding en de mate van marktmacht (prijszetter). Deze tabel is je vaste checklist om een beschreven markt in te delen.

Kernpunten

Een markt is de plek — fysiek of digitaal — waar vragers en aanbieders van een bepaald goed elkaar ontmoeten en waar de prijs tot stand komt. Niet elke markt werkt hetzelfde: op de ene markt zijn er duizenden kleine aanbieders die geen van allen iets aan de prijs kunnen veranderen, op de andere is er maar één partij die de hele markt bedient. De marktvorm beschrijft die structuur van een markt, en in het economieprogramma wordt die structuur door vier kenmerken bepaald: (1) het aantal aanbieders, (2) de aard van het product, (3) de toetredingsmogelijkheden en (4) de mate van marktmacht. Wie deze vier kenmerken van een markt kent, kan bijna altijd zeggen met welke van de vier marktvormen — volledige mededinging, monopolie, oligopolie of monopolistische concurrentie — hij te maken heeft. Het is daarom slim om bij elke contextopgave eerst deze vier vragen langs te lopen.
Het eerste kenmerk is het aantal aanbieders op de markt, en dat loopt van heel veel kleine aanbieders (zoals duizenden boeren of marktkraampjes) via enkele grote aanbieders tot precies één aanbieder. Als vuistregel geldt: hoe minder aanbieders, hoe groter de invloed die elke afzonderlijke aanbieder op de prijs heeft. Het tweede kenmerk is de aard van het product: is het homogeen of heterogeen? Een homogeen (identiek) product is bij elke aanbieder precies hetzelfde, zodat de koper niet eens kan zien van wie hij koopt — denk aan een kilo tarwe of een liter ruwe olie. Een heterogeen (gedifferentieerd) product verschilt juist per aanbieder in merk, vormgeving, kwaliteit of service, zoals sportschoenen of frisdrank; daardoor kan een aanbieder zich onderscheiden en een eigen kring klanten opbouwen. Hoe homogener het product, hoe minder een aanbieder zich kan permitteren een hogere prijs te vragen dan de rest, want de koper stapt anders moeiteloos over.
Het derde kenmerk is de toetredingsmogelijkheid: hoe makkelijk kan een nieuwe aanbieder de markt op? Bij vrije toetreding zijn er geen noemenswaardige drempels — iedereen die wil, kan beginnen, zoals met een nieuwe marktkraam of een nieuwe webwinkel. Bij belemmerde of geblokkeerde toetreding zijn er juist hoge drempels: een octrooi (patent) dat anderen verbiedt het product na te maken, enorme begininvesteringen, schaalvoordelen die alleen een heel grote producent haalt, of een wettelijk verbod op concurrentie. Toetreding is het kenmerk dat bepaalt wat er op de lange termijn gebeurt: zijn er hoge winsten te halen en is toetreding vrij, dan stromen er net zo lang nieuwe aanbieders bij tot die extra winst weer verdwenen is. Is toetreding geblokkeerd, dan kan een aanbieder een hoge winst juist langdurig vasthouden, want er komt niemand bij om hem te beconcurreren. Vrije toetreding is daarmee de motor achter de tucht van de markt.
Het vierde kenmerk vat de andere drie eigenlijk samen in één begrip: de mate van marktmacht, oftewel de invloed die een aanbieder op de prijs heeft. Hier staan twee uitersten tegenover elkaar. Een prijsnemer heeft géén marktmacht: hij is zo klein ten opzichte van de hele markt dat hij de marktprijs als een gegeven moet aanvaarden en zelf niets aan die prijs kan veranderen — hij neemt de prijs zoals die op de markt ligt. Een prijszetter heeft wél marktmacht: hij is groot genoeg, of zijn product is bijzonder genoeg, om zelf invloed op de prijs uit te oefenen door meer of minder aan te bieden. Dit verschil zie je terug in de afzetlijn (de vraaglijn) waar een aanbieder mee te maken heeft: een prijsnemer kijkt naar een horizontale afzetlijn op de marktprijs (hij kan elke hoeveelheid kwijt tegen die ene prijs, maar niets tegen een hogere), terwijl een prijszetter een dalende afzetlijn ziet (wil hij meer verkopen, dan moet hij de prijs verlagen). Die twee afzetlijnen werk je in het volgende onderwerp grafisch verder uit.
Combineer je deze vier kenmerken, dan rollen daar vier marktvormen uit, die je in de tabel hiernaast naast elkaar ziet. Bij volledige (volkomen) mededinging zijn er zeer veel aanbieders van een homogeen product, is toetreding vrij en is elke aanbieder prijsnemer. Bij een monopolie is er precies één aanbieder van een uniek product, is toetreding geblokkeerd en is de aanbieder volledig prijszetter. Een oligopolie zit daartussenin: enkele grote aanbieders, een product dat homogeen of heterogeen kan zijn, belemmerde toetreding en aanbieders die prijszetter zijn maar scherp op elkaar letten. Bij monopolistische concurrentie ten slotte zijn er veel aanbieders van een heterogeen product, is toetreding vrij en heeft elke aanbieder slechts beperkte marktmacht via zijn eigen merk. Onthoud deze tabel als je vaste checklist: lees per situatie de vier kenmerken af, en de marktvorm volgt er bijna vanzelf uit.
Uitgewerkt voorbeeld

Welke marktvorm hoort bij welke situatie?

Bepaal voor elk van de volgende drie situaties de marktvorm, en motiveer telkens met de vier kenmerken: (a) heel veel boeren verkopen identieke tarwe tegen de prijs die op de wereldmarkt geldt; (b) in een stad zorgt één waterleidingbedrijf, dat als enige het leidingnet bezit, voor al het kraanwater; (c) enkele grote telecombedrijven bieden samen vrijwel alle mobiele abonnementen aan.

  1. 01Stap 1 — Situatie (a) langs de vier kenmerken

    Heel veel kleine aanbieders, een homogeen product (tarwe is overal hetzelfde), vrije toetreding en geen invloed op de prijs: de boeren zijn prijsnemer. Alle vier de kenmerken wijzen op volledige (volkomen) mededinging.

  2. 02Stap 2 — Situatie (b) langs de vier kenmerken

    Precies één aanbieder, een uniek product zonder echt alternatief, geblokkeerde toetreding (het leidingnet is niet rendabel of toegestaan om te dupliceren) en volledige invloed op de prijs. Dit is een monopolie — door het netwerk zelfs een natuurlijk monopolie.

  3. 03Stap 3 — Situatie (c) langs de vier kenmerken

    Enkele grote aanbieders die samen de hele markt bedienen, belemmerde toetreding (hoge investeringen in netwerk en licenties) en marktmacht, maar met sterke onderlinge afhankelijkheid omdat ze met zo weinig zijn. Dit is een oligopolie.

Resultaat: Resultaat: (a) volledige mededinging, (b) monopolie, (c) oligopolie. Door telkens dezelfde vier kenmerken — aantal aanbieders, aard van het product, toetreding en marktmacht — af te lopen, deel je vrijwel elke beschreven markt betrouwbaar in.

Eindexamen-focus

  • Je moet de vier kenmerken — aantal aanbieders, aard van het product, toetreding en marktmacht — kunnen benoemen en met die kenmerken een beschreven markt in de juiste marktvorm indelen.
  • Het examen verwacht dat je het verschil tussen een prijsnemer en een prijszetter uitlegt, inclusief de vorm van de afzetlijn (horizontaal voor de prijsnemer, dalend voor de prijszetter) die daarbij hoort.

Veelgemaakte fouten

  • Alleen op het aantal aanbieders letten. Niet het aantal alleen, maar de combinatie met productsoort, toetreding en marktmacht bepaalt de marktvorm — een oligopolie en monopolistische concurrentie hebben allebei meer dan één aanbieder, maar verschillen in product en toetreding.
  • Homogeen en heterogeen omdraaien. Homogeen betekent identiek en inwisselbaar (tarwe, ruwe olie); heterogeen betekent gedifferentieerd door merk, kwaliteit of service (sportschoenen, frisdrank).
  • Denken dat een prijszetter elke prijs kan vragen. Ook een prijszetter zit vast aan zijn dalende afzetlijn: een hogere prijs betekent minder afzet — marktmacht is invloed op de prijs, geen onbeperkte macht.

Actieve herhaling

Noem de vier kenmerken waarmee je de marktvorm van een markt bepaalt. Bepaal daarna voor de markt van verse melk van één boerderij die rechtstreeks aan de fabriek levert tegen de geldende marktprijs: hoeveel aanbieders, welk soort product, welke toetreding en hoeveel marktmacht — en welke marktvorm hoort daarbij?

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Volledige (volkomen) mededinging#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Afzetlijn: prijsnemer versus prijszetter

Afzetlijn: prijsnemer vs prijszetterSchaubild von voll. mededinging, y-Achsenabschnitt bei y = 6, im Bereich x von 0 bis 120, Schaubild von monopolie (afzet), Nullstellen bei x = 120, y-Achsenabschnitt bei y = 12, fallend, im Bereich x von 0 bis 120204060801001202468101214voll.mededingingmonopolie(afzet)prijs Phoeveelheid Q
Afb. 2De horizontale gestippelde lijn is de afzetlijn van de individuele aanbieder bij volledige mededinging: hij is prijsnemer en kan bij de marktprijs elke hoeveelheid kwijt. De dalende lijn is de afzetlijn (vraag) waar een prijszetter, zoals een monopolist, mee te maken heeft: meer verkopen kan alleen tegen een lagere prijs.

Kernpunten

Volledige of volkomen mededinging is het theoretische ideaalmodel van de markt, en je herkent het aan vier strenge kenmerken die alle vier tegelijk moeten gelden. Ten eerste zijn er zeer veel kleine aanbieders en vragers, zo veel dat geen van hen in zijn eentje iets aan de marktprijs verandert. Ten tweede is het product volkomen homogeen: de tarwe van de ene boer is niet te onderscheiden van die van de andere, dus kopers kijken uitsluitend naar de prijs. Ten derde is er vrije toetreding én uittreding: nieuwe aanbieders kunnen zonder drempels de markt op, en wie wil kan er net zo makkelijk weer mee stoppen. Ten vierde is er volledige transparantie: alle vragers en aanbieders kennen alle prijzen, zodat niemand per ongeluk te veel betaalt. Deze vier voorwaarden samen zijn in de echte wereld zelden helemaal vervuld, maar markten als die voor landbouwproducten of vreemde valuta komen er dichtbij — en juist omdat het een ijkpunt is, leer je er heel veel marktlogica mee.
Het belangrijkste gevolg van die vier kenmerken is dat de individuele aanbieder een prijsnemer is: hij moet de prijs die op de hele markt tot stand komt, eenvoudigweg overnemen. Stel je een graanboer voor wiens oogst slechts een onmetelijk klein deeltje van de totale graanmarkt is. Of hij nu een ton meer of minder verkoopt, het verandert de marktprijs niet merkbaar — die prijs ligt voor hem vast als een gegeven. Daardoor heeft zijn individuele afzetlijn een bijzondere vorm: ze is horizontaal, precies op de hoogte van de marktprijs. In de figuur hiernaast is dat de gestippelde horizontale lijn; de dalende lijn ernaast hoort bij een prijszetter (zoals een monopolist) en laat zien hoe anders diens markt eruitziet. De horizontale lijn betekent dat de boer bij die ene prijs zo veel kan verkopen als hij wil, maar bij een hogere prijs helemaal niets, omdat iedereen dan naar de talloze concurrenten loopt.
Uit die horizontale afzetlijn volgt een kernrelatie die je voor het examen paraat moet hebben: bij volledige mededinging geldt voor de individuele aanbieder P=GO=MOP = GO = MOP=GO=MO, oftewel de prijs is gelijk aan de gemiddelde opbrengst én aan de marginale opbrengst. De gemiddelde opbrengst (GO) is de opbrengst per verkochte eenheid; omdat elke eenheid voor dezelfde marktprijs weggaat, is de gemiddelde opbrengst simpelweg gelijk aan die prijs. De marginale opbrengst (MO) is de extra opbrengst van één eenheid méér; ook die is gelijk aan de marktprijs, want de boer krijgt voor elke extra baal graan exact diezelfde prijs erbij, zónder de prijs te hoeven verlagen. Verkoopt hij bijvoorbeeld tegen 6 euro per baal, dan levert elke extra baal precies 6 euro op en is de gemiddelde opbrengst ook 6 euro — vandaar dat prijs, gemiddelde opbrengst en marginale opbrengst hier samenvallen. Dit is precies wat een prijszetter níét heeft: bij hem ligt de marginale opbrengst onder de prijs, omdat hij voor extra afzet de prijs moet laten zakken.
Op de lange termijn zorgt de vrije toetreding ervoor dat de winst naar nul wordt gedreven, en die redenering is een mooi voorbeeld van marktwerking. Stel dat de graanboeren door een hoge prijs flinke overwinst maken: omdat toetreding vrij is, zien buitenstaanders die winst en stappen ze in, zodat het totale aanbod stijgt. Een groter aanbod drukt de marktprijs omlaag, en dat blijft doorgaan tot de extra winst is verdwenen en alleen de zogenoemde normale winst overblijft — net genoeg beloning om door te gaan, niet meer. Maken de aanbieders juist verlies, dan stoppen er een aantal (vrije uittreding), daalt het aanbod en herstelt de prijs zich tot het punt waar de overgebleven aanbieders weer normaal renderen. Op de lange termijn pendelt een markt met volledige mededinging dus naar een evenwicht zónder overwinst: de prijs zakt tot de gemiddelde kosten. Let op het economenjargon: winst nul betekent geen overwinst boven op een normale, marktconforme vergoeding — niet dat de ondernemer helemaal niets verdient.
Juist omdat niemand marktmacht heeft, geldt volledige mededinging als de meest doelmatige (efficiënte) marktvorm, en daarom dient ze als maatstaf waarmee de andere vormen worden vergeleken. Door de concurrentie wordt de prijs tot vlak bij de kosten gedrukt, zodat consumenten zo min mogelijk betalen en er geen middelen verloren gaan aan kunstmatig hooggehouden prijzen. Bovendien dwingt de scherpe concurrentie de aanbieders zo goedkoop mogelijk te produceren, want wie te duur werkt, valt af. In de andere drie marktvormen — monopolie, oligopolie en monopolistische concurrentie — heeft minstens één aanbieder wél marktmacht, en dat leidt doorgaans tot een hogere prijs en een kleinere afzet dan bij volledige mededinging. Houd dit ideaalbeeld daarom vast als ijkpunt: in het volgende onderwerp meet je de onvolledige marktvormen telkens af tegen deze volmaakte concurrentie.
P=GO=MOP = GO = MOP=GO=MO

prijsnemer bij volledige mededinging

Omdat de individuele aanbieder de marktprijs als gegeven aanvaardt en elke eenheid tegen diezelfde prijs verkoopt, vallen de prijs (P), de gemiddelde opbrengst (GO) en de marginale opbrengst (MO) samen.

Uitgewerkt voorbeeld

Waarom de prijsnemer vastzit aan de marktprijs

Op een markt met volledige mededinging is de marktprijs 6 euro per eenheid. (a) Leg met de afzetlijn uit waarom een individuele aanbieder geen 7 euro kan vragen. (b) Beredeneer waarom de overwinst op deze markt op de lange termijn verdwijnt.

  1. 01Stap 1 — De horizontale afzetlijn

    De aanbieder is prijsnemer, dus zijn afzetlijn is horizontaal op 6 euro. Bij 6 euro kan hij elke gewenste hoeveelheid kwijt, want zijn aandeel in de totale markt is verwaarloosbaar klein en raakt de marktprijs niet.

  2. 02Stap 2 — Waarom 7 euro niet kan

    Vraagt hij 7 euro, dan stapt elke koper over naar een van de vele andere aanbieders die hetzelfde, homogene product wél voor 6 euro leveren; de volledige transparantie maakt dat meteen zichtbaar. Bij 7 euro verkoopt hij dus niets — hij kan de prijs niet boven de marktprijs tillen.

  3. 03Stap 3 — Vrije toetreding drukt de winst

    Maken de aanbieders overwinst, dan lokt dat door de vrije toetreding nieuwe aanbieders. Het totale aanbod stijgt, de marktprijs daalt, en dat gaat door zolang er nog overwinst te halen valt.

  4. 04Stap 4 — Eindpunt: normale winst

    In het langetermijnevenwicht is de prijs gezakt tot de gemiddelde kosten en blijft alleen normale winst over. Er is dan geen prikkel meer om toe te treden of uit te treden, en de markt staat stil bij P=GO=MOP = GO = MOP=GO=MO.

Resultaat: Resultaat: de prijsnemer kan door zijn horizontale afzetlijn nooit boven de marktprijs verkopen, en de vrije toetreding zorgt ervoor dat een overwinst op lange termijn wegconcurreert tot normale winst. Dat maakt volledige mededinging tot het efficiënte ijkpunt voor alle andere marktvormen.

Eindexamen-focus

  • Je moet de vier kenmerken van volledige mededinging noemen en uitleggen waarom de individuele aanbieder daardoor prijsnemer is met een horizontale afzetlijn op de marktprijs.
  • Het examen verwacht dat je de relatie P=GO=MOP = GO = MOP=GO=MO herkent en verklaart, en dat je beredeneert waarom vrije toetreding de winst op lange termijn tot normale winst (geen overwinst) terugbrengt.

Veelgemaakte fouten

  • De horizontale afzetlijn van de individuele aanbieder verwarren met de (dalende) vraaglijn van de hele markt. De totale marktvraag daalt wél; alleen voor de afzonderlijke prijsnemer is de afzetlijn horizontaal op de marktprijs.
  • Winst nul lezen als de ondernemer verdient niets. Het betekent geen overwinst boven op de normale winst; de normale beloning voor arbeid en kapitaal zit al in de kosten verwerkt.
  • Denken dat één aanbieder de prijs kan verhogen. Bij een homogeen product en volledige transparantie loopt elke klant dan meteen naar een concurrent, zodat hij niets meer verkoopt.

Actieve herhaling

Een graanboer verkoopt op een markt met volledige mededinging tegen de marktprijs van 6 euro per baal. Leg uit welke vorm zijn individuele afzetlijn heeft en waarom, en beredeneer wat er met de marktprijs en met zijn winst gebeurt als alle boeren samen jarenlang een hoge overwinst maken.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Onvolledige mededinging: monopolie, oligopolie en monopolistische concurrentie#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Zodra minstens één van de strenge voorwaarden van volledige mededinging niet meer geldt, spreken we van onvolledige mededinging. In de praktijk is dat bijna altijd het geval, want er zijn weinig markten met heel veel aanbieders van een volkomen identiek product én vrije toetreding. Bij onvolledige mededinging heeft minstens één aanbieder marktmacht: hij is dus prijszetter en kijkt naar een dalende afzetlijn in plaats van de horizontale lijn van de prijsnemer (vergelijk de twee afzetlijnen uit het vorige onderwerp). Het examenprogramma onderscheidt drie vormen van onvolledige mededinging, die je het beste uit elkaar houdt met diezelfde vier kenmerken uit de overzichtstabel van het eerste onderwerp: het monopolie, het oligopolie en de monopolistische concurrentie. We lopen ze één voor één langs en zetten ze daarna naast elkaar.
Een monopolie is de meest extreme vorm: er is precies één aanbieder van een uniek product waarvoor geen goed alternatief bestaat, en de toetreding is geblokkeerd. Die blokkade kan verschillende oorzaken hebben: een octrooi (patent) dat het wettelijk verbiedt het product na te maken, grote schaalvoordelen waardoor alleen een zeer grote producent goedkoop genoeg kan leveren (een natuurlijk monopolie, zoals een spoor- of waterleidingnet), of een door de overheid verleend wettelijk monopolie. Omdat de monopolist de enige aanbieder is, valt zijn individuele afzetlijn samen met de hele dalende marktvraag: wil hij meer verkopen, dan moet hij de prijs verlagen. Daardoor ligt zijn marginale opbrengst onder de prijs (MO<PMO < PMO<P): om één extra eenheid te verkopen verlaagt hij de prijs, en die lagere prijs geldt dan voor álle eenheden, niet alleen voor de laatste. Dit is precies het tegenovergestelde van de prijsnemer, bij wie P=GO=MOP = GO = MOP=GO=MO gold. De monopolist beperkt zijn aanbod en vraagt een hogere prijs dan bij volledige mededinging zou ontstaan.
Een oligopolie is een markt met enkele grote aanbieders die samen vrijwel de hele markt bedienen; het product kan homogeen zijn (benzine) of heterogeen (auto's), en de toetreding is belemmerd door bijvoorbeeld hoge investeringen of grote merkbekendheid. Het kenmerkende van een oligopolie is de sterke onderlinge afhankelijkheid: omdat er maar weinig aanbieders zijn, raakt de beslissing van de één direct de ander, en houdt iedereen bij elke stap rekening met de verwachte reacties van de concurrenten. Verlaagt één benzineketen de prijs, dan merken de andere dat onmiddellijk in hun omzet en zullen ze waarschijnlijk meteen volgen, met een prijzenoorlog als risico waar uiteindelijk niemand beter van wordt. Die wederzijdse afhankelijkheid verklaart twee veelvoorkomende verschijnselen: de neiging tot prijsstarheid (niemand verlaagt graag als eerste, uit angst een prijzenoorlog te ontketenen) en de verleiding tot kartelvorming — geheime prijsafspraken om samen, als een soort gezamenlijke monopolist, hogere prijzen te vragen. Zulke prijsafspraken zijn in Nederland en de EU echter verboden, en de toezichthouder (de ACM) beboet ze.
Monopolistische concurrentie combineert, zoals de naam al zegt, trekjes van het monopolie en van de volledige mededinging. Er zijn veel aanbieders en de toetreding is vrij — dat is de concurrentiekant — maar elke aanbieder verkoopt een heterogeen, gedifferentieerd product en heeft daardoor een beetje het karakter van een mini-monopolist op zijn eigen variant — dat is de monopolistische kant. Denk aan kappers, cafés, kledingmerken of restaurants: er zijn er heel veel, maar elk onderscheidt zich door ligging, stijl, merk, kwaliteit of service. Door die productdifferentiatie, versterkt met reclame, bouwt een aanbieder een eigen kring trouwe klanten op en krijgt hij een beetje marktmacht: hij kan zijn prijs licht verhogen zonder meteen al zijn klanten te verliezen, want voor hen is zijn product net even anders. Die marktmacht is wel beperkt: omdat er veel alternatieven zijn en de toetreding vrij is, verdwijnt een eventuele overwinst op de lange termijn weer, net als bij volledige mededinging. Zijn afzetlijn is daarom dalend (hij is prijszetter), maar veel minder steil dan die van een echte monopolist.
Zet je de drie vormen naast elkaar in de overzichtstabel uit het eerste onderwerp, dan zie je de logica terug: van monopolie via oligopolie naar monopolistische concurrentie neemt het aantal aanbieders toe, wordt de toetreding makkelijker en brokkelt de marktmacht stukje bij beetje af. In alle drie de gevallen is de afzetlijn dalend (de aanbieder is prijszetter), maar de mate waarin hij de prijs kan opdrijven verschilt: een monopolist het meest, een aanbieder onder monopolistische concurrentie het minst. Vergeleken met het ijkpunt van volledige mededinging leiden deze marktvormen meestal tot een hogere prijs en een kleinere afzet, en zijn ze dus minder doelmatig — en dat is precies waarom de overheid markten in de gaten houdt en kartels en machtsmisbruik bestrijdt. Met de vier kenmerken, de afzetlijn en dit efficiëntie-ijkpunt in handen kun je elke beschreven markt zowel indelen als beoordelen.
MO<PMO < PMO<P

prijszetter (onder andere de monopolist)

Een prijszetter met een dalende afzetlijn moet voor elke extra verkochte eenheid de prijs verlagen, ook op de al verkochte eenheden; daardoor ligt de marginale opbrengst (MO) onder de prijs (P) — anders dan de relatie P=GO=MOP = GO = MOP=GO=MO van de prijsnemer.

Uitgewerkt voorbeeld

Waarom een oligopolist anders rekent bij een prijsverlaging

Twee aanbieders denken na over een prijsverlaging: een graanboer op een markt met volledige mededinging en één van de drie grote benzineketens in een oligopolie. Leg uit waarom de benzineketen heel anders moet redeneren dan de graanboer.

  1. 01Stap 1 — De prijsnemer (graanboer)

    De graanboer is prijsnemer met een horizontale afzetlijn: hij kan tegen de marktprijs al zijn graan kwijt. Zelf de prijs verlagen heeft geen zin — hij verkoopt bij de marktprijs toch alles, en lager gaan kost hem alleen opbrengst. Hij hoeft met niemands reactie rekening te houden, want zijn aandeel is te klein om iemand te raken.

  2. 02Stap 2 — De oligopolist (benzineketen)

    De benzineketen is wél groot genoeg om met een prijsverlaging klanten van de concurrenten weg te trekken. Maar juist omdat er maar enkele grote spelers zijn, voelen die concurrenten zo'n stap onmiddellijk in hun eigen omzet.

  3. 03Stap 3 — De reactie meewegen

    De concurrenten zullen waarschijnlijk meteen óók hun prijs verlagen om hun klanten te houden. Het verwachte voordeel verdampt dan, en alle ketens houden samen een lagere prijs en lagere winst over: een prijzenoorlog.

  4. 04Stap 4 — De conclusie: onderlinge afhankelijkheid

    De oligopolist moet zijn beslissing dus afhankelijk maken van de verwachte reacties van zijn concurrenten — de onderlinge afhankelijkheid. Dat verklaart de prijsstarheid (niemand verlaagt graag als eerste) en de verleiding tot verboden prijsafspraken om die onzekerheid te ontlopen.

Resultaat: Resultaat: de graanboer rekent alleen met de gegeven marktprijs, terwijl de oligopolist de reacties van enkele machtige concurrenten moet inschatten. Die onderlinge afhankelijkheid is hét onderscheidende kenmerk van het oligopolie en de bron van prijzenoorlogen, prijsstarheid en kartelvorming.

Eindexamen-focus

  • Je moet de drie vormen van onvolledige mededinging (monopolie, oligopolie, monopolistische concurrentie) herkennen aan de vier kenmerken en de oorzaken van geblokkeerde toetreding bij een monopolie kunnen noemen (octrooi, schaalvoordelen, wettelijk monopolie).
  • Het examen verwacht dat je de onderlinge afhankelijkheid in een oligopolie uitlegt — inclusief de neiging tot kartelvorming en prijsstarheid — en dat je weet dat prijsafspraken verboden zijn.

Veelgemaakte fouten

  • Oligopolie en monopolistische concurrentie verwarren. Bij een oligopolie zijn er enkele grote, sterk van elkaar afhankelijke aanbieders met belemmerde toetreding; bij monopolistische concurrentie zijn er juist veel aanbieders met vrije toetreding en een gedifferentieerd product.
  • Denken dat een monopolist een willekeurig hoge prijs vraagt. Ook hij zit aan de dalende marktvraag vast: een hogere prijs betekent een kleinere afzet, en zijn marginale opbrengst ligt onder de prijs (MO<PMO < PMO<P).
  • Kartelafspraken voor toegestaan houden. Prijsafspraken tussen oligopolisten zijn in Nederland en de EU verboden en worden door de toezichthouder (ACM) beboet.

Actieve herhaling

Leg voor elk van de drie vormen van onvolledige mededinging (monopolie, oligopolie, monopolistische concurrentie) uit hoeveel aanbieders er zijn, hoe de toetreding is en hoeveel marktmacht een aanbieder heeft. Verklaar daarna waarom juist bij het oligopolie de onderlinge afhankelijkheid zo'n grote rol speelt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 03

    • 01Wat bepaalt de marktvorm○
    • 02Volledige (volkomen) mededinging◐
    • 03Onvolledige mededinging: monopolie, oligopolie en monopolistische concurrentie◐

0/3 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Marktvormen: volledige en onvolledige mededinging

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~22
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma economie (HAVO)

Vorig onderwerp

Markt: vraag, aanbod en marktmechanisme

Volgend onderwerp

Kostenstructuur, opbrengsten en producentengedrag

EuraStudy·Samenvattingen T·05·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.