EuraStudy
Samenvattingen/Bedrijfseconomie/De oprichting van een eenmanszaak
Samenvattingen · BedrijfseconomieNL · HAVO

De oprichting van een eenmanszaak

Domein B2 volgt de startende ondernemer: de keuze voor de rechtsvorm eenmanszaak, het schrijven van een ondernemingsplan met een marktanalyse, en het opstellen van de financiële plannen — de investeringsbegroting, het financieringsplan en de exploitatie- en liquiditeitsbegroting. Je leert wat een eenmanszaak juridisch betekent (volledige aansprakelijkheid), hoe je de benodigde investering en financiering op elkaar afstemt en hoe je vooraf berekent of het plan haalbaar is.

4 Onderdelen·~20 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0333 / 16
Examenprofiel
De rechtsvorm eenmanszaak beschrijven: één eigenaar, geen rechtspersoon, volledige (privé)aansprakelijkheid en de fiscale gevolgen.Een ondernemingsplan met marktanalyse (doelgroep, concurrentie, onderscheidend vermogen) begrijpen en beoordelen.Een investeringsbegroting en een financieringsplan opstellen en op elkaar afstemmen.Een exploitatiebegroting (verwachte winst) en een liquiditeitsbegroting (verwachte kasstromen) opstellen en het verschil ertussen uitleggen.
Operatoren:berekenleg uitverklaarberedeneerbeoordeelstel op

basisniveau

Zorg dat je een investeringsbegroting en een financieringsplan kunt opstellen (welke bezittingen, hoe gefinancierd) en de begrote winst uit een exploitatiebegroting kunt berekenen.

verhoogd niveau

Redeneer over de haalbaarheid: waarom is een liquiditeitsbegroting nodig naast een winstbegroting, en waarom kan een winstgevend plan toch stranden op een tekort aan kasgeld?

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. De oprichting van een eenmanszaak
    • 01De rechtsvorm eenmanszaak○
    • 02Het ondernemingsplan en de marktanalyse◐
    • 03Investeringsbegroting en financieringsplan◐
    • 04Exploitatiebegroting en liquiditeitsbegroting●
§ 01

De rechtsvorm eenmanszaak#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Kenmerken van de eenmanszaak op een rij

De eenmanszaakTabel met 2 kolommen en 5 rijen, Gegevens: Kenmerk · Eenmanszaak; Eigenaar · één persoon; Rechtspersoon · nee; Aansprakelijkheid · volledig, ook privé; Oprichting · licht (KvK); Belasting winst · inkomstenbelastingKENMERKEENMANSZAAKEIGENAARéén persoonRECHTSPERSOONneeAANSPRAKELIJKHEIDvolledig, ook privéOPRICHTINGlicht (KvK)BELASTING WINSTinkomstenbelastingKenmerken van de eenmanszaak
Afb. 1De eenmanszaak samengevat: één eigenaar met volledige zeggenschap, geen rechtspersoon en daarom volledige privéaansprakelijkheid, een lichte oprichting en belasting van de winst in de inkomstenbelasting.

Kernpunten

Wie een bedrijf begint, kiest een rechtsvorm: het juridische jasje van de onderneming dat bepaalt wie eigenaar is, wie beslist en wie aansprakelijk is voor de schulden. De eenvoudigste rechtsvorm is de eenmanszaak: één natuurlijke persoon is eigenaar, leidt de zaak en int de winst. De oprichting is licht — een inschrijving bij de Kamer van Koophandel volstaat, er is geen startkapitaal vereist en er hoeft geen notaris aan te pas te komen. Juist die eenvoud maakt de eenmanszaak de populairste rechtsvorm voor zzp'ers en kleine bedrijven. De eigenaar hoeft met niemand te overleggen en kan snel handelen, maar draagt daar wel een prijs voor: hij staat er financieel helemaal alleen voor.
Het bepalende kenmerk van de eenmanszaak is dat het géén rechtspersoon is. Dat betekent dat er juridisch geen scheiding bestaat tussen de onderneming en de privépersoon: de zaak en de eigenaar zijn één en dezelfde rechtsdrager. Het gevolg is volledige aansprakelijkheid — de eigenaar is met zijn hele privévermogen aansprakelijk voor de schulden van de onderneming. Kan de zaak haar schulden niet betalen, dan kunnen schuldeisers ook het privéhuis, de spaarrekening en de auto van de eigenaar aanspreken. Dit is het grootste risico van de rechtsvorm en de belangrijkste reden om bij groei over te stappen naar een bv, waar de aansprakelijkheid juist beperkt is (domein B3).
Ondanks die juridische eenheid houdt de bedrijfseconomie de zakelijke en de privéhuishouding administratief gescheiden, zoals de benaderingswijze uit domein A voorschrijft. Het eigen vermogen van de onderneming wordt apart bijgehouden, en geld dat de eigenaar aan de zaak onttrekt is een privéopname (het eigen vermogen daalt), terwijl geld dat hij inbrengt een privéstorting is (het eigen vermogen stijgt). Deze scheiding is nodig om de winst en het vermogen van de onderneming zuiver te kunnen meten, ook al is er juridisch geen schot tussen zaak en privé. Op het examen komt dit terug bij het opstellen van de balans en het berekenen van het eigen vermogen.
De fiscale behandeling van de eenmanszaak wijkt af van die van een bv en is voor veel starters aantrekkelijk. De winst van een eenmanszaak wordt bij de eigenaar belast in de inkomstenbelasting, niet in de vennootschapsbelasting. Voor ondernemers gelden bovendien fiscale voordelen zoals de zelfstandigenaftrek en de mkb-winstvrijstelling, die het belastbare deel van de winst verlagen. Bij kleine tot middelgrote winsten pakt de inkomstenbelasting met deze aftrekposten vaak gunstiger uit dan de vennootschapsbelasting van een bv. Naarmate de winst groeit, kantelt dat voordeel, wat samen met het aansprakelijkheidsrisico de overstap naar een bv verklaart.
Bij de keuze van een rechtsvorm weegt de ondernemer dus meerdere zaken tegen elkaar af: de eenvoud en het volledige zeggenschap van de eenmanszaak tegenover het aansprakelijkheidsrisico en de fiscale gevolgen bij hogere winsten. Voor een startend, klein bedrijf met beperkt risico is de eenmanszaak meestal de logische keuze. Zodra het risico of de winst toeneemt, of er meerdere eigenaren bijkomen, komen andere rechtsvormen in beeld — de vennootschap onder firma bij meerdere eigenaren, of de bv bij beperkte aansprakelijkheid. De rechtsvormkeuze is daarmee geen eenmalig gegeven maar groeit mee met de onderneming.
Uitgewerkt voorbeeld

Aansprakelijkheid bij een tekort van de eenmanszaak

Een eenmanszaak gaat failliet met openstaande schulden van € 90\,000. De bezittingen van de onderneming brengen bij verkoop € 55\,000 op. Leg uit hoe het resterende tekort wordt verhaald en bereken dat tekort.

  1. 01Stap 1 — Bepaal het tekort na verkoop van de bezittingen

    Trek de opbrengst van de bezittingen af van de schulden om te zien wat er openblijft.

    90 000−55 000=35 00090\,000 - 55\,000 = 35\,00090000−55000=35000
  2. 02Stap 2 — Pas de volledige aansprakelijkheid toe

    Omdat de eenmanszaak geen rechtspersoon is, is de eigenaar met zijn privévermogen aansprakelijk voor het resterende tekort van € 35\,000; schuldeisers kunnen zijn privébezittingen aanspreken.

    tekort verhaald op priveˊvermogen=35 000\text{tekort verhaald op privévermogen} = 35\,000tekort verhaald op priveˊvermogen=35000

Resultaat: Resultaat: er blijft een tekort van € 35\,000 dat op het privévermogen van de eigenaar wordt verhaald. Dit illustreert het kernrisico van de eenmanszaak: de volledige, ook privé, aansprakelijkheid.

Eindexamen-focus

  • Je moet de kenmerken van de eenmanszaak kunnen benoemen: één eigenaar, geen rechtspersoon, volledige privéaansprakelijkheid, en winst belast in de inkomstenbelasting.
  • Het examen verwacht dat je de eenmanszaak vergelijkt met andere rechtsvormen op aansprakelijkheid, zeggenschap en belasting, en beredeneert wanneer welke keuze verstandig is.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat de eenmanszaak een rechtspersoon is; dat is zij niet, waardoor de eigenaar volledig privé aansprakelijk is.
  • De winst van een eenmanszaak in de vennootschapsbelasting plaatsen; die wordt bij de eigenaar in de inkomstenbelasting belast.
  • 'Eenmanszaak' verwarren met 'één werknemer'; de eigenaar mag personeel in dienst hebben — het gaat om één eigenaar.

Actieve herhaling

Een startende kapper twijfelt tussen een eenmanszaak en een bv. Leg uit welk risico de eenmanszaak met zich meebrengt bij tegenvallende resultaten, en beredeneer waarom een eenmanszaak fiscaal aantrekkelijk kan zijn zolang de winst bescheiden is.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Het ondernemingsplan en de marktanalyse#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

SWOT-analyse: intern versus extern

SWOT-analyseTabel met 3 kolommen en 2 rijen, Gegevens: Intern (bedrijf) · Extern (markt); Positief · Sterke punten · Kansen; Negatief · Zwakke punten · BedreigingenINTERN (BEDRIJF)EXTERN (MARKT)POSITIEFSterke puntenKansenNEGATIEFZwakke puntenBedreigingenSWOT: intern versus extern
Afb. 2De SWOT-analyse: interne sterke en zwakke punten van het bedrijf (links) tegenover externe kansen en bedreigingen uit de markt (rechts). De ondernemer benut sterke punten om kansen te grijpen en dekt zich in tegen bedreigingen.

Kernpunten

Voordat een ondernemer geld investeert, schrijft hij een ondernemingsplan (businessplan): een onderbouwd plan dat laat zien wát het bedrijf gaat doen, vóór wie, en of het financieel haalbaar is. Het plan dient twee doelen. Ten eerste dwingt het de ondernemer zelf om zijn idee scherp te krijgen en de risico's te doordenken. Ten tweede is het het document waarmee hij financiers — een bank, investeerders — overtuigt om geld te verstrekken. Een geloofwaardig plan bevat een beschrijving van het product of de dienst, een marktanalyse, een marketingaanpak, een beschrijving van de organisatie en, als hart van het geheel, de financiële plannen. De financier leest vooral het financiële deel, maar toetst dat aan de onderbouwing in de rest.
Het kloppende hart van het plan is de marktanalyse: het onderzoek naar de markt waarop het bedrijf actief wordt. Daarin bepaalt de ondernemer zijn doelgroep — de groep klanten die hij wil bedienen, omschreven naar leeftijd, koopgedrag, behoeften — en schat hij de omvang en de groei van die markt in. Zonder voldoende potentiële klanten is elk plan gedoemd. De ondernemer brengt ook de concurrentie in kaart: wie biedt al iets vergelijkbaars, tegen welke prijs en met welke sterke en zwakke punten? De marktanalyse verbindt zich zo met domein E (marketing): de doelgroep en de concurrentieanalyse vormen de basis voor de latere marketingmix.
Uit de marktanalyse moet blijken wat het onderscheidend vermogen van het bedrijf is: waarom zou een klant voor deze aanbieder kiezen en niet voor een concurrent? Dat onderscheid kan zitten in een lagere prijs, een betere kwaliteit, een unieke locatie, betere service of een sterk merk. Een bedrijf dat niets onderscheidends heeft, kan alleen op prijs concurreren, en dat is voor een starter meestal een verliezende strategie tegen gevestigde partijen. De ondernemer beschrijft daarom expliciet zijn positie ten opzichte van de concurrentie en de behoefte in de markt die hij beter vervult dan anderen. Dit onderscheidend vermogen rechtvaardigt de omzetverwachting die later in de financiële plannen terugkomt.
Een veelgebruikt hulpmiddel om de marktanalyse te ordenen is de SWOT-analyse, die de sterke punten (strengths) en zwakke punten (weaknesses) van het bedrijf zelf naast de kansen (opportunities) en bedreigingen (threats) van de markt zet. Sterke en zwakke punten zijn interne kenmerken die de ondernemer zelf kan beïnvloeden; kansen en bedreigingen zijn externe ontwikkelingen zoals nieuwe trends, wetgeving of concurrenten. Door de vier kwadranten te combineren, bepaalt de ondernemer een strategie: hij benut zijn sterke punten om kansen te grijpen en bereidt zich voor op bedreigingen. Op het examen moet je een gegeven situatie in deze vier categorieën kunnen indelen en er een redenering aan verbinden.
De marktanalyse mondt uit in een onderbouwde omzetverwachting, en juist daar wordt een plan geloofwaardig of niet. De ondernemer schat af hoeveel klanten hij per periode denkt te bedienen en tegen welke gemiddelde besteding, en vermenigvuldigt dat tot een verwachte omzet. Een financier prikt door te optimistische aannames heen: een omzet die uitgaat van een onrealistisch marktaandeel of een te hoge prijs ondermijnt het hele plan. Een goed plan onderbouwt de aannames met de marktomvang, het onderscheidend vermogen en de concurrentiepositie, en rekent bij voorkeur ook een voorzichtiger scenario door. Deze verwachte omzet is de brug naar de exploitatiebegroting, waarin omzet en kosten samen de verwachte winst bepalen.
Uitgewerkt voorbeeld

Een omzetverwachting onderbouwen

Een koffiebar verwacht op een gemiddelde dag 120 klanten die elk gemiddeld € 4,50 besteden. De bar is 6 dagen per week open. Bereken de verwachte weekomzet en de verwachte jaaromzet (52 weken), en leg uit waarom een financier deze aannames kritisch bekijkt.

  1. 01Stap 1 — Bereken de dagomzet

    Vermenigvuldig het aantal klanten per dag met de gemiddelde besteding.

    120×4,50=540120 \times 4{,}50 = 540120×4,50=540
  2. 02Stap 2 — Reken door naar de weekomzet

    De bar is 6 dagen per week open.

    540×6=3240540 \times 6 = 3240540×6=3240
  3. 03Stap 3 — Bereken de jaaromzet

    Vermenigvuldig de weekomzet met 52 weken.

    3240×52=168 4803240 \times 52 = 168\,4803240×52=168480

Resultaat: Resultaat: de verwachte weekomzet is € 3\,240 en de jaaromzet € 168\,480. Een financier toetst vooral de aannames — 120 klanten per dag en € 4,50 per klant — omdat een te optimistisch klantaantal of een te hoge besteding de hele omzetverwachting en daarmee het plan onderuit haalt.

Eindexamen-focus

  • Je moet de onderdelen van een marktanalyse kunnen benoemen (doelgroep, marktomvang, concurrentie, onderscheidend vermogen) en een gegeven situatie in een SWOT-analyse kunnen indelen.
  • Het examen verwacht dat je beoordeelt of een omzetverwachting realistisch is en die koppelt aan het onderscheidend vermogen en de concurrentiepositie.

Veelgemaakte fouten

  • Interne sterke/zwakke punten en externe kansen/bedreigingen in de SWOT door elkaar halen (een concurrent is extern, dus een bedreiging, niet een zwakte).
  • Een omzetverwachting baseren op wensdenken zonder onderbouwing met marktomvang en concurrentiepositie.
  • Het onderscheidend vermogen vergeten, waardoor het plan alleen op prijs kan concurreren.

Actieve herhaling

Een starter wil een duurzame koffiebar openen in een studentenwijk. Deel de volgende gegevens in een SWOT-analyse in: (a) een sterk, herkenbaar duurzaam merk, (b) weinig ervaring met personeelsbeleid, (c) een groeiende vraag naar duurzame producten onder studenten, (d) twee bestaande koffieketens in de buurt. Beredeneer welke strategie hieruit volgt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Investeringsbegroting en financieringsplan#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Investeringsbegroting en financieringsplan naast elkaar

Investeringsbegroting en financieringsplanTabel met 3 kolommen en 8 rijen, Gegevens: Post · Investering · Financiering; Inrichting · 40.000 · —; Machines · 25.000 · —; Voorraad · 12.000 · —; Kasbuffer · 8.000 · —; Eigen vermogen · — · 35.000; Langlopende lening · — · 40.000; Kortlopend krediet · — · 10.000; Totaal · 85.000 · 85.000, gemarkeerde cel: TotaalPOSTINVESTERINGFINANCIERINGInrichting40.000—Machines25.000—Voorraad12.000—Kasbuffer8.000—Eigen vermogen—35.000Langlopende lening—40.000Kortlopend krediet—10.000Totaal85.00085.000Investering en financiering in evenwicht
Afb. 3De investeringsbegroting (bezittingen, links) en het financieringsplan (vermogensbronnen, rechts) hebben hetzelfde totaal van € 85\,000. Duurzame activa worden met langlopend vermogen gefinancierd, de voorraad deels met kortlopend krediet — de gouden balansregel.

Kernpunten

Om te kunnen starten heeft de ondernemer geld nodig, en dat begint met de investeringsbegroting: een overzicht van alle bezittingen die het bedrijf bij de start nodig heeft, met hun kosten. De begroting onderscheidt vaste activa — duurzame bezittingen die meerdere jaren meegaan, zoals een inrichting, machines en een bestelbus — en vlottende activa, die binnen een jaar in geld worden omgezet, zoals de voorraad en een debiteurensaldo. Daarnaast is er behoefte aan liquide middelen: een startvoorraad kasgeld om de eerste maanden aan lopende verplichtingen te voldoen. De optelsom van al deze posten is het totale investeringsbedrag: het bedrag dat gefinancierd moet worden voordat de eerste euro omzet binnenkomt.
Tegenover die investering staat de financiering: waar komt het geld vandaan? Dat legt de ondernemer vast in het financieringsplan, dat het totale investeringsbedrag verdeelt over de vermogensbronnen. Grofweg zijn er twee: eigen vermogen — geld dat de ondernemer zelf inbrengt en dat blijvend in de zaak zit — en vreemd vermogen — geleend geld dat met rente moet worden terugbetaald, zoals een banklening of een hypothecaire lening. Een sluitend financieringsplan geldt per definitie: het totale vreemde en eigen vermogen samen moet precies gelijk zijn aan het totale investeringsbedrag, want elke bezitting moet met een vermogensbron zijn gedekt. De investeringsbegroting en het financieringsplan zijn zo twee kanten van dezelfde medaille.
Een gouden regel bij het financieren is dat de looptijd van de financiering moet passen bij de levensduur van de bezitting — de zogenoemde gouden balansregel. Duurzame vaste activa, die jaren meegaan, financier je met langlopend vermogen (eigen vermogen of een langlopende lening); kortlopende behoeften zoals de voorraad mag je met kortlopend krediet financieren. Wie een machine die tien jaar meegaat met een kortlopend, snel af te lossen krediet financiert, komt in liquiditeitsproblemen, omdat het geld al moet worden terugbetaald voordat de machine zichzelf heeft terugverdiend. Deze afstemming van looptijden is een centraal beoordelingspunt bij het financieringsplan.
Het aandeel eigen vermogen in de financiering is van belang voor het risico en voor de financier. Een bank verstrekt zelden de volledige investering; zij verlangt dat de ondernemer zelf een substantieel deel inbrengt, omdat eigen vermogen als buffer dient en de ondernemer daarmee 'skin in the game' heeft. Hoe groter het aandeel eigen vermogen, hoe kleiner het risico voor de verschaffers van vreemd vermogen — de solvabiliteit is hoger (domein G). Tegelijk is vreemd vermogen goedkoper zolang de rente lager is dan het rendement van de investering (het hefboomeffect, domein D2). De ondernemer zoekt dus een verantwoorde verhouding tussen eigen en vreemd vermogen.
De investeringsbegroting en het financieringsplan sluiten aan op de balans en op de andere financiële plannen. De investeringsbegroting is in feite de debetzijde (de bezittingen) van de openingsbalans, en het financieringsplan de creditzijde (de vermogensbronnen); samen vormen ze de balans op het startmoment, die per definitie in evenwicht is. Wat deze plannen niet laten zien, is of de lopende exploitatie winst oplevert en of er genoeg kasgeld binnenkomt om de rekeningen te betalen — dat doen de exploitatie- en de liquiditeitsbegroting uit het volgende onderdeel. Wie deze samenhang begrijpt, ziet de startfinanciering als één geheel: bezittingen, financiering, verwachte winst en verwachte kasstromen moeten alle vier kloppen.
totale investering=vaste activa+vlottende activa+liquide middelen\text{totale investering} = \text{vaste activa} + \text{vlottende activa} + \text{liquide middelen}totale investering=vaste activa+vlottende activa+liquide middelen

totale investering

De som van alle benodigde bezittingen bij de start; dit bedrag moet volledig gefinancierd worden.

eigen vermogen+vreemd vermogen=totale investering\text{eigen vermogen} + \text{vreemd vermogen} = \text{totale investering}eigen vermogen+vreemd vermogen=totale investering

sluitend financieringsplan

De financiering moet precies gelijk zijn aan de investering; het financieringsplan sluit altijd.

Uitgewerkt voorbeeld

Investeringsbedrag bepalen en de financiering sluitend maken

Een ondernemer begroot: inrichting € 40\,000, machines € 25\,000, startvoorraad € 12\,000 en een kasbuffer € 8\,000. Hij brengt € 35\,000 eigen vermogen in en sluit een langlopende lening van € 40\,000 af. Bereken het totale investeringsbedrag en het benodigde kortlopende krediet om het financieringsplan sluitend te maken.

  1. 01Stap 1 — Tel de investeringsposten op

    Som de vaste activa, de voorraad en de kasbuffer.

    40 000+25 000+12 000+8 000=85 00040\,000 + 25\,000 + 12\,000 + 8\,000 = 85\,00040000+25000+12000+8000=85000
  2. 02Stap 2 — Tel het beschikbare vermogen op

    Voeg het eigen vermogen en de langlopende lening samen.

    35 000+40 000=75 00035\,000 + 40\,000 = 75\,00035000+40000=75000
  3. 03Stap 3 — Bepaal het benodigde kortlopende krediet

    Het financieringsplan moet sluiten op het investeringsbedrag; het tekort wordt met kortlopend krediet gedekt.

    85 000−75 000=10 00085\,000 - 75\,000 = 10\,00085000−75000=10000

Resultaat: Resultaat: het totale investeringsbedrag is € 85\,000. Met € 35\,000 eigen vermogen en € 40\,000 langlopende lening resteert een tekort van € 10\,000, dat met kortlopend krediet wordt gedekt zodat het financieringsplan sluit.

Eindexamen-focus

  • Je moet een investeringsbegroting kunnen opstellen (vaste en vlottende activa plus liquide middelen) en een sluitend financieringsplan (eigen plus vreemd vermogen = totale investering).
  • Het examen toetst de gouden balansregel: langlopende bezittingen met langlopend vermogen financieren, en het effect van de verhouding eigen/vreemd vermogen op het risico.

Veelgemaakte fouten

  • De liquide middelen (startkas) vergeten in de investeringsbegroting, waardoor de startfinanciering te laag wordt begroot.
  • Een financieringsplan opstellen dat niet sluit op het investeringsbedrag; elke bezitting moet gedekt zijn door een vermogensbron.
  • Langlopende bezittingen met kortlopend krediet financieren, in strijd met de gouden balansregel.

Actieve herhaling

Een startende ondernemer heeft nodig: inrichting € 40\,000, machines € 25\,000, startvoorraad € 12\,000 en een kasbuffer € 8\,000. Hij brengt zelf € 35\,000 eigen vermogen in en sluit een langlopende lening en een kortlopend krediet af. Stel de investeringsbegroting op, bepaal het totale investeringsbedrag en beredeneer een verantwoorde verdeling van het vreemd vermogen volgens de gouden balansregel.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Exploitatiebegroting en liquiditeitsbegroting#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Winst versus liquiditeit: waarom afschrijving verschilt

Winst versus liquiditeitGraaf, Bedrijfsactiviteit → Exploitatie: winst, Bedrijfsactiviteit → Liquiditeit: kas, Afschrijving (kost, geen uitgave) → Exploitatie: winst, Ontvangsten en uitgaven → Liquiditeit: kasBedrijfsactiviteitExploitatie:winstAfschrijving(kost, geenuitgave)Liquiditeit: kasOntvangsten enuitgaven
Afb. 4Dezelfde bedrijfsactiviteit voedt twee begrotingen. De exploitatiebegroting (winst) neemt afschrijving mee als kost; de liquiditeitsbegroting (kas) niet, want er stroomt geen geld. Zo kan een winstgevend bedrijf toch krap bij kas zitten.

Kernpunten

Nu de investering en de financiering vaststaan, moet de ondernemer vooruitkijken naar de lopende bedrijfsvoering met twee begrotingen die vaak verward worden maar iets heel verschillends meten. De exploitatiebegroting begroot de verwachte winst over een periode: alle verwachte opbrengsten min alle verwachte kosten van die periode. De liquiditeitsbegroting begroot de verwachte geldstromen: alle verwachte ontvangsten min alle verwachte uitgaven, maand voor maand, om te zien of er steeds genoeg kasgeld is. De eerste beantwoordt de vraag 'is het bedrijf winstgevend?', de tweede de vraag 'kan het bedrijf zijn rekeningen betalen?'. Beide vragen moeten met ja worden beantwoord voor een haalbaar plan.
De exploitatiebegroting werkt met opbrengsten en kosten die aan de periode worden toegerekend, ongeacht wanneer het geld binnenkomt of uitgaat. Een verkoop op rekening telt als opbrengst in de maand van levering, ook al betaalt de klant pas later. Een belangrijke kostenpost die géén uitgave is, is de afschrijving: het toerekenen van de waardedaling van een duurzaam bedrijfsmiddel aan de periode waarin het wordt gebruikt. Je koopt een machine één keer (een uitgave), maar de kosten ervan spreid je over de jaren dat zij meegaat. De begrote winst is het verschil tussen de begrote opbrengsten en de begrote kosten, inclusief die afschrijving.
De liquiditeitsbegroting daarentegen kijkt puur naar het moment waarop geld beweegt: ontvangsten en uitgaven. Hier telt een verkoop pas mee wanneer de klant betaalt, en een afschrijving telt helemáál niet mee — er verlaat immers geen geld het bedrijf wanneer een machine in waarde daalt. Wél telt de aanschaf van die machine mee als grote uitgave op het moment van betaling, net als aflossingen op leningen. De liquiditeitsbegroting begint met het beginsaldo aan kas, telt de ontvangsten erbij op en de uitgaven eraf, en levert het eindsaldo, dat het beginsaldo van de volgende maand is. Zo zie je vroegtijdig aankomen wanneer de kas onder nul dreigt te zakken.
Het cruciale inzicht is dat een winstgevend plan toch kan stranden op een tekort aan liquiditeit. Dat lijkt tegenstrijdig, maar het gebeurt zodra de uitgaven vóór de ontvangsten komen. Denk aan een bedrijf dat eerst dure voorraad inkoopt en investeringen betaalt, en pas maanden later omzet ontvangt omdat klanten op rekening kopen. Op papier maakt het winst — de opbrengsten overtreffen de kosten — maar tussentijds is de kas leeg en kunnen de leveranciers en het personeel niet betaald worden. Dit onderscheid tussen winst (exploitatie) en kasgeld (liquiditeit) is een van de belangrijkste lessen van dit domein, en de reden dat een liquiditeitsbegroting onmisbaar is naast de winstbegroting.
Loopt uit de liquiditeitsbegroting een tekort naar voren, dan heeft de ondernemer verschillende opties: extra financiering aantrekken (bijvoorbeeld een rekening-courantkrediet als buffer), de ontvangsten versnellen (klanten sneller laten betalen, minder op rekening leveren), de uitgaven uitstellen (later betalen aan leveranciers, een investering faseren) of de voorraad kleiner houden. Elke maatregel heeft een prijs — krediet kost rente, klanten sneller laten betalen kan omzet kosten — dus de ondernemer weegt af. De les voor het examen is dat je uit een liquiditeitsbegroting het maand-eindsaldo berekent, het maandtekort signaleert en een passende oplossing kunt voorstellen, terwijl je uit de exploitatiebegroting de begrote winst bepaalt.
begrote winst=opbrengsten−kosten\text{begrote winst} = \text{opbrengsten} - \text{kosten}begrote winst=opbrengsten−kosten

exploitatiebegroting (winst)

Kosten worden aan de periode toegerekend, inclusief afschrijving; het moment van betalen speelt geen rol.

eindsaldo=beginsaldo+ontvangsten−uitgaven\text{eindsaldo} = \text{beginsaldo} + \text{ontvangsten} - \text{uitgaven}eindsaldo=beginsaldo+ontvangsten−uitgaven

liquiditeitsbegroting (kas)

Alleen werkelijke geldstromen tellen mee; afschrijving is geen uitgave en telt hier niet.

Uitgewerkt voorbeeld

Eindsaldo van de liquiditeitsbegroting berekenen

Een bedrijf begint de maand met € 5\,000 in kas. Die maand: contante verkopen € 18\,000, contant betaalde inkopen € 11\,000, loonuitgaven € 6\,000 en een afschrijving van € 1\,500 op machines. Bereken het eindsaldo van de kas en geef aan hoe de afschrijving in beide begrotingen wordt verwerkt.

  1. 01Stap 1 — Verzamel de werkelijke geldstromen

    Alleen ontvangsten en uitgaven tellen mee. De afschrijving is geen geldstroom en blijft buiten de liquiditeitsbegroting.

    ontvangsten=18 000,uitgaven=11 000+6 000=17 000\text{ontvangsten} = 18\,000, \quad \text{uitgaven} = 11\,000 + 6\,000 = 17\,000ontvangsten=18000,uitgaven=11000+6000=17000
  2. 02Stap 2 — Bereken het eindsaldo

    Tel het beginsaldo en de ontvangsten op en trek de uitgaven af.

    5 000+18 000−17 000=6 0005\,000 + 18\,000 - 17\,000 = 6\,0005000+18000−17000=6000
  3. 03Stap 3 — Behandel de afschrijving per begroting

    In de exploitatiebegroting is de afschrijving van € 1\,500 een kost die de winst verlaagt; in de liquiditeitsbegroting telt zij niet mee, want er verlaat geen geld het bedrijf.

    winst:−1 500kas:0\text{winst}: -1\,500 \qquad \text{kas}: 0winst:−1500kas:0

Resultaat: Resultaat: het eindsaldo van de kas is € 6\,000. De afschrijving van € 1\,500 verlaagt wél de begrote winst maar heeft géén effect op het kassaldo — precies het verschil tussen de exploitatie- en de liquiditeitsbegroting.

Eindexamen-focus

  • Je moet zowel de begrote winst (exploitatiebegroting: opbrengsten − kosten, inclusief afschrijving) als het maand-eindsaldo (liquiditeitsbegroting: beginsaldo + ontvangsten − uitgaven) kunnen berekenen.
  • Het examen toetst het inzicht dat afschrijving wél een kost maar géén uitgave is, en dat een winstgevend bedrijf toch een liquiditeitstekort kan hebben.

Veelgemaakte fouten

  • Afschrijving als uitgave opnemen in de liquiditeitsbegroting; afschrijving is een kost zonder geldstroom en hoort daar niet.
  • Winst en kasgeld gelijkstellen, en daardoor een liquiditeitstekort over het hoofd zien bij een winstgevend plan.
  • Verkopen op rekening in de liquiditeitsbegroting boeken op het moment van levering in plaats van op het moment van betaling.

Actieve herhaling

Een bedrijf begint een maand met € 5\,000 in kas. In die maand: contante verkopen € 18\,000, inkopen (contant betaald) € 11\,000, loonuitgaven € 6\,000, en een afschrijving van € 1\,500 op de machines. Bereken het eindsaldo van de liquiditeitsbegroting en leg uit hoe de afschrijving in de exploitatiebegroting én in de liquiditeitsbegroting wordt behandeld.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01De rechtsvorm eenmanszaak○
    • 02Het ondernemingsplan en de marktanalyse◐
    • 03Investeringsbegroting en financieringsplan◐
    • 04Exploitatiebegroting en liquiditeitsbegroting●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

De oprichting van een eenmanszaak

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~20
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma bedrijfseconomie (HAVO)

Vorig onderwerp

Persoonlijke financiële zelfredzaamheid

Volgend onderwerp

Van eenmanszaak naar rechtspersoon

EuraStudy·Samenvattingen T·03·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.