EuraStudy
Samenvattingen/Bedrijfseconomie/Financieren
Samenvattingen · BedrijfseconomieNL · HAVO

Financieren

Domein D2 gaat over de financieringskant: waar haalt een onderneming het vermogen vandaan om te investeren? Je leert het onderscheid tussen eigen en vreemd vermogen, de verhouding EV/VV en de solvabiliteit, de verschillende kredietvormen (lang- en kortlopend), en het hefboomeffect (leverage): hoe lenen het rendement op eigen vermogen kan vergroten of juist verkleinen. Je berekent de vermogensverhoudingen en het hefboomeffect.

3 Onderdelen·~16 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 1 · Verdieping 1

T·0999 / 16
Examenprofiel
Eigen vermogen en vreemd vermogen onderscheiden naar aansprakelijkheid, looptijd en vergoeding.De kredietvormen benoemen: langlopend (lening, hypotheek, obligatie) en kortlopend (rekening-courant, leverancierskrediet).De vermogensverhouding EV/VV en de solvabiliteit berekenen en interpreteren.Het hefboomeffect (leverage) berekenen en uitleggen wanneer lenen het rendement op eigen vermogen vergroot of verkleint.
Operatoren:berekenleg uitverklaarberedeneerbeoordeel

basisniveau

Zorg dat je eigen en vreemd vermogen uit elkaar houdt, de kredietvormen kent en de verhouding EV/VV en de solvabiliteit kunt berekenen.

verhoogd niveau

Redeneer over het hefboomeffect: waarom verhoogt lenen het rendement op eigen vermogen zolang de rentabiliteit van het totale vermogen boven de rente ligt, en waarom vergroot het ook het risico?

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 3 onderdelen▾
  1. Financieren
    • 01Eigen vermogen en vreemd vermogen○
    • 02Kredietvormen◐
    • 03Solvabiliteit en het hefboomeffect●
§ 01

Eigen vermogen en vreemd vermogen#

●○○BasisLPexamenblad-nl

De vermogensstromen van de onderneming

VermogensstromenGraaf, Eigen vermogen → Totaal vermogen, Vreemd vermogen → Totaal vermogen, Totaal vermogen → Bezittingen (investeringen)Eigen vermogenVreemd vermogenTotaal vermogenBezittingen(investeringen)rente +aflossing
Afb. 1Eigen en vreemd vermogen voeden samen het totale vermogen waarmee de onderneming investeert. Het vreemd vermogen vraagt rente en aflossing terug (vaste verplichting), het eigen vermogen deelt in de winst via dividend (risicodragend).

Kernpunten

Om te kunnen investeren en te werken heeft een onderneming vermogen nodig, en dat komt uit twee bronnen die fundamenteel verschillen: eigen vermogen en vreemd vermogen. Eigen vermogen is het vermogen dat de eigenaren zelf inbrengen of dat als ingehouden winst in de zaak blijft; het is blijvend beschikbaar, hoeft niet te worden terugbetaald en kent geen vaste vergoeding — de eigenaren delen in de winst (dividend) maar dragen ook het verlies. Vreemd vermogen is geleend geld, verstrekt door derden zoals een bank of een leverancier; het moet worden terugbetaald (afgelost) en kent een vaste vergoeding: rente. Dit onderscheid tussen 'eigen, blijvend, risicodragend' en 'vreemd, tijdelijk, tegen rente' is de basis van de hele financieringsleer.
Het verschil in aansprakelijkheid en risico tussen beide vermogenssoorten is groot. Verschaffers van eigen vermogen — de eigenaren of aandeelhouders — lopen het meeste risico: bij verlies of faillissement zijn zij als laatste aan de beurt en kunnen zij hun inleg kwijtraken. Daar staat tegenover dat zij bij winst het meest profiteren. Verschaffers van vreemd vermogen — de banken en andere schuldeisers — lopen minder risico: zij hebben recht op rente en aflossing en worden bij faillissement vóór de eigenaren betaald. Daarom is de vergoeding op vreemd vermogen (de rente) meestal lager en vaster dan het rendement dat eigen vermogen kan opleveren: minder risico, minder rendement.
Vreemd vermogen wordt onderscheiden naar looptijd, en dat sluit aan op de gouden balansregel uit domein B2. Langlopend vreemd vermogen — leningen, hypothecaire leningen, obligaties — heeft een looptijd van meer dan een jaar en dient om duurzame bezittingen te financieren. Kortlopend vreemd vermogen — een rekening-courantkrediet, leverancierskrediet (uitstel van betaling aan leveranciers), nog te betalen belastingen — moet binnen een jaar worden voldaan en dekt tijdelijke behoeften zoals de voorraad. Deze indeling naar looptijd is belangrijk voor de liquiditeit: kortlopende schulden zetten de kaspositie eerder onder druk dan langlopende, en moeten dus door snel liquide te maken bezittingen worden gedekt.
Op de balans (domein G) staan deze vermogenssoorten aan de creditzijde, en samen vormen zij het totale vermogen dat gelijk is aan de bezittingen: totaal vermogen=eigen vermogen+vreemd vermogen\text{totaal vermogen} = \text{eigen vermogen} + \text{vreemd vermogen}totaal vermogen=eigen vermogen+vreemd vermogen. De verdeling tussen eigen en vreemd vermogen bepaalt de financiële structuur van de onderneming. Veel eigen vermogen betekent een stevige, weinig risicovolle structuur (een grote buffer), maar het is duur vermogen omdat de eigenaren een hoog rendement verlangen. Veel vreemd vermogen is goedkoper (rente is lager dan het geëiste rendement op EV) maar risicovoller, omdat de rente en aflossing hoe dan ook betaald moeten worden, ook in een slecht jaar. De keuze van de verhouding is een centrale financieringsbeslissing.
Deze afweging tussen eigen en vreemd vermogen verbindt de financiering met het risico, de kosten en het rendement, en zij komt terug in de kengetallen van domein G. De solvabiliteit meet welk deel van het vermogen eigen is en dus hoe groot de buffer is voor de schuldeisers; de rentabiliteit meet het rendement. Een onderneming zoekt een verhouding die genoeg buffer geeft om financiers gerust te stellen (voldoende eigen vermogen) én goedkoop genoeg is om het rendement op eigen vermogen te vergroten (voldoende vreemd vermogen). Dat laatste effect — hoe lenen het rendement op eigen vermogen kan opstuwen — is het hefboomeffect, dat in het derde onderdeel wordt uitgewerkt en de kern vormt van de financieringsbeslissing.
totaal vermogen=eigen vermogen+vreemd vermogen\text{totaal vermogen} = \text{eigen vermogen} + \text{vreemd vermogen}totaal vermogen=eigen vermogen+vreemd vermogen

totaal vermogen

De creditzijde van de balans; gelijk aan de totale bezittingen (debetzijde).

Uitgewerkt voorbeeld

Vreemd vermogen en de vermogensverhouding

Een onderneming heeft een balanstotaal van € 500\,000, waarvan € 200\,000 eigen vermogen. Bereken het vreemd vermogen en de verhouding tussen eigen en vreemd vermogen.

  1. 01Stap 1 — Bereken het vreemd vermogen

    Het totale vermogen min het eigen vermogen is het vreemd vermogen.

    500 000−200 000=300 000500\,000 - 200\,000 = 300\,000500000−200000=300000
  2. 02Stap 2 — Bepaal de verhouding EV : VV

    Vereenvoudig de verhouding € 200\,000 : € 300\,000.

    200 000:300 000=2:3200\,000 : 300\,000 = 2 : 3200000:300000=2:3

Resultaat: Resultaat: het vreemd vermogen is € 300\,000 en de verhouding eigen : vreemd vermogen is 2 : 3. Van elke € 5 vermogen is € 2 eigen en € 3 vreemd; de eigenaren dragen het risico, de verschaffers van vreemd vermogen ontvangen een vaste rente.

Eindexamen-focus

  • Je moet eigen en vreemd vermogen onderscheiden naar terugbetaling, vergoeding (winstdeling versus rente) en risico, en langlopend van kortlopend vreemd vermogen scheiden.
  • Het examen verwacht dat je uitlegt waarom eigen vermogen duurder maar veiliger is en vreemd vermogen goedkoper maar risicovoller.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat eigen vermogen geen kosten heeft; eigenaren verlangen een rendement (dividend), dat vaak hoger is dan de rente op vreemd vermogen.
  • Langlopend en kortlopend vreemd vermogen door elkaar halen, wat de beoordeling van de liquiditeit verstoort.
  • Rente op vreemd vermogen verwarren met dividend op eigen vermogen; rente is een vaste verplichting, dividend een winstafhankelijke uitkering.

Actieve herhaling

Een onderneming heeft een balanstotaal van € 500\,000, waarvan € 200\,000 eigen vermogen. Bereken het vreemd vermogen en de verhouding EV : VV. Leg uit welk deel van de financiers het meeste risico loopt en waarom de rente op het vreemd vermogen vast is terwijl het rendement op het eigen vermogen dat niet is.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Kredietvormen#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kredietvormen naar looptijd

KredietvormenTabel met 3 kolommen en 5 rijen, Gegevens: Kredietvorm · Looptijd · Kenmerk; Onderhandse lening · lang · één geldgever; Hypothecaire lening · lang · pand als onderpand; Obligatielening · lang · veel beleggers; Rekening-courant · kort · flexibel rood staan; Leverancierskrediet · kort · uitstel van betalingKREDIETVORMLOOPTIJDKENMERKONDERHANDSE LENINGlangéén geldgeverHYPOTHECAIRELENINGlangpand als onderpandOBLIGATIELENINGlangveel beleggersREKENING-COURANTkortflexibel rood staanLEVERANCIERSKREDIETkortuitstel van betalingKredietvormen naar looptijd
Afb. 2De kredietvormen geordend naar looptijd: langlopend krediet (onderhandse lening, hypotheek, obligatie) voor duurzame investeringen, kortlopend krediet (rekening-courant, leverancierskrediet) voor tijdelijke behoeften.

Kernpunten

Vreemd vermogen kent vele verschijningsvormen, en de onderneming kiest de kredietvorm die past bij het doel en de looptijd van de financieringsbehoefte. De belangrijkste tweedeling is opnieuw die naar looptijd: langlopend krediet voor duurzame investeringen en kortlopend krediet voor tijdelijke behoeften. Binnen die twee groepen bestaan verschillende instrumenten, elk met eigen kosten, zekerheden en voorwaarden. Het kiezen van de juiste mix is een kunst: te veel duur kortlopend krediet drijft de kosten op, te weinig langlopend krediet zet de liquiditeit onder druk. De gouden balansregel — lange bezittingen met lang vermogen — blijft daarbij de leidraad.
Onder het langlopend krediet vallen de onderhandse lening, de hypothecaire lening en de obligatielening. Een onderhandse lening is een lening die rechtstreeks met één geldgever wordt afgesloten, meestal een bank, tegen een afgesproken rente en aflossingsschema. Een hypothecaire lening is een lening met onroerend goed (een pand) als onderpand; omdat de geldgever bij wanbetaling het pand kan verkopen, is de rente relatief laag. Een obligatielening is een grote lening die de onderneming opknipt in veel kleine schuldbewijzen (obligaties) die zij bij veel beleggers plaatst; elke obligatiehouder leent een stukje en ontvangt rente. Obligaties passen bij grote ondernemingen die veel langlopend vermogen willen aantrekken zonder één bank af te hangen.
Onder het kortlopend krediet vallen vooral het rekening-courantkrediet en het leverancierskrediet. Een rekening-courantkrediet is de mogelijkheid om tot een afgesproken limiet rood te staan op de bankrekening; het is flexibel — je gebruikt en betaalt terug naar behoefte — maar de rente is relatief hoog en varieert. Leverancierskrediet is het uitstel van betaling dat een leverancier geeft: je koopt nu en betaalt bijvoorbeeld pas over 30 dagen, waardoor de leverancier je feitelijk kort financiert. Dit krediet is vaak 'gratis' binnen de betaaltermijn, maar leveranciers geven soms korting bij snelle betaling (kredietbeperking), zodat uitstel toch een prijs heeft. Het tegenovergestelde is het afnemerskrediet: klanten betalen vooruit en financieren zo de onderneming.
Bij het verstrekken van krediet vraagt een geldgever meestal zekerheden en let hij op de positie van de onderneming. Een onderpand (hypotheek op een pand, pandrecht op de voorraad) geeft de geldgever verhaal bij wanbetaling en verlaagt zijn risico en daarmee de rente. Daarnaast beoordeelt de bank de solvabiliteit (is er genoeg eigen vermogen als buffer?) en de liquiditeit (kan de onderneming aan haar lopende verplichtingen voldoen?) voordat zij krediet verstrekt. Voor de onderneming betekent dit dat een sterke financiële positie niet alleen prettig is, maar ook toegang tot goedkoper krediet oplevert — een sterke solvabiliteit verlaagt de rente die de bank vraagt.
De keuze van de kredietvorm is dus een afweging tussen kosten, flexibiliteit, zekerheid en looptijd. Langlopend krediet is duurder in totaal maar geeft rust en past bij duurzame investeringen; kortlopend krediet is flexibel maar kan duur en onzeker zijn. Eigen vermogen kost geen rente maar verwatert de zeggenschap of vraagt om ingehouden winst. Een verstandige onderneming stemt haar financieringsmix af op de aard van haar bezittingen en behoeften, houdt genoeg eigen vermogen aan als buffer, en gebruikt goedkoop vreemd vermogen om het rendement op eigen vermogen te vergroten — mits de rentabiliteit dat toelaat. Dat laatste is het hefboomeffect, het sluitstuk van dit domein.
Uitgewerkt voorbeeld

De kosten van leverancierskrediet met kredietbeperking

Een leverancier levert voor € 10\,000 en biedt: betaal binnen 10 dagen met 2% korting, of betaal het volle bedrag binnen 30 dagen. Bereken het kortingsbedrag bij snelle betaling en leg uit waarom het 'gratis' leverancierskrediet feitelijk toch een prijs heeft.

  1. 01Stap 1 — Bereken de korting bij snelle betaling

    Neem 2% van het factuurbedrag.

    0,02×10 000=2000{,}02 \times 10\,000 = 2000,02×10000=200
  2. 02Stap 2 — Bepaal het te betalen bedrag bij vroege betaling

    Het factuurbedrag min de korting.

    10 000−200=9 80010\,000 - 200 = 9\,80010000−200=9800
  3. 03Stap 3 — Verklaar de prijs van het krediet

    Wie pas op dag 30 betaalt, mist de korting van € 200 en betaalt dus € 200 meer om 20 dagen langer krediet te houden; dat is de (impliciete) prijs van het leverancierskrediet.

    prijs van 20 dagen krediet=200\text{prijs van 20 dagen krediet} = 200prijs van 20 dagen krediet=200

Resultaat: Resultaat: de korting bij snelle betaling is € 200. Wie het volledige bedrag pas op dag 30 betaalt, geeft die € 200 op — dat is de werkelijke prijs van het 'gratis' leverancierskrediet, en dus reden om de korting af te wegen tegen andere financiering.

Eindexamen-focus

  • Je moet de langlopende kredietvormen (onderhandse lening, hypothecaire lening, obligatielening) en de kortlopende (rekening-courantkrediet, leverancierskrediet) benoemen en kenmerken.
  • Het examen verwacht dat je bij een gegeven financieringsbehoefte een passende kredietvorm kiest en de rol van onderpand en solvabiliteit voor de rente uitlegt.

Veelgemaakte fouten

  • Leverancierskrediet niet als een vorm van (kort) krediet herkennen; uitstel van betaling is feitelijk een lening van de leverancier.
  • Een obligatielening voor eigen vermogen aanzien; obligaties zijn vreemd vermogen (schuldbewijzen met rente), geen aandelen.
  • De invloed van onderpand en solvabiliteit op de rente negeren; meer zekerheid en meer eigen vermogen verlagen de rente.

Actieve herhaling

Een groothandel wil (a) een nieuw distributiepand kopen en (b) tijdelijk een grote seizoensvoorraad financieren. Kies voor elk van beide een passende kredietvorm en beredeneer je keuze aan de hand van looptijd, kosten en de gouden balansregel.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Solvabiliteit en het hefboomeffect#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Het hefboomeffect: REV tegen de rentabiliteit totaal vermogen

Het hefboomeffectSchaubild von REV, Nullstellen bei x = 3.75, y-Achsenabschnitt bei y = -10, steigend, im Bereich x von 0 bis 14, Schaubild von REV = RTV, Nullstellen bei x = 0, y-Achsenabschnitt bei y = 0, steigend, im Bereich x von 0 bis 142468101214−55101520RTV = i = 6%interestvoet 6%REVREV = RTVREV (%)RTV (%)
Afb. 3De REV als functie van de rentabiliteit van het totale vermogen bij vreemd vermogen tegen 6%. Rechts van het snijpunt (RTV > 6%) ligt de REV boven de RTV — de hefboom werkt positief; links ervan (RTV < 6%) eronder — de hefboom werkt averechts.

Kernpunten

De verhouding tussen eigen en vreemd vermogen bepaalt niet alleen het risico, maar ook het rendement dat de eigenaren op hun eigen vermogen behalen — en dat verband heet het hefboomeffect (leverage). Om het te begrijpen, onderscheiden we twee rentabiliteiten. De rentabiliteit van het totale vermogen (RTV) meet wat de onderneming met al haar vermogen verdient, vóór aftrek van de rente: RTV=winst voˊoˊr rentetotaal vermogen×100%\text{RTV} = \frac{\text{winst vóór rente}}{\text{totaal vermogen}} \times 100\%RTV=totaal vermogenwinst voˊoˊr rente​×100%. De rentabiliteit van het eigen vermogen (REV) meet wat de eigenaren op hún vermogen overhouden, ná aftrek van de rente: REV=winst na renteeigen vermogen×100%\text{REV} = \frac{\text{winst na rente}}{\text{eigen vermogen}} \times 100\%REV=eigen vermogenwinst na rente​×100%. Het hefboomeffect gaat over het verschil tussen deze twee.
De kern van het hefboomeffect is een eenvoudige, krachtige gedachte: als de onderneming met geleend geld méér verdient dan de rente die zij erover betaalt, dan komt dat verschil ten goede aan de eigenaren en stijgt de REV boven de RTV. Zolang de rentabiliteit van het totale vermogen groter is dan de interestvoet (RTV>i\text{RTV} > iRTV>i), werkt lenen dus als een hefboom die het rendement op eigen vermogen opstuwt: hoe meer je onder deze voorwaarde leent, hoe hoger de REV. Het geleende geld verdient immers meer dan het kost, en de eigenaren strijken het overschot op. Dit verklaart waarom ondernemingen bewust vreemd vermogen aantrekken, ook als ze eigen vermogen genoeg hebben.
De hefboom werkt echter twee kanten op, en daarin schuilt het risico. Zakt de rentabiliteit van het totale vermogen ónder de interestvoet (RTV<i\text{RTV} < iRTV<i), dan verdient het geleende geld minder dan het kost, en moet het tekort uit het eigen vermogen worden bijgepast: de REV zakt dán ónder de RTV, en hoe meer vreemd vermogen, hoe harder de REV daalt. De rente moet immers hoe dan ook worden betaald, ook in een slecht jaar. Zo vergroot vreemd vermogen niet alleen de kans op een hoog rendement, maar ook op een laag of negatief rendement: de hefboom versterkt zowel de winst als het verlies voor de eigenaren. Meer lenen betekent meer rendement in goede tijden én meer risico in slechte tijden.
De solvabiliteit meet in dit licht de weerbaarheid van de onderneming: het aandeel eigen vermogen in het totale vermogen, solvabiliteit=eigen vermogentotaal vermogen×100%\text{solvabiliteit} = \frac{\text{eigen vermogen}}{\text{totaal vermogen}} \times 100\%solvabiliteit=totaal vermogeneigen vermogen​×100%. Een hoge solvabiliteit betekent een grote eigen buffer en dus weinig gevoeligheid voor de hefboom: de onderneming kan een tegenvaller opvangen zonder in problemen te komen. Een lage solvabiliteit betekent veel vreemd vermogen, een sterke hefboom en dus hoge gevoeligheid: in goede tijden hoog rendement, in slechte tijden een groot risico op betalingsproblemen. Financiers, en zeker banken, letten scherp op de solvabiliteit, omdat die aangeeft hoeveel verlies de onderneming kan verdragen voordat de schuldeisers geraakt worden.
Het hefboomeffect maakt de financieringsbeslissing tot een afweging tussen rendement en risico. Een onderneming die zeker is van een rentabiliteit boven de rente, kan met vreemd vermogen het rendement op eigen vermogen opstuwen en zo meer waarde voor de eigenaren scheppen. Maar naarmate de onzekerheid toeneemt of de rentabiliteit richting de rente zakt, wordt veel vreemd vermogen gevaarlijk, en dan is een hogere solvabiliteit verstandiger. De optimale financieringsverhouding balanceert de hefboomwinst tegen het hefboomrisico. Voor het examen komt het erop aan dat je de RTV, de REV en de solvabiliteit kunt berekenen, en het hefboomeffect kunt uitleggen: lenen loont zolang RTV>i\text{RTV} > iRTV>i, en werkt averechts zodra RTV<i\text{RTV} < iRTV<i.
RTV=winst voˊoˊr rentetotaal vermogen×100%\text{RTV} = \frac{\text{winst vóór rente}}{\text{totaal vermogen}} \times 100\%RTV=totaal vermogenwinst voˊoˊr rente​×100%

rentabiliteit totaal vermogen

Het rendement van al het vermogen samen, vóór aftrek van de rente.

REV=winst na renteeigen vermogen×100%\text{REV} = \frac{\text{winst na rente}}{\text{eigen vermogen}} \times 100\%REV=eigen vermogenwinst na rente​×100%

rentabiliteit eigen vermogen

Het rendement voor de eigenaren, ná aftrek van de rente op het vreemd vermogen.

REV>RTV  ⟺  RTV>i\text{REV} > \text{RTV} \iff \text{RTV} > iREV>RTV⟺RTV>i

hefboomeffect

Lenen stuwt de REV boven de RTV zolang de rentabiliteit van het totale vermogen boven de interestvoet ligt.

Uitgewerkt voorbeeld

RTV, REV, solvabiliteit en het hefboomeffect

Een onderneming heeft € 400\,000 totaal vermogen: € 150\,000 eigen vermogen en € 250\,000 vreemd vermogen tegen 6% rente. De winst vóór rente is € 48\,000. Bereken de RTV, de rente, de winst na rente, de REV en de solvabiliteit, en beoordeel het hefboomeffect.

  1. 01Stap 1 — Bereken de RTV

    Deel de winst vóór rente door het totale vermogen.

    RTV=48 000400 000×100%=12%\text{RTV} = \frac{48\,000}{400\,000} \times 100\% = 12\%RTV=40000048000​×100%=12%
  2. 02Stap 2 — Bereken de rente en de winst na rente

    De rente is 6% van het vreemd vermogen; die trek je van de winst vóór rente af.

    rente=0,06×250 000=15 000⇒48 000−15 000=33 000\text{rente} = 0{,}06 \times 250\,000 = 15\,000 \Rightarrow 48\,000 - 15\,000 = 33\,000rente=0,06×250000=15000⇒48000−15000=33000
  3. 03Stap 3 — Bereken de REV

    Deel de winst na rente door het eigen vermogen.

    REV=33 000150 000×100%=22%\text{REV} = \frac{33\,000}{150\,000} \times 100\% = 22\%REV=15000033000​×100%=22%
  4. 04Stap 4 — Bereken de solvabiliteit en beoordeel de hefboom

    De solvabiliteit is het eigen vermogen gedeeld door het totale vermogen. Omdat RTV (12%) boven de rente (6%) ligt, werkt de hefboom positief: de REV (22%) ligt boven de RTV (12%).

    solv.=150 000400 000×100%=37,5%;RTV 12%>i 6%\text{solv.} = \frac{150\,000}{400\,000} \times 100\% = 37{,}5\%; \quad \text{RTV } 12\% > i \, 6\%solv.=400000150000​×100%=37,5%;RTV 12%>i6%

Resultaat: Resultaat: RTV = 12%, rente € 15\,000, winst na rente € 33\,000, REV = 22% en solvabiliteit 37,5%. Omdat de RTV (12%) boven de rente (6%) ligt, werkt de hefboom positief: het geleende geld verdient meer dan het kost, waardoor de REV (22%) ruim boven de RTV (12%) uitkomt.

Eindexamen-focus

  • Je moet de RTV (winst vóór rente / totaal vermogen), de REV (winst na rente / eigen vermogen) en de solvabiliteit (EV / totaal vermogen) berekenen.
  • Het examen verwacht dat je het hefboomeffect uitlegt: de REV stijgt boven de RTV zolang RTV > interestvoet, en daalt eronder zodra RTV < interestvoet, en dat meer vreemd vermogen het risico vergroot.

Veelgemaakte fouten

  • De rente vergeten af te trekken bij de winst na rente, waardoor de REV verkeerd wordt berekend.
  • Denken dat lenen altijd de REV verhoogt; dat geldt alleen zolang de RTV boven de interestvoet ligt.
  • Solvabiliteit en liquiditeit verwarren: solvabiliteit gaat over de vermogensstructuur (buffer), liquiditeit over het kunnen betalen op korte termijn.

Actieve herhaling

Een onderneming heeft € 400\,000 totaal vermogen (€ 150\,000 eigen, € 250\,000 vreemd tegen 6% rente) en behaalt een winst vóór rente van € 48\,000. Bereken de RTV, de rente in euro, de winst na rente, de REV en de solvabiliteit. Beoordeel of het hefboomeffect hier positief of negatief werkt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 03

    • 01Eigen vermogen en vreemd vermogen○
    • 02Kredietvormen◐
    • 03Solvabiliteit en het hefboomeffect●

0/3 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Financieren

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~16
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma bedrijfseconomie (HAVO)

Vorig onderwerp

Investeren

Volgend onderwerp

Doel en organisatie van marketingactiviteiten

EuraStudy·Samenvattingen T·09·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.