Loading
Loading
Elke tekst is geschreven met een doel: informeren, overtuigen, aanzetten tot, amuseren, uiten of voorschrijven. Wie het schrijfdoel en de tekstsoort herkent, begrijpt sneller hoe een tekst is opgebouwd en wat de schrijver van de lezer verwacht. Dit onderwerp leert je doel, tekstsoort, publiek en register systematisch te benoemen en op elkaar te betrekken — de basis voor zowel het centraal examen leesvaardigheid als het schoolexamen schrijven.
4Onderdelenca. 24min leestijd3VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 3
basisniveau
Voor het centraal examen leesvaardigheid moet je vooral het hoofddoel en de tekstsoort van een zakelijke tekst snel en betrouwbaar herkennen, en je keuze onderbouwen met kenmerken uit de tekst (titel, toon, woordkeus en opbouw).
verhoogd niveau
Voor het schoolexamen schrijfvaardigheid draai je het om: je kiest zelf een schrijfdoel en een passende tekstsoort en stemt opbouw, register en toon bewust af op je publiek, zodat je een gerichte uiteenzetting, beschouwing of betoog produceert.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
De zes schrijfdoelen
Een tekst draagt de titel „Stop met die plastic tasjes" en eindigt met de zin: „Neem voortaan zelf een tas mee — de natuur zal je dankbaar zijn." Welk schrijfdoel heeft de schrijver vooral, en waaraan zie je dat?
De titel is een gebiedende, sturende zin („Stop met …") en geen neutrale mededeling. Dat wijst niet op informeren, maar op een doel dat de lezer wil beïnvloeden. Houd dit vast als eerste aanwijzing.
Overtuigen wil dat de lezer een mening gaat delen; aanzetten tot wil dat de lezer iets gaat dóen. De slotzin roept op tot een concrete handeling — „Neem voortaan zelf een tas mee" — en niet alleen tot een opvatting. Dat verschuift het doel richting aanzetten tot (activeren).
De motiverende, waarderende woorden („de natuur zal je dankbaar zijn") versterken de oproep tot handelen. Omdat de tekst de lezer tot gedrag wil bewegen en niet slechts tot een standpunt, is aanzetten tot het hoofddoel; overtuigen speelt hooguit als nevendoel mee.
Benoem het doel met een werkwoord en verbind het aan de aanwijzingen, zodat je antwoord controleerbaar is en niet op gevoel berust.
Resultaat: Het hoofddoel is aanzetten tot (activeren): de schrijver wil dat de lezer daadwerkelijk iets gaat doen, namelijk zelf een tas meenemen. Dat blijkt uit de gebiedende titel („Stop met …"), de directe oproep in de slotzin („Neem voortaan zelf een tas mee") en de motiverende woordkeus. Overtuigen is hier hooguit een nevendoel; informeren past niet, omdat de tekst niet vooral kennis overdraagt maar gedrag wil sturen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Lees een opiniestuk uit een krant. Benoem het hoofddoel van de tekst en noem ten minste twee nevendoelen. Onderbouw je keuze voor het hoofddoel met minstens drie aanwijzingen uit de tekst (titel, toon, woordkeus en/of opbouw), en leg in één zin uit waarom de tekst niet als „informeren" wordt opgevat.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Nederlands (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Zakelijke tekstsoorten
Een tekst over kernenergie eindigt zo: „Kernenergie levert veel CO2-arme stroom, maar het afval blijft duizenden jaren gevaarlijk. Beide kanten verdienen een eerlijke afweging voordat we kiezen." Tot welke tekstsoort behoort de tekst waarschijnlijk, en waaraan zie je dat?
Vraag eerst: verdedigt de schrijver één duidelijk standpunt? In het fragment staan een vóór-kant (CO2-arme stroom) en een tégen-kant (gevaarlijk afval) naast elkaar, zonder dat de schrijver er één kiest. Er is dus geen eenzijdig verdedigd standpunt.
Een betoog zou juist één kant kiezen en de lezer willen overtuigen. Omdat de schrijver beide kanten gelijkwaardig presenteert en zelfs oproept tot „een eerlijke afweging", past het doel overtuigen niet. Het betoog valt af.
Een uiteenzetting zou alleen objectief uitleggen wát kernenergie ís, zonder voor- en nadelen tegen elkaar te wegen. Hier worden standpunten juist afgewogen en wordt de lezer uitgenodigd mee te denken. Dat is precies het kenmerk van een beschouwing.
De toon is overwegend zakelijk, maar de tekst weegt expliciet af („beide kanten verdienen een eerlijke afweging"). Die afweging van standpunten is het beslissende kenmerk voor je antwoord.
Resultaat: De tekst is waarschijnlijk een beschouwing. De schrijver weegt voor- en nadelen van kernenergie tegen elkaar af en kiest geen partij, wat een betoog uitsluit, en hij doet meer dan alleen objectief uitleggen, wat een zuivere uiteenzetting uitsluit. Het sleutelkenmerk — verschillende standpunten afwegen zonder een fel eigen oordeel — wijst op de beschouwing.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Je krijgt drie korte fragmenten over hetzelfde onderwerp (bijvoorbeeld sociale media): één legt neutraal uit hoe een aanbevelingsalgoritme werkt, één weegt voor- en nadelen tegen elkaar af, en één verdedigt de stelling dat sociale media aan banden moeten. Benoem per fragment de tekstsoort (uiteenzetting, beschouwing of betoog) en verklaar je keuze met een verwijzing naar het al dan niet verdedigde standpunt en het objectieve of subjectieve taalgebruik.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Nederlands (HAVO) (CvTE / Examenblad)
In een verder zakelijke krantenanalyse over de woningmarkt staat plotseling de zin: „En dan mag je als starter dus mooi je hele leven blijven huren — gefeliciteerd." Benoem het register en de toon van deze zin en leg uit welk effect de schrijver ermee bereikt.
De zin gebruikt spreektaal en de aanspreekvorm „je" („En dan mag je … dus mooi …"), wat informeel register is. Dat steekt af tegen de zakelijke, formelere rest van de analyse — er is dus sprake van registerwisseling.
Het slotwoord „gefeliciteerd" is duidelijk niet letterlijk bedoeld: voor de starter valt er niets te vieren. De schrijver zegt het tegenovergestelde van wat hij meent, en dat is ironie. De toon is dus ironisch, met een bittere ondertoon.
Door midden in een zakelijke tekst van register te wisselen en een ironische uitsmijter te plaatsen, trekt de schrijver de aandacht en maakt hij het abstracte probleem (woningnood) ineens persoonlijk en voelbaar. De ironie scherpt bovendien zijn kritiek aan zonder dat hij die met zoveel woorden hoeft uit te spreken.
Benoem register en toon apart en koppel ze elk aan een concreet tekstkenmerk, zodat je verklaring controleerbaar is.
Resultaat: Het register is informeel (spreektaal, aanspreekvorm „je"), wat een registerwisseling vormt ten opzichte van de zakelijke rest van de tekst; de toon is ironisch, want „gefeliciteerd" betekent hier het tegenovergestelde van wat het lijkt te zeggen. Met dit stijleffect trekt de schrijver de aandacht, maakt hij het probleem van de starter persoonlijk en voelbaar, en versterkt hij zijn kritiek op de woningmarkt.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Lees een column en een formele brief over hetzelfde onderwerp. Benoem per tekst de doelgroep, het register (formeel of informeel) en de toon, en onderbouw elk antwoord met een concreet voorbeeld van woordkeus of zinsbouw. Wijs in de column ten minste één geval van registerwisseling aan en leg uit welk effect de schrijver daarmee bereikt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Nederlands (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Een betoog pleit voor strengere regels voor vuurwerk. Alinea 2 geeft uitsluitend cijfers over het aantal gewonden tijdens de jaarwisseling, zonder oordeel. Wat is het hoofddoel van de tekst, en wat is de functie van alinea 2?
De tekst pleit vóór strengere regels: er is één duidelijk standpunt dat met argumenten wordt verdedigd. Het hoofddoel is dus overtuigen en de tekstsoort een betoog.
Alinea 2 geeft alleen feitelijke cijfers, zonder waardering of standpunt. Op zichzelf is dat objectieve, informerende taal — de functie van deze afzonderlijke alinea is informeren.
Het informeren in alinea 2 staat niet los van het geheel: de cijfers dienen als feitelijke onderbouwing van het standpunt. Een tekstdeel kan dus informeren terwijl de hele tekst overtuigt; het deeldoel is ondergeschikt aan het hoofddoel.
Houd in je antwoord het niveau van de tekst en het niveau van de alinea uit elkaar en onderbouw elk met een aanwijzing uit het betreffende deel.
Resultaat: Het hoofddoel van de tekst is overtuigen: de schrijver verdedigt met argumenten het standpunt dat er strengere vuurwerkregels moeten komen — het is een betoog. De functie van alinea 2 is informeren: de alinea geeft uitsluitend feitelijke cijfers, zonder oordeel. Die feiten ondersteunen vervolgens de argumentatie, wat laat zien dat een afzonderlijke alinea een ander, ondergeschikt doel kan hebben dan de tekst als geheel.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bij een examentekst horen twee vragen: (1) „Wat is het hoofddoel van de tekst?" en (2) „Wat is de functie van alinea 4?" Beantwoord beide. Maak in je antwoord expliciet het verschil tussen het doel van de héle tekst en de functie van die ene alinea, en onderbouw elk antwoord met ten minste één concrete aanwijzing uit (het betreffende deel van) de tekst.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Nederlands (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad