- Centraal examen (CE) — kunst (algemeen)
- Het CE havo is het gemeenschappelijke schriftelijke examen van de kunstvakken (kunst beeldend, muziek, drama, dans). Het toetst het beschouwen van kunst uit alle kunstdisciplines vanuit de zes invalshoeken binnen de cultuurhistorische contexten. Het examen bestaat uit een bronnenboekje (afbeeldingen, muziek- en videofragmenten) met open vragen. Duur: 3 uur (180 minuten). Per examenjaar liggen bepaalde onderwerpen of casussen extra accent; de precieze afbakening staat in de syllabus.
- Vorm en beoordeling
- Open vragen met een gesloten correctievoorschrift. Veel vragen zijn bronvragen: je krijgt een afbeelding of fragment en moet dat analyseren, in een context plaatsen en vanuit een invalshoek verklaren. Elke vraag heeft een maximumscore in punten; de normering (N-term) wordt na afname per jaar vastgesteld. Er is één eerste tijdvak (mei) en een herkansing in het tweede tijdvak (juni).
- Schoolexamen (SE) — het praktische kunstvak
- Kunst (algemeen) is het schriftelijke, gemeenschappelijke deel; daarnaast volgt elke kandidaat een praktisch kunstvak (kunst beeldend, muziek, drama of dans) waarvan de praktijk en het dossier in het schoolexamen worden getoetst. De verdeling van deelcijfers en het gewicht van CE en SE legt de school vast in het PTA; het eindcijfer combineert het CE van kunst (algemeen) met de SE-onderdelen van het gekozen kunstvak.
- Invalshoeken en contexten als raamwerk
- De stof is geordend in zes invalshoeken (thematische brillen waarmee je naar kunst kijkt) en zes cultuurhistorische contexten (perioden met een eigen wereldbeeld, opdrachtgevers en stijl). Op het examen wordt een concreet kunstwerk vrijwel altijd in zijn context geplaatst én vanuit een invalshoek verklaard; het begrippenapparaat (vorm, inhoud, functie; beeld-, muziek- en theatertaal) is het gereedschap waarmee je die verbanden onder woorden brengt.