Loading
Loading
Kunsttheorie gaat over de vraag wat kunst eigenlijk is en wat een werk goed maakt. Je leert de vier grote kunstopvattingen kennen — nabootsing, expressie, abstractie en het conceptuele — elk met een eigen maatstaf voor 'goede kunst'. Daarnaast leer je hoe beeldtaal betekenis overdraagt: van denotatie en connotatie via symboliek naar de semiotiek (teken, betekenaar en betekende). Ten slotte leer je hoe je met begrip van stijl en opvatting een kunstwerk 'leest', ook een ruimtelijk werk.
5Onderdelenca. 26min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 2 · Verdieping 2
basisniveau
Kunsttheorie en beeldtaal horen tot de begripsstof van het centraal examen kunst beschouwen: je moet opvattingen en tekens kunnen herkennen en een werk daarmee kunnen duiden.
verhoogd niveau
In je eigen ruimtelijke werk kun je bewust vanuit een kunstopvatting werken en met beeldtaal en symboliek betekenis toevoegen, en dat in je werkdossier verantwoorden.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
De vier grote kunstopvattingen
Twee makers beelden dezelfde boom af: de een streeft naar een perfecte gelijkenis, de ander naar een uitbarsting van kleur en gevoel. Leg uit vanuit welke opvatting elk werkt en met welke maatstaf je elk moet beoordelen.
De maker die naar een perfecte gelijkenis streeft, werkt vanuit de nabootsing (mimesis): kunst moet de zichtbare werkelijkheid overtuigend weergeven.
De maker die kleur en gevoel laat uitbarsten, werkt vanuit de expressie: niet de gelijkenis maar de uitgedrukte emotie staat voorop.
Het eerste werk beoordeel je op de geloofwaardigheid van de illusie; het tweede op de kracht en echtheid van het gevoel, ook als de boom vervormd of onnatuurlijk gekleurd is.
Beide werken kunnen uitstekend zijn, maar alleen als je elk aan zijn eigen maatstaf meet; het expressieve werk afwijzen omdat de boom 'niet klopt', is de verkeerde lat aanleggen.
Resultaat: Dezelfde boom, twee opvattingen: de een vraagt om de maatstaf van de gelijkenis (nabootsing), de ander om die van het gevoel (expressie). Een eerlijk oordeel meet elk werk aan zijn eigen opvatting.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Leg uit wat een kunstopvatting is en waarom je een kunstwerk aan de maatstaf van zijn eigen opvatting moet beoordelen. Geef bij twee verschillende opvattingen de bijbehorende maatstaf voor 'goede kunst'.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (handvaardigheid) havo — kunsttheorie en kunstopvattingen (CvTE / Examenblad)
Nabootsing en expressie met voorbeelden
Leg uit waarom Edvard Munchs 'De schreeuw' (1893) tot de expressieve opvatting hoort en niet tot de nabootsing. Betrek de vorm en de kleur in je antwoord.
Het landschap golft en kronkelt, de figuur is uitgerekt en vervormd tot bijna een schim; niets streeft naar een correcte, natuurgetrouwe weergave.
De hemel is onnatuurlijk fel oranjerood, de kleuren zijn niet beschrijvend maar geladen; ze versterken een gevoel in plaats van een tafereel af te beelden.
Je beoordeelt het werk niet op gelijkenis met de werkelijkheid maar op hoe raak het de emotie overbrengt — hier de pure, allesoverheersende angst.
Omdat vorm en kleur bewust worden vervormd en geladen om een gevoel uit te drukken, werkt Munch vanuit de expressie, niet vanuit de nabootsing.
Resultaat: De golvende vervorming en de onnatuurlijke, geladen kleuren maken 'De schreeuw' tot een expressief werk: het beeldt geen tafereel na, maar drukt de angst zelf uit.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Je krijgt twee werken van dezelfde voorstelling: een naturalistisch en een expressief. Benoem per werk de kunstopvatting en onderbouw dat met minstens twee beeldaspecten (bijvoorbeeld kleurgebruik en de behandeling van de vorm).
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (handvaardigheid) havo — nabootsing en expressie (CvTE / Examenblad)
Abstractie en concept met voorbeelden
Leg uit waarom Marcel Duchamps 'Fountain' (1917) een conceptueel werk is en met welke maatstaf je het moet beoordelen.
Fountain is een gewoon, in de fabriek gemaakt urinoir dat Duchamp omgekeerd plaatste, signeerde als R. Mutt en als sculptuur inzond; hij maakte het voorwerp zelf niet.
Niet het vakmanschap maakt dit tot kunst, maar het idee: de kunstenaar verklaart een gekozen voorwerp tot kunst en stelt zo de vraag wat kunst eigenlijk is.
Je beoordeelt het werk op de oorspronkelijkheid en de zeggingskracht van dat idee, niet op schoonheid of ambacht; de provocerende keuze van juist een urinoir is deel van de betekenis.
Het werk afwijzen omdat er 'niets aan gemaakt is', legt de maatstaf van de nabootsing of het ambacht aan; dat mist de conceptuele bedoeling.
Resultaat: Fountain is conceptueel omdat het idee — een gekozen voorwerp tot kunst verklaren en zo de vraag 'wat is kunst?' stellen — het eigenlijke werk is; je meet het aan de kracht van dat idee, niet aan het vakmanschap.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Vergelijk een abstract werk van Mondriaan met een readymade van Duchamp. Leg uit vanuit welke opvatting elk is gemaakt en met welke maatstaf je elk moet beoordelen; ga in op het verschil tussen zuivere vorm en het zuivere idee.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (handvaardigheid) havo — abstractie en conceptuele kunst (CvTE / Examenblad)
Het teken: betekenaar, betekende en betekenis
In een zeventiende-eeuws stilleven ligt een schedel tussen boeken en een gedoofde kaars. Lees dit teken met de begrippen denotatie, connotatie, betekenaar en betekende.
Letterlijk zie je een menselijke schedel, geschilderd tussen andere voorwerpen; de geschilderde schedel is de waarneembare betekenaar.
Volgens de westerse traditie roept de schedel de dood en de vergankelijkheid op; dat begrip is het betekende, de bijbetekenis die je eraan verbindt.
In een vanitas-stilleven versterken de gedoofde kaars en het vergankelijke rondom de schedel de boodschap: al het aardse is tijdelijk. De context stuurt welk betekende geldt.
Betekenaar (de schedel) en betekende (dood, vergankelijkheid) leveren samen, in deze context, de betekenis: een aansporing om stil te staan bij de vergankelijkheid van het leven.
Resultaat: De schedel is een symbool waarvan de betekenaar (het geschilderde bot) en het betekende (dood en vergankelijkheid) in de context van het vanitas-stilleven samen de betekenis vormen; zonder kennis van die code lees je alleen de denotatie.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Kies een kunstwerk met een duidelijk symbool (bijvoorbeeld een schedel, een duif of een weegschaal). Scheid de denotatie van de connotatie, benoem de betekenaar en het betekende, en leg uit waarom je de context nodig hebt om het teken juist te lezen.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (handvaardigheid) havo — beeldtaal en semiotiek (CvTE / Examenblad)
De opkomst van de vier kunstopvattingen
Je ziet een schilderij met alleen zwarte lijnen, witte vlakken en de primaire kleuren rood, geel en blauw. Bepaal de stijl en de kunstopvatting, dateer het op stijl en leg uit met welke maatstaf je het beoordeelt.
Het strakke raster van horizontale en verticale lijnen met alleen primaire kleuren is de persoonlijke stijl van Mondriaan en de tijdstijl van het neoplasticisme (De Stijl).
Die vormentaal ontstaat in het begin van de twintigste eeuw, rond 1917 en de jaren twintig; op stijl plaats je het werk dus in de vroege moderne kunst.
Er is geen herkenbaar onderwerp; vorm en kleur zijn zelf het onderwerp. Dit is de abstracte, autonome opvatting, gericht op universele harmonie en evenwicht.
Je beoordeelt het werk op de harmonie en het evenwicht van de zuivere beeldmiddelen, niet op gelijkenis; de nabootsing als maatstaf zou hier volstrekt misplaatst zijn.
Resultaat: Aan de strakke stijl herken je Mondriaans neoplasticisme uit de vroege twintigste eeuw; het is abstracte, autonome kunst die je meet aan de harmonie van vorm en kleur, niet aan gelijkenis met de werkelijkheid.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Kies een kunstwerk en 'lees' het volledig: beschrijf de denotatie, analyseer de beeldtaal en de stijl, bepaal de kunstopvatting en formuleer een onderbouwde interpretatie met de context. Geef bij een ruimtelijk werk ook minstens twee driedimensionale aspecten.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (handvaardigheid) havo — stijl en het lezen van beeldende kunst (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen