Loading
Loading
Frans is een wereldtaal die op vier continenten wordt gesproken en die haar eigen rijke geschiedenis, symbolen en omgangsvormen kent. Deze samenvatting brengt de Franstalige wereld („la Francophonie”), de symbolen en instituties van Frankrijk, de grote literaire stromingen en de interculturele beleefdheidsvormen bij elkaar. Belangrijk om eerlijk te zijn over de plaats in het examen: deze landen- en cultuurkennis hoort bij het bredere taal- en cultuuronderwijs en ondersteunt je begrip van examenteksten, terwijl het centraal examen Frans uitsluitend je leesvaardigheid toetst.
4Onderdelenca. 20min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 3
basisniveau
Voor het schoolexamen en je algemene taalvaardigheid: ken de hoofdlijnen van de Franstalige wereld, de belangrijkste symbolen van Frankrijk en een handvol grote auteurs, en pas de basale beleefdheidsvormen toe. Op het centraal examen helpt deze achtergrondkennis je vooral om de context van leesteksten sneller te plaatsen.
verhoogd niveau
Wie Frans of een internationaal gerichte opleiding kiest in het hoger onderwijs, heeft baat bij een steviger cultureel kader: de literaire stromingen in hun historische samenhang, de instituties van de Franse republiek en een fijngevoelig begrip van interculturele omgangsvormen.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
La Francophonie wereldwijd
Beschrijf in eigen woorden wat „la Francophonie” is en noem voor drie verschillende continenten een Franstalig land. Leg ook uit waarom het Frans juist in Afrika het sterkst groeit.
„La Francophonie” is het geheel van alle landen en gebieden ter wereld waar Frans wordt gesproken, vaak als officiële taal. Het begrip is dus veel breder dan Frankrijk alleen: het omvat ook België, Canada, talloze Afrikaanse landen en gebieden in de Caraïben.
Loop de tabel langs en kies per continent één land. Europa: België (of Zwitserland). Noord-Amerika: Canada, en wel de provincie Québec. Afrika: Senegal (of Marokko). De Caraïben met Haïti zou een vierde voorbeeld kunnen zijn.
In Afrika groeit het aantal Franstaligen het sterkst, en dat is vooral demografisch te verklaren: de bevolking neemt er snel toe en kinderen leren op school Frans, zodat het aantal sprekers meestijgt.
Resultaat: „La Francophonie” is de wereldwijde gemeenschap van Franstalige landen en gebieden, veel breder dan Frankrijk alleen. Voorbeelden op drie continenten zijn België (Europa), Canada/Québec (Noord-Amerika) en Senegal (Afrika). Het Frans groeit het sterkst in Afrika doordat de bevolking daar snel toeneemt en kinderen er op school Frans leren.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Beschrijf in eigen woorden wat „la Francophonie” is en noem voor drie verschillende continenten een Franstalig land. Leg ook uit waarom het Frans juist in Afrika het sterkst groeit.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Frans (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Frankrijk: symbolen en instituties
Leg uit waarom „le 14 juillet” de nationale feestdag van Frankrijk is, en noem drie andere symbolen of instituties van de Franse republiek met hun betekenis.
„Le 14 juillet” is de nationale feestdag omdat op 14 juli 1789 het Parijse volk de Bastille bestormde. Die gebeurtenis geldt als het begin van de Franse Revolutie, en daarom viert Frankrijk juist deze dag als „la Fête nationale”.
Loop de tabel langs en kies er drie naast de feestdag, bijvoorbeeld: de leus „Liberté, Égalité, Fraternité”, het volkslied „La Marseillaise” en het staatshoofd „le président”.
De leus „Liberté, Égalité, Fraternité” staat voor de republikeinse waarden vrijheid, gelijkheid en broederschap. „La Marseillaise” is het nationale volkslied dat uit de Revolutie stamt. „Le président” is het gekozen staatshoofd dat de republiek leidt.
Resultaat: „Le 14 juillet” is de nationale feestdag omdat hij de bestorming van de Bastille in 1789, het begin van de Revolutie, herdenkt. Drie andere symbolen zijn de leus „Liberté, Égalité, Fraternité” (de republikeinse waarden vrijheid, gelijkheid en broederschap), het volkslied „La Marseillaise” (het nationale lied uit de Revolutie) en „le président” (het gekozen staatshoofd dat de republiek leidt).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Leg uit waarom „le 14 juillet” de nationale feestdag van Frankrijk is, en noem drie andere symbolen of instituties van de Franse republiek met hun betekenis.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Frans (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Frankofone literatuurgeschiedenis
Plaats de volgende auteurs in de juiste stroming en eeuw, en noem bij elk een bekend werk: Molière, Voltaire, Victor Hugo, Émile Zola en Albert Camus.
Loop de tijdlijn van links naar rechts. Molière hoort in de zeventiende eeuw, Voltaire in de achttiende, Victor Hugo en Émile Zola in de negentiende, en Albert Camus in de twintigste eeuw.
Molière = le classicisme (klassiek toneel); Voltaire = les Lumières (de Verlichting); Victor Hugo = le romantisme (de romantiek); Émile Zola = le réalisme/naturalisme; Albert Camus = de moderne twintigste-eeuwse literatuur.
Molière: „Tartuffe” (1664). Voltaire: „Candide” (1759). Victor Hugo: „Les Misérables” (1862). Émile Zola: „Nana” (1880). Albert Camus: „L'Étranger” (1942).
Resultaat: Molière (zeventiende eeuw, classicisme) — „Tartuffe”; Voltaire (achttiende eeuw, les Lumières/de Verlichting) — „Candide”; Victor Hugo (negentiende eeuw, romantiek) — „Les Misérables”; Émile Zola (negentiende eeuw, realisme/naturalisme) — „Nana”; Albert Camus (twintigste eeuw, modern) — „L'Étranger”. De tijdlijn laat precies dezelfde volgorde van links naar rechts zien.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Plaats de volgende auteurs in de juiste stroming en eeuw, en noem bij elk een bekend werk: Molière, Voltaire, Victor Hugo, Émile Zola en Albert Camus.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Frans (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Leg uit wanneer je in het Frans „tu” gebruikt en wanneer „vous”, en noem twee andere beleefdheidsgewoonten die je in Frankrijk in acht neemt.
„Tu” gebruik je in vertrouwelijke situaties: tegen vrienden, familie, kinderen en leeftijdgenoten. „Vous” gebruik je beleefd en op afstand: tegen onbekenden, oudere mensen, een leraar of in formele situaties. Bij twijfel kies je „vous”.
Tegen een verkoper die je niet kent, gebruik je dus „vous”: bijvoorbeeld „Bonjour, vous avez du pain?” en niet de tu-vorm.
Ten eerste: groet bij binnenkomst met „bonjour” en neem bij vertrek afscheid met „au revoir”. Ten tweede: onder vrienden en kennissen begroet men elkaar vaak met „la bise”, de kusjes op de wang, terwijl je in een formele setting een hand geeft.
Resultaat: Je gebruikt „tu” in vertrouwelijke situaties (vrienden, familie, leeftijdgenoten) en „vous” in beleefde of formele situaties (onbekenden, ouderen, een leraar); bij twijfel kies je „vous”. Tegen een onbekende verkoper gebruik je dus „vous”. Twee andere gewoonten zijn: altijd groeten met „bonjour” bij binnenkomst en „au revoir” bij vertrek, en onder bekenden begroeten met „la bise” (kusjes op de wang), terwijl je in een formele setting een hand geeft.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Leg uit wanneer je in het Frans „tu” gebruikt en wanneer „vous”, en noem twee andere beleefdheidsgewoonten die je in Frankrijk in acht neemt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Frans (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad