Loading
Loading
In domein B verbreed je je blik door ten minste drie verschillende kunstdisciplines te leren kennen. Je maakt kennis met de kenmerken en beeldmiddelen van beeldende kunst, muziek, theater, dans, film, literatuur en architectuur, en leert per discipline waarnaar je kijkt of luistert. Dit hoort bij het handelingsdeel; er is geen centraal examen.
3Onderdelenca. 14min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 2
basisniveau
Elke leerling verbreedt naar minstens drie disciplines; welke precies, is vrij en wordt in het dossier vastgelegd.
verhoogd niveau
Wie een kunstvak volgt (kunst algemeen, tekenen, muziek), heeft van één discipline al diepe vaktaal; bij CKV gaat het juist om de breedte over meerdere disciplines.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Indeling van de kunsten
Kunstdisciplines en hun beeldmiddelen
Neem het thema ‚eenzaamheid’. Laat zien met welke beeldmiddelen beeldende kunst, muziek en film dit thema elk op hun eigen manier kunnen uitdrukken.
Een schilder gebruikt compositie en licht: één klein figuurtje in een grote, lege ruimte, met koele kleuren en hard zijlicht. De leegte om de figuur heen maakt de eenzaamheid zichtbaar.
Een componist gebruikt melodie, dynamiek en klankkleur: een enkele, trage melodie op één instrument, heel zacht, met veel stilte ertussen. Het ontbreken van samenspel klinkt als alleen-zijn.
Een regisseur gebruikt beeld, montage en geluid: een lange, stille shot van een personage aan een lege eettafel, zonder muziek, gevolgd door een snelle montage van drukke straten waar het personage niet bij hoort.
Elke discipline drukt hetzelfde uit met eigen middelen: de beeldende kunst met ruimte en licht in één blik, de muziek met klank in de tijd, de film met beeld én geluid én montage samen.
Resultaat: Hetzelfde thema (eenzaamheid) krijgt in elke discipline een andere vorm, omdat elke discipline andere beeldmiddelen heeft. Juist door dit naast elkaar te leggen — de kern van verbreden — begrijp je wat elke discipline uniek maakt.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Kies drie werkelijk verschillende kunstdisciplines (bijvoorbeeld één ruimtekunst, één tijdkunst en één taalkunst). Noem voor elk minstens drie beeldmiddelen en beschrijf met behulp daarvan kort een werk uit die discipline dat je kent.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma CKV havo/vwo — domein B (verbreden, disciplines) (CvTE / Examenblad)
Kijkroute voor beeldende kunst
Analyseer ‚De Nachtwacht’ van Rembrandt (1642) met de kijkroute en benoem daarbij minstens drie beeldmiddelen.
Een grote groep mannen met wapens en vaandels komt naar voren; het is een groot, donker doek met enkele fel verlichte figuren, vooral een man in het zwart en een meisje in het goudgeel.
Rembrandt gebruikt sterk clair-obscur: veel schaduw met enkele lichtaccenten. Het licht valt op de kapitein, de luitenant en het meisje, waardoor je blik daarheen wordt geleid.
De compositie is dynamisch: de figuren bewegen niet netjes in een rij (zoals gebruikelijk bij groepsportretten) maar door elkaar, met diagonalen die beweging en drukte suggereren.
Door licht en compositie oogt de schutterij niet als een stijve pose maar als een levendig moment: de groep komt letterlijk in actie. Dat maakte het werk in zijn tijd vernieuwend.
Resultaat: Met de kijkroute en de beeldmiddelen licht (clair-obscur) en compositie (dynamische diagonalen) wordt duidelijk hóe Rembrandt van een groepsportret een levendige scène maakte. De interpretatie rust nu op wat je echt aan het werk hebt waargenomen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Kies één schilderij of foto en één gebouw dat je kent. Beschrijf het beeldende werk via de kijkroute (beschrijven → analyseren → interpreteren) met minstens twee beeldmiddelen, en beoordeel het gebouw op zowel vorm als functie.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma CKV havo/vwo — domein B (beeldende kunst en architectuur) (CvTE / Examenblad)
Beeldmiddelen van de tijdkunsten
Leg uit hoe alleen al de montage — de volgorde van shots — de betekenis van een filmscène kan sturen. Gebruik een eenvoudig voorbeeld.
Stel je hebt drie shots: (1) een man kijkt neutraal, (2) een bord soep, (3) hetzelfde neutrale gezicht opnieuw.
Zet je ze in de volgorde man → soep → man, dan lijkt de man honger te hebben; de kijker ‚leest’ verlangen in zijn neutrale gezicht.
Vervang de soep door een shot van een kist en zet man → kist → man, dan lijkt dezelfde neutrale man verdriet of eerbied te tonen.
Het gezicht is identiek; alleen de montage verandert. De betekenis ontstaat dus door de verbinding tússen de beelden (dit heet het Koelesjov-effect), niet door het gezicht zelf.
Resultaat: De montage — een filmisch beeldmiddel dat geen enkele andere discipline zo heeft — bepaalt hier volledig wat de kijker voelt. Dit laat zien waarom je bij film niet alleen naar het verhaal, maar juist naar de filmische middelen moet kijken.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Kies een tijdkunst die je onlangs meemaakte (een film, concert, voorstelling of dansstuk). Beschrijf één moment eruit met minstens drie beeldmiddelen van die discipline, en leg uit welke keuze van de maker (bijvoorbeeld een montage, een tempowisseling of een lichtwissel) de betekenis stuurde.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma CKV havo/vwo — domein B (podium- en tijdkunsten) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad